Oet Dorp en Marke

1993-3

IJzertijd-bewoning in losser

Langs de westkant van Losser, in de ruime omgeving van het erve Deppenbroek, zijn op enkele plaatsen in de afgelopen 30 jaar scherven uit de IJzertijd gevonden (800 v. Chr. -0). Het is daarom wel duidelijk, dat in het inmiddels overbouwde gebied een of enkele woonplaatsen uit de IJzertijd hebben gelegen.
Opgravingen zijn er echter nooit uitgevoerd, de schaarse kennis berust geheel op wat verzamelde en vervolgens bij archeologen gemelde vondsten.

In 1983 vonden enkele leden van de Historische Kring Losser (W.J. ter Denge en J. Poorthuis) in het bedoelde gebied wederom IJzertijd scherven. Dat was in allerlei ontsluitingen (zoals wegcunetten en bouwputten) bij nieuwbouw aan de Hofkamp langs de Broekhoekweg. Ondanks deze ingravingen bleken er geen prehistorische grondsporen te zien, zodat de los gevonden scherven niet behoren bij vroegere bewoning ter plaatse, maar bij bewoning in de naaste omgeving.

Enkele van de gevonden scherven pasten aan elkaar en bleken tot een grote schaal te behoren. Omdat een deel van de schaalrand aanwezig was, kon de doorsnede van de rand worden bepaald op ca 27 cm. Dank zij een paar passende scherven was het schaalprofiel tot halverwege de buik te bepalen en te tekenen.

Het onderste deel van de schaal was vervolgens bij benadering aan te geven en is in de tekening met een ontbroken lijn geschetst. De gereconstrueerde hoogte is daarbij ruim 12 cm.

Zoals bij veel aardewerktypen uit de IJzertijd het geval is, is ook deze schaal op de buik (en schouder) besmeten met kleikloddertjes, terwijl halspartij glad is afgewerkt. Het doel van het besmijten is niet geheel duidelijk, men denkt echter vooral aan het minder poreus maken van de potten. Op de tekening is het besmeten deel van de schaal warrelig gemaakt. Dat is alleen op de rechter helft van de technische tekening aangegeven, omdat het rechterdeel de buitenzijde van de pot weergeeft; de linkerhelft van de tekening daarentegen de  binnenzijde en de doorsnede van de potwand. De wand van de Losserse schaal is 6-9 mm dik. De klei die daarvoor gebruikt is, is opzettelijk gemengd, verschraald met granietgruis. Men kan de klei ook met andere middelen verschralen, maar in Overijssel en omgeving is steengruis het meest gebruikt.
Die verschraling was nodig, omdat potten van zuivere klei tijdens het bakken door de krimp zouden barsten. De datering van prehistorisch aardewerk (scherven) in het algemeen en in dit geval van het schaalfragment, wordt bepaal door de vorm en het baksel (en indien aanwezig ook door de versiering).
Besmeten is typerend voor de IJzertijd en de Romeinse tijd . De laatst genoemde periode valt hier bij de Losserse vondsten om bepaalde redenen af.

ODEM1993 3 01Aardewerkschaal uit de ijzertijd gevonden te Losser schaal: 1 : 3.

Wijdmondige schalen, zoals deze vondst uit Losser, zijn goed bekend uit de midden en late IJzertijd. De schaal zal dus samenhangen met bewoning uit de laatste 5 eeuwen voor Christus.

Helaas is die bewoning met onder meer plattegronden van boerderijen onbekend gebleven en voorgoed verdwenen met de overbouwing destijds van de Losserse es.

A.D. Verlinde

Genealogie Kwekkeboom

De familie Kwekkeboom wonende aan de Willemsweg (naar Willem Kwekkeboom) zijstraat van het Hoge boekel, vestigt zich in Losser in 1782.

Rechterlijk archief oldenzaal.
Ik Hendr. Jan Bos certificere dat voor mij gecompareerd zijn Hendrik Wennink uit Doornengen en Janna Bos zijne huisvrouw verklarende op 26 okt 1774 verkoft te hebben aan Jan Queckkeboom de zogenoemde Kempers plaatse te Losser ofwel het huis met den gaarden zoals zij het bezeten hebben dog buiten de nieuwe grond en hofgronde die niet geleverd zijn zulks.

29 november 1782.

Ik Hendr Jan Bos certificere dat voor mij gecompareerd zijn Jan Queckkeboom op Kempersplaats te Losser en Hendrina Bos zijne huisvrouw, verklarende schuldig te zijn aan juffrouw Gezina Lippinkhof wed. van wijlen de heer predicant Hofman inde Gronouw de somma van agthondert zeventig quId en 18 stv, als vast hypotheek stellende hun aangekogte Kempers plaatse.

29 november 1782.

1. Jan Kwekkeboom geboren te Lonneker huwt met Berendina Bos uit Lonneker. Beiden overleden te Losser in 1796.

kinderen;

  1. Johanna geb.1771 Enschede, overl. 26-05-1820 Losser.
  2. Gesina geb.1777 Enschede, overl. 15-06-1828 Losser.
  3. Willem geb.12-12-1779 Enschede, overl. 10-08-1837 Losser (naar deze Willem is de Willemsweg genoemd)
  4. Gerhardus geb. 20-06-1784 Losser.
  5. Johannes geb.1792 Losser.

2. Willem Kwekkeboom geb.12-12-1779 Enschede overl. 10-08-1837 Losser, huwt met Geertruid Hye Heerse.

Willem Kwekkeboom vestigt zich aan de Willemsweg; zijn kleinzoon Jan Kwekkeboom getrouwd met Johanna Freriks, bouwen er een nieuwe boerderij, het oude huis is toen afgebroken. In een gevelsteen boven de deur staat jk jf 1913 (Jan Kwekkeboom Johanna Freriks)

Kinderen;

  1. Hermannes geb. 1803 Losser, overl. 16-09-1884 Losser.
  2. Getruida geb.1807 Losser, overl. 03-07-1871 Losser
  3. Gradus geb.1812 Losser, overl. 26-06-1837 Losser.
  4. Gerrit geb.21-06-1813 overl. 22-11-1885 Losser. Vestigde zich aan de Goormatenweg.
  5. Gerrit geb.1816 Losser.

3. Hermannes Kwekkeboom qeb.1803 Losser, overl. 16-09-1884 Losser huwt op 06-09-1834 met Hermina Lakerink geb. Losser. Hermannes komt op de boerderij van zijn vader.

Kinderen;

  1. Garadus geb. 10-07-1835 Losser, overl. 05-01-1860 Losser.
  2. Jan Hendrik qeb. 25-01-1838 Losser, overl.13-11-1838 Losser.
  3. Willem geb.27-10-1840 Losser, overl. 26-11-1859 Losser.
  4. Jan geb.22-12-1843 Losser, overl. 13-06-1936 Losser.
  5. Johanna Maria geb.21-09-1849 Losser overl. Losser.

4. Jan Kwekkeboom geb. 22-12-1843 Losser overl. 13-06-1936 Losser, huwt op 30-09-1813 te Losser met Johanna Freriks geb.15-02-1845 Lonneker overl. 21-05-1925 Losser.

Jan Kwekkeboom en Johanna Freriks bouwen een nieuwe boerderij aan de Willemsweg en breken het oude huis af.

Kinderen:

  1. Johanna Maria geb. 07-04-1877 Losser, overl. 07-09-1877 Losser.
  2. Dina Hermina geb. 28-11-1878 Losser, overl. 26-02-1943 Enschede.
  3. Johannes geb. 11-12-1881 Losser, overl. 11-03-1965 Losser.

5. Jan Kwekkeboom qeb.11-12-1881 Losser, overl. 11-03-1965 Losser huwt op 19-06-1906 met Gesina Geerthuis geb.02-01-1881 Losser, (Lutte) , overl. 01-06-1924 Enschede.

Kinderen:

  1. Johanna Maria Hermina geb. 12-07-1908 Losser,
  2. Maria Johanna geb. 27-01-1910 Losser.
  3. Hermina Maria geb. 20-04-1912 Losser.
  4. Geertruida Josefina Hermina geb. 21-03-1914 Losser.
  5. Johannes Bernardus geb. 01-08-1916 Losser.
  6. Gerhardus Johannes qeb. 04-09-1920 Losser.

6. Gerhardus Kwekkeboom geb. 04-09-1920 Losser, overl. 29-03-1981 Enschede. Huwt op 15-11-1950 te Losser met Anna Hermina Beunders.

Kinderen:

  1. Johannes Gerhardus Maria geb. 10-11-1953 Losser.
  2. Hendrikus Alphonsius Gerhardus geb.30-06-1957 Losser.
  3. Anna Maria Gesina geb. 14-06-1960 Losser.
  4. Hubertus Gerhardus Maria geb. 14-06-1960 Losser.

Hendrikus Alphonsius geb.30-06-1957 Losser, is nu landbouwer op het erf aan de Willemsweg waar de familie sinds 200 jaar boert.

Het Kraesgenberg

Ergens in 1991 heeft de Historische Kring de aandacht van de gemeente gevraagd voor de situatie rond boerderij Kraesgenberg. De maatschap Kraesgenberg had nieuw gebouwd en volgens een provinciale verordening diende de oude boerderij dan te worden afgebroken.
En dat kriebelde de Historische Kring toch wel een beetje, want Kraesgenberg zou een heel oude en heel bijzondere boerderij zijn! Maar hoe precies en wat precies.... dat lag buiten het gezichtsveld van de HKL, daarvoor ontbrak de nodige 'know how', deskundigheid en specialisatie.
De gemeente zocht contact met de Rijksdienst voor Monumentenzorg en de HKL kreeg -via de Twente Akademie -de vriendelijke medewerking van Dr. Everhard Jans.
Een dendrochronologisch (ouderdom bepalend door middel van jaarringen) onderzoek toonde aan, dat de bomen die het hout geleverd hebben voor de gebinten van het Kraesgenberg, in 1610 geveld zijn.
Zó nauwkeurig kan dat worden vastgesteld en de HKL kreeg het gelijk aan haar kant, dat het een heel oude boerderij betrof. Zou het ook een heel bijzondere zijn?
Daar voor moeten we even neuzen in het rapport van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Neust U maar mee!
Uit het rapport:

  • De hier toegepaste gebinten zijn qua tijd uniek in Nederland. Het gaat om zogenaamde 'Dachbalken', die verder voornamelijk in Duitsland bekend zijn;
  • Boerderij Kraesgenberg is daarmee de tweede boerderij in Nederland, die nog complete dachbalkgebinten heeft;
  • Bouwhistorisch gezien is deze boerderij voor Nederland zeer interessant en het is betreurenswaardig te noemen, dat het object wegens het "omhulsel" uit 1903 niet op de monumenten lijst staat. De bouwhistorische waarde van het object rechtvaardigt alleszins, dat hier een zorgvuldige afweging plaats vindt.

Jawel dus: ook heel bijzonder.

Van over de grens was van meet af aan grote medewerking, gestoeld op deskundigheid en gedeelde interesse. Zo maakte Dr. D. Maschmeyer van de "Interessegemeinschaft Bauernhaus" een zorgvuldige opmetingstekening en het"Planungsbüro Preszler" verzorgde de eerder vermelde dendrochron-ologische datering.

Conclusie:
iedereen die recht van spreken heeft is er inmiddels weI van overtuigd, dat het een zeer zeldzaam boerderijtype betreft, dat niet meer voorkomt en waarvan behoud, eventuele herbouw, eigenlijk als een cultuurhistorische verplichting moet worden gezien.
Het strekt ons gemeentebestuur, en met name wethouder J. Ensing, tot eer dat het zich zo uitvoerig in de zaak heeft verdiept, zich deskundig heeft laten voorlichten en de logische gevolgtrekking van deze studies tot de hare gemaakt heeft.

De gemeente zoekt naar middelen om "Het Kraesgenberg" voor de toekomst te behouden: zij stelt bouwterrein ter beschikking en neemt de kosten voor architect, tekening en begroting over op de gemeentelijke begroting.
Maar er is nog geen financieel onderdak gevonden voor de niet geringe kosten, die verbonden zijn aan afbraak en herbouw en een enigszins financieel aanvaardbare exploitatie dient echt weI aan een der gelijk ambitieus plan ten grondslag te liggen.

De gemeente zoekt naar subsidiegevers, o.a. bij het Samenwerkingsverband Twente, bij Euregio en weet wellicht nog meer hulpbronnen te vinden. Toereikend zal het niet zijn.

Daarom is er sinds kort een "Stichting Erve Kraesgenberg", die binnen het kader van haar mogelijkheden helpt zoeken naar wegen, middelen en bronnen om te komen tot realisatie van "Het Kraesgenberg".

Omdat de Boggelrieders -op zoek naar passende ruimte voor hun activiteiten -zich van meet af aan achter de plannen van de HKL hebben geschaard, ziet het stichtingsbestuur er als voIgt uit:

voorz.: Hr. C.J.M. Betlem
secr/penningm. Mr. lng. J.H. Zandbergen
leden:
Mw. E. Kattier
Hr. J.J. Luizink
Hr. J.P.M. Krüpers
Hr. F. Liet
Hr. J.H.A. Poorthuis
Hr. S. Smit

Wij wensen én de gemeente en de "Stichting Erve Kraesgenberg" wijsheid en inventiviteit toe en zijn dankbaar voor beider inzet! SUCCES!

Bestuur Hist.Kr.Losser

 

Losser toen en nu Brinkstraat-Torenstraat

ODEM1993 3 02

Een prentbriefkaart uit het begin van de twintiger jaren. Aan de linkerkant woonde de fam. Loohuis, later kapper Hans van Huizen; daarachter het pand van schoenmaker Vos. U kunt door de Torenstraat heen kijkend nog net het brandspuithuisje zien, dat toentertijd tegen de Martinustoren was aangebouwd.
In het midden het huis van de fam. Osse, het vroegere Keilvershuis.

Het huis is in 1892 afgebrand, terwijl de meeste inwoners van Losser een middagslaapje hielden. Kwajongens wilden kijken of het stro, dat na het dorsen nog tegen de niendeur lag, weI wilde branden.
Het pand brandde tot de grond toe af.
Thans bewoond door de fam. H. Damer.

ODEM1993 3 03

Hetzelfde punt na ongeveer 70 jaar. Het huis van Kapper Van Huizen is verdwenen. Rechts op de foto Hotel Smit, gebouwd door het toenmalige plaatselijke aannemersbedrijf Lutke Veldhuis; de bouwvergunning is afgegeven op 16 maart 1910 en de architect was W.L.Croonen.

Een modern straatbeeld, waarin de kastanjeboom in de Torenstraat is vervangen door een Leilinde.

De steenfabriek van Losser

ODEM1993 3 04Binnen de gemeente Losser staat een uniek monument, uniek voor Nederland en misschien weI voor heel Europa: steenfabriek "De Werklust". Dit monument is zo eenmalig, omdat we hier te maken hebben met de laatste nog in bedrijf zijnde zogenaamde ringoven. Maar daarover later meer. De geschiedenis van steenfabriek "De Werklust" gaat terug tot de vorige eeuw. Het maken van stenen is echter al heel oud. Zelfs in de Bijbel komt het voor. In Genesis 4 kunnen we lezen over Kaïn, die de stad Henoch bouwde, genoemd naar zijn zoontje. De gebruikte materialen staan er niet bij vermeld, maar later, in Genesis 11, wordt verhaald hoe het volk onder leiding van Nimrod, de achterkleinzoon van Mozes, naar het oosten trok, naar een laagte in het land van Sinear. "En zij zeiden tot elkaar: kom laat ons tichelen strijken en wel doorbranden en laat ons ene stad bouwen". Die stad werd Babel en daar liep het niet goed mee af, zoals u misschien nog wel weet. Maar stenen bakken kon men dus al wel.
In Chaldea, het uiterste zuiden van het dal van Tigris en Eufraat, werden bij opgravingen stenen gevonden, daterend uit de periode van circa 4000 jaar voor Christus. Dit waren stenen, waaraan duidelijk te zien was, dat ze zonder de hulp van een vormraampje, dus geheel met de hand waren gemaakt.

Het principe van steenmaken was heel eenvoudig. Een homp klei of leem werd afgegraven en met beide handen gevormd, later met behulp van een houten vorm, dan glad gestreken en op het veld, in de vrije natuur, te drogen gelegd. De gedroogde stenen werden daarna in ovens gebakken. Het was natuurlijk in de praktijk wel wat ingewikkelder dan hier zo simpel wordt geschetst. Afhankelijk van de samenstelling werd de klei nog goed gemengd met water en zand en al met al kwam er toch nog heel wat ambachtelijke kennis aan te pas, voordat er een goede steen uit de oven kwam. Maar het principe was dus heel eenvoudig.

Tot in het begin van deze eeuw waren de zogenoemde veldovens bij het bakken van stenen in gebruik. Oorspronkelijk maakte men een aarden wal en aan de binnenkant werden de stenen gestapeld, die gebakken moesten worden.
In het midden was de stookplaats. Het geheel werd afgedekt met plaggen en leem en aan de onderkant werden stookgaten gemaakt om nog brandstof te kunnen toevoeren. Later bestond een veldoven uit twee zware muren, soms wel anderhalve meter dik, evenwijdig aan elkaar, met aan de onderkant stookopeningen. Tussen deze muren werden de stenen opgestapeld en vervolgens werden de zijkanten en de bovenkant weer afgedekt.

Aan de weg van Losser naar Oldenzaal stonden meerdere steenbakkerijen en uit 12 van zulke veldovens is de huidige steenfabriek ontstaan. Hij werd gesticht in 1895 door enkele Lossernaren, te weten: de heren Genuchten, Haarman , Bulters, Bouwhuis en Keizers.

Het bakproces gebeurde toen nog met behulp van veldovens. In 1912 werd het bedrijf aangekocht door de familie Lindenbaum uit Gronau en in 1923 kwam de steenfabriek in handen van de gebroeders Osse.

Maar inmiddels hadden zich wel grote veranderingen voltrokken in de steenbakkerswereld. Nieuwe technieken hadden hun intrede gedaan. Een veldoven was namelijk niet zo economisch. Er was veel warmteverlies (60% van de gebruikte brandstof ging nutteloos verloren) en nog niet de helft van de stenen was van de hoogste (hardste) kwaliteit. Men zocht dus naar andere productieprocessen.

En door de grote kolenschaarste ten tijde van de Eerste Wereldoorlog kwam de steenbakkerswereId onder grote druk te staan om nieuwe, betere technieken in te voeren Een van die nieuwe technieken was de ringoven, ofschoon het patent hiervoor al in 1858 werd verleend aan twee Duitsers, Friedrich Hoffmann te Berlijn en A. Licht te Danziq.

Deze eerste ringovens waren echt rond van vorm, maar om verschillende redenen was dit zeer bezwaarlijk en zo ontstond de langgerekte variant. Er waren echter nog heel wat problemen in het stookproces te over winnen, voordat ook de twijfelaars onder de steenbakkers zich lieten overtuigen en de ringoven in de eerste twee decennia van deze eeuw steeds meer ingang vond.

De constructie van de ringoven veranderde in de loop der jaren. De ronde vorm werd langgerekt door twee stookkanalen in de lengte wijdig aan elkaar te bouwen en aan
de einden door een halfcirkelvormig kanaal, later door bijna rechte hoeken aan elkaar te verbinden.

Hoe de eerste ringoven der Firma Krüger te Scholwin er ongeveer uitzag.

ODEM1993 3 05ODEM1993 3 06

Fig. 1. Doorsnede. Fig. 2. Plattegrond.

De gebroeders Osse waren vooruitstrevend in dit opzicht en een jaar nadat zij "De Werklust" hadden gekocht, werd de veldoven vervangen door een ringoven. Een ringoven is een ellipsvormige tunnel. In de buitenmuren zijn op vaste afstanden openingen (poorten) aangebracht voor het in- en uitkruien van de stenen. De ringoven van "De Werklust” telt 18 gewelven, zogenaamde kamers, die in elkaar overlopen. In de binnenmuur zijn afsluitbare openingen (vossegaten), die in verbinding staan met het rookkanaal, uitmondend in de
schoorsteenpijp, die zo bepalend is voor het gezicht op Losser, wanneer je het dorp nadert.

Maar nu iets meer over hat productieproces van de Losserse steenfabriek.

Het maken van stenen is seizoenarbeid, onderverdeeld in een zomer- en winterproces.
Eerst wordt de klei afgegraven in de kleigroeve, gelegen in de directe nabijheid van de fabriek aan de Smuddeweg. Een locomotief met lorries gaat via een smalspoor van de fabriek naar de kleigroeve en met behulp van een staalkabel aan een rem-motor daalt het geheel 7 a 8 meter af naar de bodem van de groeve. Een graafmachine schraapt de klei gelijkmatig, en daardoor in de juiste samenstelling, van de groevewand.

steenfabriek "De Werklust" verwierf de eerste graafmachine in 1933. Vóór die tijd werd de klei met een spade in de lorries geschept en per paardentractie naar de fabriek vervoerd. Al met al zeer zware arbeid.

Het werk in de steenovens was in het algemeen vuil en zwaar en werd weinig gewaardeerd. Het was sloven en zwoegen en in Gelderland bestond de uitdrukking "Tichelen is kniggelen".

In het blad "De Fabrieksarbeider” van 2 november 1940 wordt in dit verband nog gezegd: “Een extra brood en vetrantsoen (voor de arbeiders van een steenfabriek) is dringend nodig". Deze mensen deden wel werk dat gedaan moest worden. Ze maakten bakstenen voor de bouw van huizen en klinkers voor de aanleg van wegen.

Zonder hen zou een groot deel van de bevolking nog langer in hutten of houten keten hebben geleefd. En de wegen zouden nog veel langer hebben bestaan uit onbegaanbare voetpaden en karrensporen. Het in gebruik nemen van de graafmachine in 1933 zal ook in Losser een hele verbetering van de arbeidsomstandigheden hebben betekend .

Als de lorries in de groeve gevuld zijn met klei, fungeert de rem-motor nu als trekmotor en brengt de locomotief met lorries weer naar boven, waarna het geheel terug rijdt naar de steenfabriek. Productie per dag zo'n 28 lorries, dat is circa 14 kubieke meter klei. De volgende fase is dan het vormen van de stenen en daarbij wordt nog veel handarbeid verricht. Per lorrie wordt er aan de klei een zak kalk toegevoegd. De klei is namelijk ijzerhoudend en dat zou een rode baksteen opleveren. Door toevoeging van kalk krijgt men een mooie, genuanceerde steen met gele en groene kleuren. Via een transport-band wordt de gemengde klei naar de steenuitwerper gevoerd. Een speciale wals ontdoet de klei van te grove
materialen, zoals keien, fossielen en andere ongerechtigheden. Er komen dus regelmatig ook prachtige fossielen naar buiten en verder nog versteend hout, haaientanden en zelfs af en toe stukjes barnsteen.

De steenfabriek beschikt over een eigen pompinstallatie. De waterput werd gemaakt door Frans Osse en is 48 meter diep. Er moest daar bij door twee zandsteenlagen geboord worden. Het water wordt opgepompt vanaf een diepte van 37 meter. Een zogenaamde 'ja-knikker', die werkt volgens hetzelfde principe als bijvoorbeeld de machines in de olievelden van Schoonebeek, pompt het wat er naar boven. Dit water is nodig bij het mengen van de klei en bij de verdere fabricage.

De volgende stap in het productieproces is de strengpers. Daar wordt de klei in gelijke stukken gesneden door een op-en-neergaande draad en ondertussen wordt de klei een beetje bevochtigd. En dan begint het echte handwerk. De kleistukken worden door zaagmeel gerold en vervolgens met de hand in de vormbakken geduwd.
Het rollen door het grove zaagmeel heeft twee doeleinden: het bevorderd het loslaten van de gevormde steen uit de vormbakken en daarna verbrandt het zaagmeel in de oven, waardoor de handvormsteen een afwisselende structuur krijgt. De klei in de vormbakken wordt machinaal gladgestreken en dan wordt er een plankje bovenop gelegd. Het geheel wordt omgedraaid en de vormhakken worden gelicht, waarna de gevormde stenen op het plankje achterblijven. Deze pas gevormde stenen noemt men ' groene stenen' en met behulp van staalkabels worden zij op het plankje naar de grote droogschuren getransporteerd. Daar worden de stenen in vakken geplaatst en als ze zijn aangedroogd 'in de kant gezet' om verder te drogen. Het mag dan niet meer vriezen, want dan zouden de stenen knappen.
Zijn ze wind-droog dan worden de stenen in het midden van de droogschuur opgestapeld. Dit noemt men het 'hagen' van de stenen.

Hiermee is het zomerproces van de stenen afgesloten en kan men overgaan tot het bakken van de stenen : het winter proces.

Voordat het bakken kan beginnen, moet de ringoven eerst worden nagekeken op eventuele gebreken. Die worden verholpen met vuurvaste stenen, waarbij als metselspecie een mengsel van klei, zout en zand wordt gebruikt, hetgeen een vuurvaste massa vormt. De wind-droge stenen worden naar de ringovenkamers vervoerd en elke kamer wordt volgepakt, met uitzondering van de stookplaatsen onder de vuurpotten. Daar wordt dus een ruimte opengelaten, waar later van bovenaf brandstof toegevoerd kan worden. Als een kamer volgepakt is met stenen, wordt als afscheiding met de volgende ruimte een papieren wand aangebracht, die wordt aangesmeerd met klei en zand om valse trek te voorkomen. Op een leek maakt een wand van papier in een oven een indruk van ongeloof, maar het is al een oud, beproefd procedé. Deze papierwand dient er voor om het vuur zo lang als nodig is in de kamer te houden en niet te snel naar de volgende kamer te laten overslaan. Pas als de temperatuur in de kamer hoog genoeg is geworden verbrandt deze papierwand en trekt het vuur verder naar de volgende kamer. In een volgepakte kamer zitten ongeveer 14.000 stenen; bij 18 kamers geeft dat een productie van circa 250.000 stenen in de totale baktijd van 4 weken.

Maar eerst moet de oven aangestoken worden. Daarvoor is direct al een wagonlading hout nodig. Het stoken is zeer belangrijk. Stoken was vanouds het vak van de steenfabrieken en een stoker verdiende in de regel dan ook wat meer dan de anderen. Een stoker diende zijn vak te verstaan. Hij moest zo op het oog de oven op een constante temperatuur van ruim 1000 graden houden. De stoker bij "De Werklust" heeft per kamer 15 stookpotten. Dit zijn openingen in de bovenkant van het ovengewelf, afgedekt met ijzeren plaatjes. Door die openingen kan de stoker van bovenaf, dus vanaf de zolder boven de oven, in het vuur kijken en brandstof toevoeren. Tijdens het zogenoemde voorvuur, wanneer het vuur nog opgestookt moet worden om een hogere temperatuur te verkrijgen, voegt de stoker om het half uur kolen toe. Bij het achtervuur, wanneer de hitte langzaam wordt afgebouwd, stookt men om de 2 uur met behulp van briketten.
Van bovenaf, door de vuurpotten, kan de stoker met behulp van een ijzeren staaf ook meten hoeveel de stenen inmiddels gekrompen zijn. Deze krimp moet zo'n 6 a 10 cm bedragen, dan zijn de stenen goed.

Wanneer het bakproces is afgerond, wordt de dichtgemetselde poort weer opengemaakt en de stenen worden er met behulp van een elektrokarretje uitgehaald.
Ze worden opgestapeld, nog wat nat gemaakt om de stevigheid te bevorderen en zijn dan klaar om vervoerd te worden naar een bouwplaats.

En het eindproduct van steenfabriek "De Werklust", een mooie handvormsteen in al zijn kleuren en figuraties, in Losser kortweg "Ossesteen” genoemd, is aan heel veel huizen te bewonderen.

Thea H. Evers-Evers

(De tekst van dit artikel is mede gebaseerd op gegevens van de Hr. H. Damer, de huidige eigenaar van de steenfabriek, aangedragen voor de HKL-film over de steenfabriek.

Geraadpleegde literatuur: Tijdschrift "KLEI" 1917 -1919

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.