Oet Dorp & Marke

Sprokkelen in Lossers historie

Reeds velen voor mij hebben ongetwijfeld geneusd in het dagboek van Aleida Leurink, de echtgenote van de Losserse dominee Keller. 56 Jaar lang, 1698-1754, hield zij met grote getrouwheid een dagboek bij (331 blz.), dat onbedoeld is uitgegroeid tot een tijdsdocument, misschien is het beter te spreken tot een dorpsdocument, dat een beeld oproept van de Losserse samenleving uit die dagen.

Al lezende probeert je nieuwsgierige geest zich daarvan een voorstelling te vormen en wetenswaardigheden aan de geschiedenis te ontfutselen; toch blijven er na deze krentezoekerij altijd vragen over. Daarom wil ik in dit artikel voor "Oet Dorp en Marke" (en wellicht ook nog in volgende publicaties) wat aandacht besteden aan de onbelichte en/of onderbelichte merkwaardigheden, die mij al lezende getroffen hebben. In dit artikeltje gaat mijn aandacht uit naar "de tuffel", ofwel naar 'de aardappel' voor diegene, die het Twents niet, ofwel onvoldoende onder de knie heeft.

De materiële kant van het leven in Huize Keller was bij Aleida Leurink in goede handen.

Of het nu de stand van de rogge, gerst of haver betrof, of die van de torkse bonen, zij hield het allemaal goed in de gaten en er ging haar niet veel mis, ook niet wat de prijzen betrof, zij volgde die op de voet. Met grote regelmaat treffen we zinsneden aan als:
"Mooie rogge”
"De bonen bint verdrogt"
"Het vlas lig dael"

Deze dagelijkse zorgen zijn begrijpelijk, want de hoofdzorg was, zeker in die dagen, voor iedereen: Hoo hoalt wie 'n moond lös?" en "Bliew wie wa ant ett 'n?" Zij probeerde met haar veelzijdige activiteiten (o.a. ook spinnen en weven, waarover in een volgend artikel wellicht meer) op een fatsoenlijke manier met armoede van die tijd om te gaan en de honger buiten de deur te houden. En zo te lezen slaagt zij daarin voortreffelijk. Met geen woord rept zij over "de tuffel, de "aerdappel volgens haar, vandaag de dag toch volksvoedsel no, 1.

Pas in 1740 (1 oct.) merkt zij terloops op: van de aerdappel is het loof swart. In 1741 (6 oct.) nog eens: het loof is swart; in 1747 ( 1 mrt.): aerdappel in kleane keller nu older ant verken most’n brengen; in 1750 (18 nov.): aerdappel in kleine keller bevror'n en in 1753 (25 sept.): de aerdappels bint so klean as knikkers.

Uit geen van haar dagelijkse verhalen blijkt dat dit haar dagelijkse en grootste zorg was; toch gaat het hier over een voedingsmiddel, dat we nu niet meer weg kunnen denken.

Hoe was het toen, begin 18e eeuw, gesteld met de aardappel? En waren ze er al? Zo ja, sinds wanneer?

Wie een argeloze Twentenaar de vraag stelt hoe lang hij en zijn vroegere familie al aardappels eten, zal in veel gevallen te horen krijgen:"Dat hebt wie altied wa d oan!"

Is dat zo ? Enig speurwerk in de historie leert ons, dat dit zeker niet het geval is. De landbouwvoorlichting, R.V.U., W. H. Oltmans en de Ned. Landbouw 1800-1914, vertellen wat meer bijzonderheden over de aardappel , over "de tuffel " als verzamelnaam voor de 150 soorten, die we vandaag de dag kennen en die als volksvoedsel volledig ingeburgerd is.

De geschiedschrijvers vertellen ons, dat de invoering met horten en stoten is gegaan. En het heeft nagenoeg twee eeuwen geduurd voor hij zijn huidige waardering heeft gekregen.

In 1578 komen we de plant met z'n knollen en zaadbollen voor de eerste keer tegen in Spanje, onder de naam "taratouffle", wat later in Italie, waar ze hem "tarufoli" noemen; in Frankrijk, in de Ardeche, "tarifles" en in Sant Alban "truffole". Veel later in Denemarken "poteter" gedoopt en in Engeland "potato".

Dat de aardappel zo’n lange tijd nodig heeft gehad om uit te groeien tot een volwaardig volksvoedsel, wordt o.m. toegeschreven aan de verschillende groeiomstandigheden. In 1537 maakte de eerste Europeaan bij de Chibeka indianen in Bogota, Zuid-Amerika, kennis met de aardappel. In Zuid-Amerika dus, vrijwel recht onder de evenaar, tengevolge waarvan de dag en de nacht even lang zijn, elk 12 uur.

In Europa duurt de dag tijdens de groeiperiode van de aardappel, soms meer dan 16 uur en al dat daglicht wordt in het bladgroen chemisch verwerkt (fotosynthese). Dit ingewikkelde proces is voor de ontwikkeling van de plant minstens zo belangrijk als de voeding, die de plant via het wortelstelsel uit de grond haalt. Het gevolg is, dat deze van oorsprong Zuid-Amerikaanse plant, eenmaal in Europa uitgepoot, een overvloedig bloeiende plant vormt, die grote struiken ontwikkelt, met ondergronds zeer lange uitlopers, maar met heel weinig en heel kleine knollen en die derhalve zijn voedingsbetekenis als zodanig verliest.

Hoe dan ook, het heeft eeuwen geduurd, voordat hij geacclimatiseerd was en een welkome aanvulling kon vormen op het schrale dagelijkse menu.

ODEM1993 1 09Via botanische kloostertuinen.- reeds in 1578 komen we de aardappel tegen in Spanje bij de orde van de ongeschoeide Karmelieten in Sevilla - werd de teelt geleidelijk aan
verbeterd en kon hij zijn zege tocht beginnen en de markt veroveren.

In Friesland werd hij begin 18e eeuw nog gezien als voedsel voor de minder bedeelden.

Wellicht komt hier de naam "Brood der armen" vandaan. We mogen aannemen, dat oorlogen en geloofsvervolgingen en de daarmee verband houdende trektochten. zeer nauw verbonden zijn bij de verspreiding van "de tuffel" in Europa.

Historici spreken elkaar op het punt van de verspreiding nog al eens tegen. En men zegt, dat aanvankelijk de welgestelden er hun neus voor op haalden. Bij de ongeschoeide Karmelieten in Sevilla werd hij als een geneesmiddel gezien. Dit gevoel is anno 1992/'93 nog niet geheel uitgeroeid: in Bosnie geldt de aardappel heden ten dage nog als middel tegen de koorts.

Tussen 1720 en 1730 kwam de teelt voor in Oud en Nieuw Beveland; in 1739 in het gebied van Klundert; in 1699 werd de aardappel al in een "boer'nboedel " genoemd in Bemmel; in 1715 in de omgeving van Zutphen; in 1723 in Epse op een steenworp afstand van Deventer en pas 30 jaar later, in 1754, in de Kop van Overijssel, evenals in Roermond.

Voor 1750 bleef de verbouw voornamelijk beperkt tot de hofgronden van boerderijen, waar hij tesamen met andere groenten op beperkte schaal werd verbouwd. In 1812 echter was de aardappel al een belangrijk gewas en besloeg de teelt in Overijssel al zo'n 9% van het bouwland. In de tweede helft van die eeuw was er een sterke uitbreiding. Tussen 1851 en 1860 was dit percentage al gestegen tot 20% en dit had een inkrimping van de boekweit verbouw tot gevolg.

In 1740 maakt Aleida Leurink melding van de aardappel, terug dus naar "de tuffel" in Losser. Was Aleida Leurink de eerste in Losser die "tuffels" verbouwde? Of waren er boeren, burgers, die haar voor waren geweest? S.V.P. melden bij de redactie van "Oet Dorp en Marke". Dus niet wie de dikste "tuffels" verbouwde ... . dat wisten we al!

Als besluit van dit epistel volgt nog een recept uit "vroeger tijden", waarin "de tuffel" de hoofdrol speelt!

"Men kookt de aardappelen in water en roostert ze in papier gewikkeld in de as, tot ze zacht worden. Pel de rode schil er af, was dan het zeer witte vlees schoon, stamp het fijn en vermeng de massa met suiker, rozenwater en kaneel, voeg er wat boter aan toe, bak het geheel en nadat men het in meel heeft gewenteld, krijgt men. een gebak, ofwel "tafelgeschenk " van koninklijke smaak. EET U SMAKELIJK!!!

J. Luizink

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.