Oet Dorp en Marke

1994-4

Kwartierstaat Küpers

1 Gerhard Johann Heinrich KÜPERS
* Gildehaus Dl. 03-10-1879 † Losser 10-06-1959
Tr. Losser 12-07-1905 met,
Johanna Gesina WELPELO
* Losser 29-04-1881 † Losser 27-11-1962

2 Johann Heinrich KÜPERS
* Gildehaus Dl. 01-01-1849 † Losser 11-01-1922
Tr. voor 1875 met,
3 Anna Maria NIJLAND
* Losser 19-09-1850 † Losser 08-10-1917

4 Johann KÜPERS/heneman auf Ravenhorst
* Achterberg 01-01-1820 † Bentheim Dl. 12-02-1881
Tr. Bentheim Dl. 25-07-1875 met,
5 Johanna Stratmann/Strating
* Bentheim Dl. 07-01-1817

6 Gerardus Johannes NIJLAND
* Losser 10-09-1803 † 15-02-1875
Tr. Losser 03-01-1833 met,
7 Maria SCHILDKAMP
* Losser 21-01-01-1804 † Losser 31-05-1878

8 Gerrit Jan KUPERS
* Denekamp 09-04-1786 † overl. na 1811
Tr. 05-02-1811 met,
9 Janna kleine SOMBERG
Achterberg 01.21-10-1787 † 20-05-1838

10 Gerardus Hendrikus BöSE op Stratman
* Emsburen 01-07-05-1777 † Achterberg Dl. 10-06-1823
Tr. Bentheim 01-18-01-1814 met,
11 Johanna STRATING *de Lutte 18-01-1791

12 Johannes Hermanus NIJLAND
* Losser 15-10-1760 † Losser 25-07-1829
Tr. Losser 18-04-1790 met,
13 Johanna SCHEEPERS op MEIJERINK
* Losser 1763 † Losser 29-01-1839

ODEM1994 4 01

14 Bernardus SCHILDKAMP
* Losser 07-11-1772 † Losser 30-04-1844
Tr. Losser 1801 met,
15 Joanna ASSINK
* Lonneker 1776 † Losser 22-01-1850

16 Gerd Jan KÜPERS/CUIPERS
* Denekamp 23-11-1743 † Beuningen 14-05-1810
Tr. Denekamp 14-10-1784 met,
17 Aleida PUNTE
* Bardel Dl. 18-10-1758 † Losser 18-11-1824

18 Herm kleine SOMBERG/ Vogesgeerd
* 18-01-1736
Tr. 08-11-1774 was eerst getr. met Fenne Kuhrwinze

19 Gese Kleine VENNEKOTTE
* 01-02-1750 † 30-09-1810

22 Gerd SAMERINK
* na 1726, voor 1771
Tr. voor 1791 met,
23 Johanna OLDE MEIJERINK
* na 1746,voor 1771

24 Albertus NIJLAND
* Losser na 1685, voor 1732
Tr. Losser 09-01-1750 met,
25 Maria TER GLANE
* Losser na 1705,voor 1732

28 Gerardus SCHILDKAMP
* Losser 12-01-1731 † Losser 12-02-1806
Tr. Losser 22-11-1761 met,
29 Christina LEMMINK
* Losser 10-10-1741

30 Willem ASSINK
* Lonneker na 1660,voor 1720
Tr. 1775 met,
31 Geertruid WALHOF
* na 1749 † 24-08-1833

32 Jan van het KUIJPERSHUIS
* na 1664,voor 1711
Tr. Oldenzaal 06-11-1729
33 Fenne van het OPENKATE of OPPENKATE
* na 1698,voor 1713

34 Gerardus Johannes PUNTE of HANTER
* na 1700, voor 1737 † Bardel Dl. 21-03-1790
Tr. Bardel Dl. 21-04-1755
35 Jenne ZALDER of Fenne SALDER

36 Jan VOGESGERDS

38 Gerd kleine VENNEKOTTE
* 13-12-1713 † Bardel 1759
Tr. voor 1750 met,
39 Grete LINDEMANN
* 1700,voor 1732
Tr. is 2x geh.1754 met SCHEPERS

56 Hermanus SCHILDKAMP
* Losser na 1698 voor 1700
Tr. Losser 08-02-1721 met,
57 Gesine ter GLAAN
* Losser † voor 1730
2e Tr. 04-04-1730 Losser
57 Stiene KOLKER
* na 1692,voor 1713

58 Hendricus Hermsen LEMMINK
Tr. Losser met,
59 Maria SANTHUIS

62 Johannes Ernestus ELLENBROEK
* Hengelvelde 16-10-1722 † Lonneker 01-11-1763
Tr. voor 1749 met.
63 Kunneke WALHOF

112 Jan SCHILTKAMP
* Losser na 1658, voor 1680
Tr. Losser 06-02-1698
113 Fenneke FIJKERINCK
* na 1658, voor 1680

124 Jan ELLENBROEK
* 1686, voor 1704
Tr. Hengelvelde 03-01-1722 met,
125 Joanna ten ROUWENHORST
* 1680,voor 1704

126 Kunneke Geerts WALHOF
* Lonneker na 1685, voor 1712 † Enschede voor 1775

248 Gerrit ELLENBROEK
* 1622, voor 1669
Tr. Haaksbergen 11-12-1687 met,
249 Aaltjen Arents ten BROUWERSHOEK
* 1637,voor 1669

250 Jan ROUWENHORST
* 1615,voor 1685
Tr. voor 1660 met,
251 Grietje te LINTELO
* na 1615 voor 1685

496 Arent Hermens ELLENBROEK
* 1587, voor 1651
Tr. met,
497 Gese ter BRAAK
* na 1590,voor 1651

J.M.S.Küpers Oude Kempers

Uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente

ODEM1994 4 02Brieven van Dominee Pos (2)

Was de eerste brief van ds. Pos gewijd aan de actualiteit van de jaren 1890 tot 1899, deze tweede brief, geschreven in februari 1944 gaat over de tijd van de Reformatie en Contra Reformatie en over “het bijna ongelooflijke feit, dat de bevolking van Losser, en andere gemeenten in deze landstreek, plusminus 150 jaren lang de mystificatie heeft volgehouden, dat zij slechts een kerk vertegenwoordigden, nl. de Gereformeerde, terwijl in werkelijkheid de meerderheid in 't geheim de Roomsche kerk was toegedaan".

G.W.Th. van Slageren.

Waarde Collega Wijchers,

Laat ik beginnen met U te bedanken 1e voor Uw brief van 19 Januari en 2e voor de toezending van de Kerkbode. Mijn oude vriend H.N.Nusmeijer zal U waarschijnlijk ook verteld hebben, wat de reden is, dat ik zoolang gewacht heb met mijn antwoord. Ongesteldheid in een vorm, die hier veel voorkomt, bij mij in hevigen graad, veroorzaakte bij mij, tijdelijk naar ik hoop, een zeer voelbaar verlies van kracht, dat nog niet geheel is overwonnen.

Om nu te beginnen met het slot van uw brief - ja! van de oudste toestanden in Losser wist ik heel wat, in de dagen toen ik daar woonde. Het is natuurlijk zeer wel mogelijk, dat op sommige punten, mijn geheugen in den loop der vele jaren, die sinds vervlogen zijn, iets van zijn correctheid en zekerheid verloren heeft, doch veel zal dit meen ik niet zijn.

Twenthe was in de Zeven Provincien de landstreek, waar de Spanjaarden bet langst hun macht hebben uitgeoefend. Spaansche garnizoenen waren nog gelegerd in de voornaamste plaatsen van Twenthe, toen daarvan elders geen sprake meer van was.
Eerst in het jaar 1597, dus 25 jaar na de inneming van den Briel, kwam daaraan een einde. Van de Reformatie was in deze landstreek niets bemerkt. Hagepreken waren er niet gehouden, martelaren om des geloofs wil waren er niet gevallen, alles was tot op dat jaar Roomsch, gelijk voorheen. In genoemd jaar 1597, trok Prins Maurits met zijn leger naar Twenthe, en in korten tijd had hij de Spaansche garnizoenen over de grens gedreven naar het Roomsche Munsterland.

Daarmee begon een grote verandering. In geheel Twenthe werd de Gereformeerde Religie ingevoerd. De pastoors, 23 in getal, werden "geciteerd" - zoo luidde de term – naar Deventer. Daar werd hun medegedeeld, dat zij naar hun parochies konden terugkeren, maar dan als predikant, dus om de Gereformeerde leer te verkondigen en niet meer de Roomsche.

Konden zij daartoe niet besluiten dan werden zij beschouwd als afgetreden. Volgens het oud stuk, waarin ik dit eenenander las, waren er van de 23 pastoors bovengenoemd maar 3, die verklaarden, dat zij genoemde voorwaarde niet konden aanvaarden, en die dus niet naar hun parochie mochten terugkeeren.

Met de invoering der "Gereformeerde religie" in 1597, ging gepaard de order, om de kerken te zuiveren van "beelden" en andere "paperije", zoals men toen zeide. Een gevolg daarvan was een verzoekschrift, waarin de gemeente te Losser den Landdrost van Twenthe vraagt, of hij timmerlieden en andere werklui wil zenden, om die zuivering van de kerk te volvoeren. Want weliswaar, dat de Spanjaarden over de grens zijn verdreven, maar Losser ligt zoo dicht bij de grens, dat bij een mogelijken terugkeer van dit krijgsvolk, op de burgers wraak zou worden geoefend, als zij zelf die zuivering hadden verricht. Dit verzoek werd "geconsenteerd" zooals de vaststaande term luidde.

De nieuwe Gereformeerde gemeente van Losser ontving niet dadelijk een eigen predikant. Zij werd aanvankelijk gevoegd bij de Geref. gemeente van Enschede, en door de predikant dier gemeente verzorgd. Hoe dat kwam, vond ik niet uitdrukkelijk vermeld. Het zou kunnen zijn, dat de laatste pastoor van Losser behoord had tot de drie weigerachtigen bovengenoemd.

Waarschijnlijk ligt het geval anders. Onder de oude stukken in het kerkelijk archief te Losser was in mijn tijd ook aanwezig een verzoekschrift van de huishoudster van den laatsten pastoor, gericht aan den Landdrost van Twenthe, waarin zij verzoekt verlof om voorzichzelf de gewassen van de pastoorslanderijen te mogen oogsten, naardien zij toch al in een ongunstige positie is komen te verkeeren, door ik meen het overlijden van haar patroon. Dit werd toegestaan.

Hoe lang nu de kerkelijke gemeente te Losser een aanhangsel is geweest van de Enschedesche, kunt U zien in het oude Notulenboek van de Kerkeraad, dat begint met de komst van Ds. Keller, den eersten eigen predikant van Losser. (Hier laat het geheugen van de oude dominee hem in de steek, want ds. Keller kwam in 1697, terwijl Losser sedert 1637 onafgebroken een eigen predikant had. GvS)

Hoe het zij, in die plotselinge metamorphose van pastoors in predikanten ligt waarschijnlijk een van de oorzaken van het feit, dat in den besproken Oosthoek van ons land, het zielental der Roomsche Kerk, althans tot op mijn tijd, zoo overheerschend in de meerderheid was. Van op die wijs gecreeerde protestantsche Voorgangers kon men niet veel feu sacré verwachten voor de leer der rechtvaardiging uit het geloof, in tegenstelling tot de leer der rechtvaardiging uit de goede werken van Rome.

Een andere oorzaak, van niet mindere betekenis, ligt in de omstandigheid, die ik nu ga vermelden.
Nauwelijks 25 jaar na deze vrijwel geheel uitwendige, door het gezag ingevoerde Reformatie van Twenthe, begon daar de Contrareformatie, uit het Roomsche Munsterland.

Veelal vermomd als marskramer of als kippenkooplui· vervoegden zich de Jezuieten zendelingen bij de bevolking, vooral in de buurtschappen, en nadat zij hun koopwaren hadden aangeprezen, begonnen zij voorzichtig te toetsen de godsdienstige denkwijze der eenvoudige boerenbevolking, en ontdekten dan al spoedig, dat hun gedachtenwereld nog geheel en al gevuld was met Roomsch-kerkelijke ideeën. De ben of de mars, die hun koopwaar bevatte, herbergde een dubbele bodem, waarin geborgen was een boek geverifieerd door den Bisschop van Munster, met de verklaring, dat allen, die hun naam in dit boek lieten inschrijven, weer aangemerkt werden als leden der Roomsche kerk. Zij mochten voor het uiterlijk zich blijven gedragen als Hervormden, naar de kerk gaan, kinderen laten dopen etc., kortom doen alsof zij Hervormd waren. Slechts moesten zij zich verbinden, eenmaal in 't jaar, over de grens in een klooster te gaan biechten, en verder wachten tot de tijd kwam, waarop hun zou worden aangezegd, dat zij als Roomschen voor den dag moesten komen.

Die geschikte tijd dan werd aanwezig geacht in de 70-er jaren van de 18e Eeuw. In het jaar 1773 (?) werd weer de eerste Roomsche Kerk in Losser gebouwd, op het erve Sweerman, aan den Enschedeschenweg, een gebouw met een rieten dak!
Dat tijdstip was ontegenzeggelijk met takt gekozen. Immers het valt in de periode onzer vaderlandsche geschiedenis, waarin de twisten tussen Patriotten en Prinsgezinden zoozeer de protestantsche meerderheid van ons volk bezig hielden, dat er geen sprake kon zijn van aandacht voor gebeurtenissen van kerkelijken aard, zoals in Twenthe voorvielen.
Overigens staat men hier, voor het bijna ongelooflijke feit, dat de bevolking van Losser, en andere gemeenten in deze landstreek, plusminus 150 jaren lang de mystificatie heeft volgehouden, dat zij slechts een kerk vertegenwoordigden, nl. de Gereformeerde, terwijl in werkelijkheid de meerderheid in 't geheim de Roomsche kerk was toegedaan, zoals betrekkelijk spoedig zou blijken.

Toen ik van deze wonderlijke Historie had kennis verkregen, zette ik mij er toe te onderzoeken of er in onze gemeente nog sporen van herinnering leefden aan die, toenmaals reeds heel lang vervlogen, periode van dubbelhartigheid op kerkelijk gebied. Ik sprak o.a. meermalen met den hoofdpersoon in het College van Kerkvoogden, J. Spiele, wonende in de Zoeke, een van de oudste leden der gemeente, een 70-jarige. Van hem vernam ik, dat hij niet alleen zijn vader, maar ook zijn grootvader nog zeer goed gekend had, en dat hij daardoor nog wel eens iets van dat in 't geheim Roomsch zijn van vervlogen jaren had gehoord. Bovendien wees hij mij meermalen smalle paadjes op 't heideveld, die allen uitliepen op een punt van de Duitsche grens, dicht bij een klooster. Langs die paadjes trokken de Roomschen, zeide hij, om in dat klooster te biechten.

Zelf werd ik eens zulk een spoor gewaar en wel een zeer merkwaardig, toen ik op een heeten zomermiddag werd overvallen door een zware onweersbui, zoodat ik haastig de naaste boerderij binnenvluchtte. Zeer vriendelijk werd ik door den boer - een Roomsche - en zijn dochter ontvangen. De man was mij niet onbekend ofschoon ik hem nooit had ontmoet.

Hij was lid van den gemeenteraad, ja zelfs Wethouder. - Toen hij tot deze waardigheid bevorderd was, had hij zijn naam leren schrijven, wat noodig was voor het tekenen van stukken. Lezen en schrijven kende hij niet, maar volgens Burgemeester Warnaars, bezat hij een zeer goed oordeel. Ik raakte druk met hem in gesprek, tot hij opeens opstond, en zeide: " Nu zal ik den Domeneer eens iets laten zien, dat hij hier niet verwacht". Hij verliet het vertrek, en kwam terug met een prachtigen ouderwetsen Statenbijbel ! " Hoe komt U daaraan", zoo luidde mijn verwonderde vraag. En het wederwoord? " Ja, ziet u, we zijn hier vroeger allemaal "Griffemeerd" geweest. Misschien hebt U dat al wel eens gehoord. Die bijbel is uit dien tijd afkomstig, en in de familie bewaard".
" Wat jammer", zei ik, dat U niet lezen kunt, "want anders kon U het ware Evangelie zelf leeren kennen !" " Ja, maar mijn dochter kan wel lezen, en die leest mij er vaak stukken uit voor" antwoordde hij.

Voor mijn onderzoek raadpleegde ik natuurlijk ook het kerkelijk archief, dat in de pastorie werd bewaard. Ik onderstelde, dat er van dat tijdverloop van plusminus 150 jaar wel stukken te vinden zouden zijn, waarin iets vermeld werd, dat verband had met dat in ’t geheim Roomsch zijn van een deel der gemeente. Dit onderzoek leverde niets op: Ik herinner mij, dat ik in de Notulen van een vergadering van Kerkvoogden de klacht vind geuit, dat bij de laatste verhuring van Kerkelanden een perceel was verhuurd aan een Roomsche, doch ik ben er niet zeker van of die vergadering voorviel in bovengenoemd tijdvak. Is zij van latere tijd, dan heeft zij geen betekenis voor de onderhavige quaestie.

PS. De rest zal, naar ik hoop binnen niet te langen tijd, volgen: er valt nog wel eenenander te vermelden.
Nogmaals bedankt voor Uw brief.

Met coll:groet

tt. H.Pos

W.F. Anderson en zijn Staringgroeve.

Op vrijdag 28 oktober overleed W.F. Anderson. Hij werd 84 jaar. In ons dorp was hij al vele jaren een zeer gerespecteerde en markante figuur. Maar zijn betekenis reikte veel verder. In 1947 stond hij aan de wieg van de Nederlandse Geologische Vereniging. De geologie, van jongs af zijn grote hobby, werd in 1949 ook zijn beroep. Toen kreeg hij een baan bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij, indertijd nog gevestigd in Oldenzaal. De bodem van Twente en het aangrensende Duitsland waren voortdurend onderwerp van zijn studie en hij publiceerde zeer veel hierover, zowel in b.v. het Jaarboek Twente, alsook in geologische vaktijdschriften.

De heer Anderson was ook enkele jaren bestuurslid van de Historische Kring Losser.
Zijn verdiensten op geologisch gebied zullen ongetwijfeld uitvoerig gememoreerd worden in de vakbladen. Voor Losser is hij echter onverbrekelijk verbonden met de Staringgroeve op de hoek van de Dr. Staringstraat/Hogeweg en daarom lijkt het gepast, om naar aanleiding van zijn overlijden eens wat meer de aandacht te vestigen op dit unieke geologische monument binnen onze gemeente.

Staringgroeve
We moeten terug naar zo'n 140 miljoen jaar geleden, de onderkrijt-periode, het z.g. Hauterevien, een tijdsbestek waar we ons geen voorstelling van kunnen maken. Er lag in dit gebied toen een binnenzee, die zich uitstrekte tot Steinfurt. De bodem van die binnenzee vinden we terug in de grond van de Losserse Es in de vorm van zandsteen, die zich manifesteert als een langgerekte ovale hoogte in het terrein, met een lengte van 1300 m en een breedte van 400 meter.

De zandsteen ligt op een diepte van ca. 3 meter en bevat veel overblijfselen van planten en dieren, die al lang zijn uitgestorven: resten afkomstig van de zeedieren, die vroeger in die binnenzee geleefd hebben. En om die zandsteen is het allemaal begonnen.

Burgemeester C. W. Eekhout / W. H. C. Staring.
Een hele grote sprong voorwaarts nu, naar het Losser van de 19e eeuw. Aan het hoofd van de gemeente stond toen burgemeester C.W. Eekhout. Hij fungeerde tevens als burgermeester van Oldenzaal en was een zeer voortvarende persoonlijkheid.

Van ouds was bekend dat de bodem van Losser zandsteen bevatte. Burgemeester Eekhout, die te maken had met de grote armoede in zijn plattelandsgemeente, deed in dat licht een serieuze poging om te onderzoeken of deze zandsteen gedolven kon worden. Want dat zou voor de economische opleving van de gemeente een goede zaak zijn geweest. Nu was Losser geen uitzondering.
Op provinciaal niveau hield men zich ook bezig met de ontwikkeling van de welvaart en in dat kader hielODEM1994 4 04d W.C.H. Staring in 1843 een lezing, waarin hij de vraag stelde, of het niet de moeite waard zou zijn, zich te bezinnen of er binnen de Nederlandse grenzen bruikbare bouwsteen onder het aardoppervlak aanwezig zou zijn.
Naar aanleiding daarvan ontving hij de opdracht een onderzoek in te stellen naar de geologische toestand van Twente en Vollenhoven.

ODEM1994 4 03

W.C.H. Staring (1808-1877) was een zoon van de bekende dichter en landbouwkundige A. Chr. W. Staring uit de Achterhoek. Ook de zoon leefde op het landgoed De Wildenborch bij Vorden en hij was in die tijd al een beroemd geleerde.
Hij studeerde geologie en had het standaardwerk "De bodem van Nederland" op zijn naam staan. Verder was hij landhuishoudkundige, bosbouwer, stichter van het landbouwonderwijs en grondlegger van de kultuurtechniek.
Toen Staring voor zijn opdracht in Losser kwam had burgemeester Eekhout al een proefput van 3 meter diep laten maken. De regering in Den Haag stelde f 300 beschikbaar voor het Losserse onderzoek, maar men vond geen vaste rots, enkel brokkelig gesteente. Er werden twee pogingen verricht, de eerste op de plaats waar de weg naar Overdinkel zich afsplitst en de tweede in de buurt van het erve Nietert. Het opdringende grondwater belette tenslotte verder onderzoek.

In november 1846 werd uit de tweede put een brok Losserse zandsteen met een gewicht van 2500 oude ponden, voor onderzoek naar Zwolle gezonden. En op 1 maart 1847 werd zelfs aan de Minister van Staat, baron Schimmelpennink van Oye, een vaas aangeboden, die was vervaardigd uit Losserse zandsteen. Waar dit ornament is gebleven vermeld de historie helaas niet.

De exploitatie van de Losserse zandsteen bleek echter niet rendabel en het werk werd gestaakt. De steen was te poreus en te brokkelig. Dit komt omdat de het gesteente vol zit met naaldsponsen uit de tijd waarin het is ontstaan.
De bekende Bentheimer zandsteen, een iets oudere formatie, bevat nagenoeg geen fossielen, is dus veel harder en was/is dus veel meer van praktisch nut.
Ofschoon het onderzoek op economisch gebied mislukte, was het wetenschappelijk uitstekend verricht en de bevindingen werden door Staring gepubliceerd onder de titel: "De steen van Losser in Overijssel".

Twintigste eeuw.
Ook ten tijde van de EersteWereldoorlog, toen de invoer van buitenlandse bouwstenen stil lag, waagde men opnieuw een poging. Er werd nog een mijnconcessie aangevraagd tot delving van bitumineuze stenen, maar ook toen wees een boring uit, dat ontginning niet haalbaar zou zijn. Ook had men weer veel overlast van het grondwater en deze hernieuwde poging liep dus op niets uit.

W.F. Anderson Staringmonument.
De Losserse Es was door deze voorgeschiedenis wel een intrigerend en gedenkwaardig stukje grond geworden. Bovendien is het de enige plaats in Nederland, waar zulke oude aardlagen zo dicht aan de oppervlakte komen.
Verder bestaat de bovenlaag van ons land uit afzettingen uit een veel jongere periode. In geologisch opzicht is de Losserse Es dus een ware schatkamer. Het uitbreidingsplan Losser-Zuid zou deze unieke geologische laag voor altijd ontoegankelijk maken en bij de heer Anderson rijpte dan ook het plan om op de Losserse Es, te komen tot een geologisch monument, dat tevens een eerbetoon zou kunnen vormen aan W.C.H. Staring.
De plannen werden gemaakt en men vond een geschikte plaats op het grondgebied van de heer Zwaferink.

ODEM1994 4 04Een comité, bestaande uit burgemeester J.P.A.M. v.d. Sandt, W.F. Anderson, J.B. Zwaferink, J. Jordaan J.G.Hzn., industrieel te Haaksbergen, H.W. van Tellingen, geoloog te Oldenzaal en A.A. Thiadens, direkteur Geologische Stichting te Haarlem, trachtte de nodige bekendheid te geven aan het projekt.

In 1965 namen verschillende bekende persoonlijkheden op geologisch gebied, daarbij geholpen door de hele buurt, de schop ter hand en zo kwam door gezamenlijke inspanningeen 4 meter diepe kuil tot stand. Men had gelukkig geen last van grondwater. Er werden door een tankwagen van de gemeente zelfs enige duizenden liters water in de kuil gespoten, maar het bleef kurkdroog.

Het Staringmonument kon toen vaste vorm krijgen. De zandsteenlaag werd hoefijzervormig bloot gelegd, zodat een soort zandstenen muur ontstond, waarin de verschillende lagen toegankelijk zijn. Tegenwoordig is met een hoogtepaal in het midden van de kuil, ook precies aangegeven waar die lagen zich bevinden.

Voor W.C.H. Staring werd een monument vervaardigd, door de Enschedese beeldhouwster J.J.M. van Eyl-Eitink. Deze bronzen kop van Staring werd gefinancierd door de Nederlandse Geologische Vereniging.

Opening.

ODEM1994 4 06Op woensdag 22 mei 1968 kon het Staringmonument worden onthuld, in aanwezigheid van de familie Staring en diverse autoriteiten uit binnen- en buitenland. Mr. A. Staring trok het doek weg van het borstbeeld van zijn grootvader en burgemeester Van de Sandt maakte bekend, dat de nieuwe straat, waaraan de groeve en het plantsoen gelegen zijn, de Dr. Staringstraat zal heten.

In een van de wanden van het bordes werd een natuursteenplaat aangebracht met de tekst:"De zandsteenlaag die hier aan de oppervlakte komt is ongeveer 130.000.000 jaar oud. Ze behoort tot de Onderkrijt-periode. Hier golfde eens de zee. Het water was warm en ondiep en de bodem bedekt met een dichte begroeiing van sponsen. In het water leefden verschillende soorten inktvissen. Op de bodem talrijke oesters, slakken, kreeften, wormen en weekdieren. In de zandsteen zijn veel afdrukken bewaard gebleven van fraaie schelpen. De kust was niet ver verwijderd, zodat ook veel resten van drijfhout, dikwijls bezet met boormossels bewaard zijn gebleven.

De opening werd een groots gebeuren, waarin men niet vergat te memoreren, dat vooral de Losserse jeugd heeft geholpen bij het werk aan deze groeve. En ook later waren de kinderen uit de buurt altijd graag behulpzaam bij de graafwerkzaamheden, waarbij de heer Anderson het de gewoonste zaak van de wereld vond om ergens aan te bellen en om 10 glazen ranja te vragen.

In de Staringgroeve werden belangrijke vondsten gedaan. Het zou te ver voeren om ze allemaal op te noemen. In 1976 werd de grootste fossiele schelp van Nederland ontdekt, met een afmeting van 23 cm., o.a. bekend onder de naam Pecten Jacobeis, verwant aan de z.g. pelgrimsschelp, die vroeger werd gebruikt door naar het Oosten trekkende pelgrims, die de schelpen bevestigden aan het hoofddeksel of de mantel.

ODEM1994 4 07
Burgemeester J.P.A.M. van de Sandt met W.F. Anderson, de stichter van het Staringmonument tijdens de opening op 22-05-'68.

Het terrein van de Staringgroeve werd nog uitgebreid met een strook grond die was toegezegd aan de R.K. school De Basis. Daar bevond zich een 7 meter diepe waterput, die was uitgehakt in de zandsteen bodem bij de woning van de familie Van Huizen en zo kon deze put behouden blijven.

Naar de heer Anderson werd nog tijdens zijn leven een straat genoemd, grenzend aan het Staringplantsoen. Vermoedelijk ook een uniek feit in Nederland.

De Staringgroeve wordt al enkele jaren beheerd door de Stichting Het Staringmonument. Deze stichting kon in het !even worden geroepen door de nalatenschap van mej. E.A. van Spronsen, een kennis van de heer Anderson. Ook voor haar was de geologie een grote hobby. Samen met haar verrichtte de heer Anderson in de tachtiger jaren een onderzoek naar de herkomst van de fijnkorrelige zandstenen beelden in de tuin van paleis Het Loo.

De Stichting Het Staringmonument is dankzij de nalatenschap in staat om de groeve te onderhouden en projekten te steunen, die in verband gebracht kunnen worden met de geologie. En ook de nalatenschap van de heer Anderson zal vermoedelijk gedeeltelijk ten goede komen aan deze stichting.
De bestuursleden zullen er ongetwijfeld voor zorgen, dat de groeve in de geest van de heer Anderson zal worden onderhouden en dat de verzameling fossielen, die voor geïnteresseerden zeer de moeite waard is, op een goede manier tentoongesteld en gebruikt wordt.

De kelder van het gemeenthuis, waar de verzameling tot nu toe gelukkig een onderdak vond, wordt voor de toekomst toch niet als een goede plaats ervaren, want er is natuurlijk nog veel meer dat tentoongesteld kan worden.
Het is jammer dat de groeve momenteel "ten gevolge van verwering (en begroeiing) niet bijzonder spectaculair is'', zoals het wordt verwoord in de geologische gids "In de bodem van Salland en Twente.1993". Het zal ongetwijfeld de nodige inspanning kosten om het goede aanzien te herstellen en te bewaren, zo dit al mogelijk is.

De gemeente Losser heeft met de Staringgroeve een uniek monument binnen haar grenzen. Weliswaar is het nog niet de toeristische attraktie geworden waarover men in 1968 sprak, maar in vakkringen en ook bij hobby-geologen binnen en buitenland, is de groeve inmiddels wel zeer bekend mede door de grote inzet en de vele publicaties, die W.F. Anderson over zijn Losserse Staringgroeve heeft doen verschijnen

Thea. H. Evers

Geraadpleegde literatuur:

  • Anderson, W.F. Een geologisch monument op de Losserse Es
  • Helvoort, C.J.A. van, Losser voorheen en thans
  • Dagblad Tubantia Twentse Courant

"Open-Dag" 12 november 1994

Het was een gouden greep en het werd een gouden dag!

Een gouden greep: niet zo’n echte receptie; u weet wel, een tikkeltje stijf, een tikkeltje teveel decorum, lange tafel met feestelijk kleed, verplicht bloemetje in het revers en op tafel, verplicht lachje, tikkeltje aangemeten, vlinderstrikje en lange japon, met veel toespraken en prettige enveloppen-met-inhoud .... en daar tegenover al die mensen die gehoorzaam, een tikkeltje verveeld, wachten tot het allemaal klaar, af en over is en ze zich eindelijk weer mogen hullen in slobberbroek en oude trui.

De 'open-dag' heeft gewerkt, zoals wij dat zo graag gewild hadden. Een spontaan, gemoedelijk en gezellig ontmoetingsplatform voor jong en oud Losser, voor de hevig geïnteresseerde en voor de sceptische wenkbrouwenfronser, die ons sterk verdenkt van historische navelstaarderij en dat maar een zonderlinge afwijking vindt, wat het in dat geval natuurlijk ook is.

En toch was er duidelijkheid, zonder dat het al te nadrukkelijk schriftelijk of verbaal was omschreven.

ODEM1994 4 08De fototentoonstelling, de diapresentatie met quiz, de stamboomreeksen, de oude films over het oude Losser, boerderijonderzoek, straatnaamgeving, historische fotoclub ........ ieder onderdeel binnen ons activiteitenschema was ergens aanwezig, bescheiden, onopvallend, ruimte latend voor de langs schuifelende mensen, die ook elkaar zagen en herkenden, tijd namen om elkaar te begroeten, soms mensen die al jaren ergens anders woonden en voor de 'open-dag', toch een tikkeltje argwanend, naar ’t oude stekkie waren teruggekeerd, zo van: en kan er dan uit Losser iets goeds komen?

Dat het zo goed kon zijn hadden ze nauwelijks gedacht en het werkte als een soort bevrijding.

En dan nog een wethouder die belooft, dat er echt een keer een eigen plekje komt, waar we elkaar kunnen ontmoeten, waar een typemachine en een computer zich op hun gemak kunnen voelen, waar een stukje niet al te kwetsbaar archief kan worden ondergebracht, waar kan worden vergaderd, waar een boekenkast met histo/regioliteratuur kan worden gehuisvest, kortom waar onze gemeenschappelijke virus zich in een weldadige kweekbodem kan rondwentelen en nestelen ......... !

Jan Regtop, geb. 2-6-1924 in Noordwolde, Friesland, oud-Lossenaar en al jaren woonachtig in Warnsveld zei om half een:"Ik mot neurig noar hoes; ze wocht op mie." Om half twee zei hij:" Dee oale films mok toch nog emm'n zeen." En om half drie:" Noe bin'k toch te laat! 't Is mien mooiste dag van 't joar!"

Hij zei dus eigenlijk 't zelfde als wij allemaal:

Een gouden dag!

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.