Oet Dorp en Marke

W.F. Anderson en zijn Staringgroeve.

Op vrijdag 28 oktober overleed W.F. Anderson. Hij werd 84 jaar. In ons dorp was hij al vele jaren een zeer gerespecteerde en markante figuur. Maar zijn betekenis reikte veel verder. In 1947 stond hij aan de wieg van de Nederlandse Geologische Vereniging. De geologie, van jongs af zijn grote hobby, werd in 1949 ook zijn beroep. Toen kreeg hij een baan bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij, indertijd nog gevestigd in Oldenzaal. De bodem van Twente en het aangrensende Duitsland waren voortdurend onderwerp van zijn studie en hij publiceerde zeer veel hierover, zowel in b.v. het Jaarboek Twente, alsook in geologische vaktijdschriften.

De heer Anderson was ook enkele jaren bestuurslid van de Historische Kring Losser.
Zijn verdiensten op geologisch gebied zullen ongetwijfeld uitvoerig gememoreerd worden in de vakbladen. Voor Losser is hij echter onverbrekelijk verbonden met de Staringgroeve op de hoek van de Dr. Staringstraat/Hogeweg en daarom lijkt het gepast, om naar aanleiding van zijn overlijden eens wat meer de aandacht te vestigen op dit unieke geologische monument binnen onze gemeente.

Staringgroeve
We moeten terug naar zo'n 140 miljoen jaar geleden, de onderkrijt-periode, het z.g. Hauterevien, een tijdsbestek waar we ons geen voorstelling van kunnen maken. Er lag in dit gebied toen een binnenzee, die zich uitstrekte tot Steinfurt. De bodem van die binnenzee vinden we terug in de grond van de Losserse Es in de vorm van zandsteen, die zich manifesteert als een langgerekte ovale hoogte in het terrein, met een lengte van 1300 m en een breedte van 400 meter.

De zandsteen ligt op een diepte van ca. 3 meter en bevat veel overblijfselen van planten en dieren, die al lang zijn uitgestorven: resten afkomstig van de zeedieren, die vroeger in die binnenzee geleefd hebben. En om die zandsteen is het allemaal begonnen.

Burgemeester C. W. Eekhout / W. H. C. Staring.
Een hele grote sprong voorwaarts nu, naar het Losser van de 19e eeuw. Aan het hoofd van de gemeente stond toen burgemeester C.W. Eekhout. Hij fungeerde tevens als burgermeester van Oldenzaal en was een zeer voortvarende persoonlijkheid.

Van ouds was bekend dat de bodem van Losser zandsteen bevatte. Burgemeester Eekhout, die te maken had met de grote armoede in zijn plattelandsgemeente, deed in dat licht een serieuze poging om te onderzoeken of deze zandsteen gedolven kon worden. Want dat zou voor de economische opleving van de gemeente een goede zaak zijn geweest. Nu was Losser geen uitzondering.
Op provinciaal niveau hield men zich ook bezig met de ontwikkeling van de welvaart en in dat kader hielODEM1994 4 04d W.C.H. Staring in 1843 een lezing, waarin hij de vraag stelde, of het niet de moeite waard zou zijn, zich te bezinnen of er binnen de Nederlandse grenzen bruikbare bouwsteen onder het aardoppervlak aanwezig zou zijn.
Naar aanleiding daarvan ontving hij de opdracht een onderzoek in te stellen naar de geologische toestand van Twente en Vollenhoven.

ODEM1994 4 03

W.C.H. Staring (1808-1877) was een zoon van de bekende dichter en landbouwkundige A. Chr. W. Staring uit de Achterhoek. Ook de zoon leefde op het landgoed De Wildenborch bij Vorden en hij was in die tijd al een beroemd geleerde.
Hij studeerde geologie en had het standaardwerk "De bodem van Nederland" op zijn naam staan. Verder was hij landhuishoudkundige, bosbouwer, stichter van het landbouwonderwijs en grondlegger van de kultuurtechniek.
Toen Staring voor zijn opdracht in Losser kwam had burgemeester Eekhout al een proefput van 3 meter diep laten maken. De regering in Den Haag stelde f 300 beschikbaar voor het Losserse onderzoek, maar men vond geen vaste rots, enkel brokkelig gesteente. Er werden twee pogingen verricht, de eerste op de plaats waar de weg naar Overdinkel zich afsplitst en de tweede in de buurt van het erve Nietert. Het opdringende grondwater belette tenslotte verder onderzoek.

In november 1846 werd uit de tweede put een brok Losserse zandsteen met een gewicht van 2500 oude ponden, voor onderzoek naar Zwolle gezonden. En op 1 maart 1847 werd zelfs aan de Minister van Staat, baron Schimmelpennink van Oye, een vaas aangeboden, die was vervaardigd uit Losserse zandsteen. Waar dit ornament is gebleven vermeld de historie helaas niet.

De exploitatie van de Losserse zandsteen bleek echter niet rendabel en het werk werd gestaakt. De steen was te poreus en te brokkelig. Dit komt omdat de het gesteente vol zit met naaldsponsen uit de tijd waarin het is ontstaan.
De bekende Bentheimer zandsteen, een iets oudere formatie, bevat nagenoeg geen fossielen, is dus veel harder en was/is dus veel meer van praktisch nut.
Ofschoon het onderzoek op economisch gebied mislukte, was het wetenschappelijk uitstekend verricht en de bevindingen werden door Staring gepubliceerd onder de titel: "De steen van Losser in Overijssel".

Twintigste eeuw.
Ook ten tijde van de EersteWereldoorlog, toen de invoer van buitenlandse bouwstenen stil lag, waagde men opnieuw een poging. Er werd nog een mijnconcessie aangevraagd tot delving van bitumineuze stenen, maar ook toen wees een boring uit, dat ontginning niet haalbaar zou zijn. Ook had men weer veel overlast van het grondwater en deze hernieuwde poging liep dus op niets uit.

W.F. Anderson Staringmonument.
De Losserse Es was door deze voorgeschiedenis wel een intrigerend en gedenkwaardig stukje grond geworden. Bovendien is het de enige plaats in Nederland, waar zulke oude aardlagen zo dicht aan de oppervlakte komen.
Verder bestaat de bovenlaag van ons land uit afzettingen uit een veel jongere periode. In geologisch opzicht is de Losserse Es dus een ware schatkamer. Het uitbreidingsplan Losser-Zuid zou deze unieke geologische laag voor altijd ontoegankelijk maken en bij de heer Anderson rijpte dan ook het plan om op de Losserse Es, te komen tot een geologisch monument, dat tevens een eerbetoon zou kunnen vormen aan W.C.H. Staring.
De plannen werden gemaakt en men vond een geschikte plaats op het grondgebied van de heer Zwaferink.

ODEM1994 4 04Een comité, bestaande uit burgemeester J.P.A.M. v.d. Sandt, W.F. Anderson, J.B. Zwaferink, J. Jordaan J.G.Hzn., industrieel te Haaksbergen, H.W. van Tellingen, geoloog te Oldenzaal en A.A. Thiadens, direkteur Geologische Stichting te Haarlem, trachtte de nodige bekendheid te geven aan het projekt.

In 1965 namen verschillende bekende persoonlijkheden op geologisch gebied, daarbij geholpen door de hele buurt, de schop ter hand en zo kwam door gezamenlijke inspanningeen 4 meter diepe kuil tot stand. Men had gelukkig geen last van grondwater. Er werden door een tankwagen van de gemeente zelfs enige duizenden liters water in de kuil gespoten, maar het bleef kurkdroog.

Het Staringmonument kon toen vaste vorm krijgen. De zandsteenlaag werd hoefijzervormig bloot gelegd, zodat een soort zandstenen muur ontstond, waarin de verschillende lagen toegankelijk zijn. Tegenwoordig is met een hoogtepaal in het midden van de kuil, ook precies aangegeven waar die lagen zich bevinden.

Voor W.C.H. Staring werd een monument vervaardigd, door de Enschedese beeldhouwster J.J.M. van Eyl-Eitink. Deze bronzen kop van Staring werd gefinancierd door de Nederlandse Geologische Vereniging.

Opening.

ODEM1994 4 06Op woensdag 22 mei 1968 kon het Staringmonument worden onthuld, in aanwezigheid van de familie Staring en diverse autoriteiten uit binnen- en buitenland. Mr. A. Staring trok het doek weg van het borstbeeld van zijn grootvader en burgemeester Van de Sandt maakte bekend, dat de nieuwe straat, waaraan de groeve en het plantsoen gelegen zijn, de Dr. Staringstraat zal heten.

In een van de wanden van het bordes werd een natuursteenplaat aangebracht met de tekst:"De zandsteenlaag die hier aan de oppervlakte komt is ongeveer 130.000.000 jaar oud. Ze behoort tot de Onderkrijt-periode. Hier golfde eens de zee. Het water was warm en ondiep en de bodem bedekt met een dichte begroeiing van sponsen. In het water leefden verschillende soorten inktvissen. Op de bodem talrijke oesters, slakken, kreeften, wormen en weekdieren. In de zandsteen zijn veel afdrukken bewaard gebleven van fraaie schelpen. De kust was niet ver verwijderd, zodat ook veel resten van drijfhout, dikwijls bezet met boormossels bewaard zijn gebleven.

De opening werd een groots gebeuren, waarin men niet vergat te memoreren, dat vooral de Losserse jeugd heeft geholpen bij het werk aan deze groeve. En ook later waren de kinderen uit de buurt altijd graag behulpzaam bij de graafwerkzaamheden, waarbij de heer Anderson het de gewoonste zaak van de wereld vond om ergens aan te bellen en om 10 glazen ranja te vragen.

In de Staringgroeve werden belangrijke vondsten gedaan. Het zou te ver voeren om ze allemaal op te noemen. In 1976 werd de grootste fossiele schelp van Nederland ontdekt, met een afmeting van 23 cm., o.a. bekend onder de naam Pecten Jacobeis, verwant aan de z.g. pelgrimsschelp, die vroeger werd gebruikt door naar het Oosten trekkende pelgrims, die de schelpen bevestigden aan het hoofddeksel of de mantel.

ODEM1994 4 07
Burgemeester J.P.A.M. van de Sandt met W.F. Anderson, de stichter van het Staringmonument tijdens de opening op 22-05-'68.

Het terrein van de Staringgroeve werd nog uitgebreid met een strook grond die was toegezegd aan de R.K. school De Basis. Daar bevond zich een 7 meter diepe waterput, die was uitgehakt in de zandsteen bodem bij de woning van de familie Van Huizen en zo kon deze put behouden blijven.

Naar de heer Anderson werd nog tijdens zijn leven een straat genoemd, grenzend aan het Staringplantsoen. Vermoedelijk ook een uniek feit in Nederland.

De Staringgroeve wordt al enkele jaren beheerd door de Stichting Het Staringmonument. Deze stichting kon in het !even worden geroepen door de nalatenschap van mej. E.A. van Spronsen, een kennis van de heer Anderson. Ook voor haar was de geologie een grote hobby. Samen met haar verrichtte de heer Anderson in de tachtiger jaren een onderzoek naar de herkomst van de fijnkorrelige zandstenen beelden in de tuin van paleis Het Loo.

De Stichting Het Staringmonument is dankzij de nalatenschap in staat om de groeve te onderhouden en projekten te steunen, die in verband gebracht kunnen worden met de geologie. En ook de nalatenschap van de heer Anderson zal vermoedelijk gedeeltelijk ten goede komen aan deze stichting.
De bestuursleden zullen er ongetwijfeld voor zorgen, dat de groeve in de geest van de heer Anderson zal worden onderhouden en dat de verzameling fossielen, die voor geïnteresseerden zeer de moeite waard is, op een goede manier tentoongesteld en gebruikt wordt.

De kelder van het gemeenthuis, waar de verzameling tot nu toe gelukkig een onderdak vond, wordt voor de toekomst toch niet als een goede plaats ervaren, want er is natuurlijk nog veel meer dat tentoongesteld kan worden.
Het is jammer dat de groeve momenteel "ten gevolge van verwering (en begroeiing) niet bijzonder spectaculair is'', zoals het wordt verwoord in de geologische gids "In de bodem van Salland en Twente.1993". Het zal ongetwijfeld de nodige inspanning kosten om het goede aanzien te herstellen en te bewaren, zo dit al mogelijk is.

De gemeente Losser heeft met de Staringgroeve een uniek monument binnen haar grenzen. Weliswaar is het nog niet de toeristische attraktie geworden waarover men in 1968 sprak, maar in vakkringen en ook bij hobby-geologen binnen en buitenland, is de groeve inmiddels wel zeer bekend mede door de grote inzet en de vele publicaties, die W.F. Anderson over zijn Losserse Staringgroeve heeft doen verschijnen

Thea. H. Evers

Geraadpleegde literatuur:

  • Anderson, W.F. Een geologisch monument op de Losserse Es
  • Helvoort, C.J.A. van, Losser voorheen en thans
  • Dagblad Tubantia Twentse Courant

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.