Oet Dorp en Marke

Uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente

ODEM1994 4 02Brieven van Dominee Pos (2)

Was de eerste brief van ds. Pos gewijd aan de actualiteit van de jaren 1890 tot 1899, deze tweede brief, geschreven in februari 1944 gaat over de tijd van de Reformatie en Contra Reformatie en over “het bijna ongelooflijke feit, dat de bevolking van Losser, en andere gemeenten in deze landstreek, plusminus 150 jaren lang de mystificatie heeft volgehouden, dat zij slechts een kerk vertegenwoordigden, nl. de Gereformeerde, terwijl in werkelijkheid de meerderheid in 't geheim de Roomsche kerk was toegedaan".

G.W.Th. van Slageren.

Waarde Collega Wijchers,

Laat ik beginnen met U te bedanken 1e voor Uw brief van 19 Januari en 2e voor de toezending van de Kerkbode. Mijn oude vriend H.N.Nusmeijer zal U waarschijnlijk ook verteld hebben, wat de reden is, dat ik zoolang gewacht heb met mijn antwoord. Ongesteldheid in een vorm, die hier veel voorkomt, bij mij in hevigen graad, veroorzaakte bij mij, tijdelijk naar ik hoop, een zeer voelbaar verlies van kracht, dat nog niet geheel is overwonnen.

Om nu te beginnen met het slot van uw brief - ja! van de oudste toestanden in Losser wist ik heel wat, in de dagen toen ik daar woonde. Het is natuurlijk zeer wel mogelijk, dat op sommige punten, mijn geheugen in den loop der vele jaren, die sinds vervlogen zijn, iets van zijn correctheid en zekerheid verloren heeft, doch veel zal dit meen ik niet zijn.

Twenthe was in de Zeven Provincien de landstreek, waar de Spanjaarden bet langst hun macht hebben uitgeoefend. Spaansche garnizoenen waren nog gelegerd in de voornaamste plaatsen van Twenthe, toen daarvan elders geen sprake meer van was.
Eerst in het jaar 1597, dus 25 jaar na de inneming van den Briel, kwam daaraan een einde. Van de Reformatie was in deze landstreek niets bemerkt. Hagepreken waren er niet gehouden, martelaren om des geloofs wil waren er niet gevallen, alles was tot op dat jaar Roomsch, gelijk voorheen. In genoemd jaar 1597, trok Prins Maurits met zijn leger naar Twenthe, en in korten tijd had hij de Spaansche garnizoenen over de grens gedreven naar het Roomsche Munsterland.

Daarmee begon een grote verandering. In geheel Twenthe werd de Gereformeerde Religie ingevoerd. De pastoors, 23 in getal, werden "geciteerd" - zoo luidde de term – naar Deventer. Daar werd hun medegedeeld, dat zij naar hun parochies konden terugkeren, maar dan als predikant, dus om de Gereformeerde leer te verkondigen en niet meer de Roomsche.

Konden zij daartoe niet besluiten dan werden zij beschouwd als afgetreden. Volgens het oud stuk, waarin ik dit eenenander las, waren er van de 23 pastoors bovengenoemd maar 3, die verklaarden, dat zij genoemde voorwaarde niet konden aanvaarden, en die dus niet naar hun parochie mochten terugkeeren.

Met de invoering der "Gereformeerde religie" in 1597, ging gepaard de order, om de kerken te zuiveren van "beelden" en andere "paperije", zoals men toen zeide. Een gevolg daarvan was een verzoekschrift, waarin de gemeente te Losser den Landdrost van Twenthe vraagt, of hij timmerlieden en andere werklui wil zenden, om die zuivering van de kerk te volvoeren. Want weliswaar, dat de Spanjaarden over de grens zijn verdreven, maar Losser ligt zoo dicht bij de grens, dat bij een mogelijken terugkeer van dit krijgsvolk, op de burgers wraak zou worden geoefend, als zij zelf die zuivering hadden verricht. Dit verzoek werd "geconsenteerd" zooals de vaststaande term luidde.

De nieuwe Gereformeerde gemeente van Losser ontving niet dadelijk een eigen predikant. Zij werd aanvankelijk gevoegd bij de Geref. gemeente van Enschede, en door de predikant dier gemeente verzorgd. Hoe dat kwam, vond ik niet uitdrukkelijk vermeld. Het zou kunnen zijn, dat de laatste pastoor van Losser behoord had tot de drie weigerachtigen bovengenoemd.

Waarschijnlijk ligt het geval anders. Onder de oude stukken in het kerkelijk archief te Losser was in mijn tijd ook aanwezig een verzoekschrift van de huishoudster van den laatsten pastoor, gericht aan den Landdrost van Twenthe, waarin zij verzoekt verlof om voorzichzelf de gewassen van de pastoorslanderijen te mogen oogsten, naardien zij toch al in een ongunstige positie is komen te verkeeren, door ik meen het overlijden van haar patroon. Dit werd toegestaan.

Hoe lang nu de kerkelijke gemeente te Losser een aanhangsel is geweest van de Enschedesche, kunt U zien in het oude Notulenboek van de Kerkeraad, dat begint met de komst van Ds. Keller, den eersten eigen predikant van Losser. (Hier laat het geheugen van de oude dominee hem in de steek, want ds. Keller kwam in 1697, terwijl Losser sedert 1637 onafgebroken een eigen predikant had. GvS)

Hoe het zij, in die plotselinge metamorphose van pastoors in predikanten ligt waarschijnlijk een van de oorzaken van het feit, dat in den besproken Oosthoek van ons land, het zielental der Roomsche Kerk, althans tot op mijn tijd, zoo overheerschend in de meerderheid was. Van op die wijs gecreeerde protestantsche Voorgangers kon men niet veel feu sacré verwachten voor de leer der rechtvaardiging uit het geloof, in tegenstelling tot de leer der rechtvaardiging uit de goede werken van Rome.

Een andere oorzaak, van niet mindere betekenis, ligt in de omstandigheid, die ik nu ga vermelden.
Nauwelijks 25 jaar na deze vrijwel geheel uitwendige, door het gezag ingevoerde Reformatie van Twenthe, begon daar de Contrareformatie, uit het Roomsche Munsterland.

Veelal vermomd als marskramer of als kippenkooplui· vervoegden zich de Jezuieten zendelingen bij de bevolking, vooral in de buurtschappen, en nadat zij hun koopwaren hadden aangeprezen, begonnen zij voorzichtig te toetsen de godsdienstige denkwijze der eenvoudige boerenbevolking, en ontdekten dan al spoedig, dat hun gedachtenwereld nog geheel en al gevuld was met Roomsch-kerkelijke ideeën. De ben of de mars, die hun koopwaar bevatte, herbergde een dubbele bodem, waarin geborgen was een boek geverifieerd door den Bisschop van Munster, met de verklaring, dat allen, die hun naam in dit boek lieten inschrijven, weer aangemerkt werden als leden der Roomsche kerk. Zij mochten voor het uiterlijk zich blijven gedragen als Hervormden, naar de kerk gaan, kinderen laten dopen etc., kortom doen alsof zij Hervormd waren. Slechts moesten zij zich verbinden, eenmaal in 't jaar, over de grens in een klooster te gaan biechten, en verder wachten tot de tijd kwam, waarop hun zou worden aangezegd, dat zij als Roomschen voor den dag moesten komen.

Die geschikte tijd dan werd aanwezig geacht in de 70-er jaren van de 18e Eeuw. In het jaar 1773 (?) werd weer de eerste Roomsche Kerk in Losser gebouwd, op het erve Sweerman, aan den Enschedeschenweg, een gebouw met een rieten dak!
Dat tijdstip was ontegenzeggelijk met takt gekozen. Immers het valt in de periode onzer vaderlandsche geschiedenis, waarin de twisten tussen Patriotten en Prinsgezinden zoozeer de protestantsche meerderheid van ons volk bezig hielden, dat er geen sprake kon zijn van aandacht voor gebeurtenissen van kerkelijken aard, zoals in Twenthe voorvielen.
Overigens staat men hier, voor het bijna ongelooflijke feit, dat de bevolking van Losser, en andere gemeenten in deze landstreek, plusminus 150 jaren lang de mystificatie heeft volgehouden, dat zij slechts een kerk vertegenwoordigden, nl. de Gereformeerde, terwijl in werkelijkheid de meerderheid in 't geheim de Roomsche kerk was toegedaan, zoals betrekkelijk spoedig zou blijken.

Toen ik van deze wonderlijke Historie had kennis verkregen, zette ik mij er toe te onderzoeken of er in onze gemeente nog sporen van herinnering leefden aan die, toenmaals reeds heel lang vervlogen, periode van dubbelhartigheid op kerkelijk gebied. Ik sprak o.a. meermalen met den hoofdpersoon in het College van Kerkvoogden, J. Spiele, wonende in de Zoeke, een van de oudste leden der gemeente, een 70-jarige. Van hem vernam ik, dat hij niet alleen zijn vader, maar ook zijn grootvader nog zeer goed gekend had, en dat hij daardoor nog wel eens iets van dat in 't geheim Roomsch zijn van vervlogen jaren had gehoord. Bovendien wees hij mij meermalen smalle paadjes op 't heideveld, die allen uitliepen op een punt van de Duitsche grens, dicht bij een klooster. Langs die paadjes trokken de Roomschen, zeide hij, om in dat klooster te biechten.

Zelf werd ik eens zulk een spoor gewaar en wel een zeer merkwaardig, toen ik op een heeten zomermiddag werd overvallen door een zware onweersbui, zoodat ik haastig de naaste boerderij binnenvluchtte. Zeer vriendelijk werd ik door den boer - een Roomsche - en zijn dochter ontvangen. De man was mij niet onbekend ofschoon ik hem nooit had ontmoet.

Hij was lid van den gemeenteraad, ja zelfs Wethouder. - Toen hij tot deze waardigheid bevorderd was, had hij zijn naam leren schrijven, wat noodig was voor het tekenen van stukken. Lezen en schrijven kende hij niet, maar volgens Burgemeester Warnaars, bezat hij een zeer goed oordeel. Ik raakte druk met hem in gesprek, tot hij opeens opstond, en zeide: " Nu zal ik den Domeneer eens iets laten zien, dat hij hier niet verwacht". Hij verliet het vertrek, en kwam terug met een prachtigen ouderwetsen Statenbijbel ! " Hoe komt U daaraan", zoo luidde mijn verwonderde vraag. En het wederwoord? " Ja, ziet u, we zijn hier vroeger allemaal "Griffemeerd" geweest. Misschien hebt U dat al wel eens gehoord. Die bijbel is uit dien tijd afkomstig, en in de familie bewaard".
" Wat jammer", zei ik, dat U niet lezen kunt, "want anders kon U het ware Evangelie zelf leeren kennen !" " Ja, maar mijn dochter kan wel lezen, en die leest mij er vaak stukken uit voor" antwoordde hij.

Voor mijn onderzoek raadpleegde ik natuurlijk ook het kerkelijk archief, dat in de pastorie werd bewaard. Ik onderstelde, dat er van dat tijdverloop van plusminus 150 jaar wel stukken te vinden zouden zijn, waarin iets vermeld werd, dat verband had met dat in ’t geheim Roomsch zijn van een deel der gemeente. Dit onderzoek leverde niets op: Ik herinner mij, dat ik in de Notulen van een vergadering van Kerkvoogden de klacht vind geuit, dat bij de laatste verhuring van Kerkelanden een perceel was verhuurd aan een Roomsche, doch ik ben er niet zeker van of die vergadering voorviel in bovengenoemd tijdvak. Is zij van latere tijd, dan heeft zij geen betekenis voor de onderhavige quaestie.

PS. De rest zal, naar ik hoop binnen niet te langen tijd, volgen: er valt nog wel eenenander te vermelden.
Nogmaals bedankt voor Uw brief.

Met coll:groet

tt. H.Pos

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.