Oet Dorp en Marke

1993-4

De bewoners van het erve Welpelo

ODEM1993 4 01

Het begin van een Genealogische reeks is vaak wazig en onsamenhangend. De eerste gegevens, die we aantreffen over de stamreeks Welpelo zijn ook niet duidelijk en inpasbaar kijkt U maar.

Het erve Welpelo is in 1585 in het bezit van Gerlach van Wullen borgman van Nienborg , bewoner van het huis Ravenhorst Graafschap Bentheim

ODEM1993 4 02

Welpelo Dirick 1570
Welpelo Lucke 1571
Twee broers ?

Welpelo Hendrik gehuwd (naam onbekend)
Welpelo Fenne geh. 07-01-1687

Welpelo Fenne geh. 22-07-1688 met G. Hindriksen
Welpelo Jutte geh. 18-05-1690 met G.I.D. Westerik
Welpelo Jenne geh. 30-05-1696 met J. Huls
Welpelo Berent geh.14-02-1697 met J. Mollerink

Welpelo Fenne geb. 19-02-1688 geh. 26-12-1717 A.Suithof
Welpelo Engele geh.26-11-1724

Welpelo Goken geb. 02-02-1688 geh.18-08-1726 H. Beerninck

kinderen:

  1. Johannes geb.1727
  2. Bernardus geb.1730
  3. Johanna geb.1733

Welpelo Bernardus geb. 19-02-1730 overl. 22-01-1805 geh.23-02-1751 met Euphemia Elderink

Kinderen:

  1. Johannes geb. 02-03-1752
  2. Gerardus Johannes geb. 1760
  3. Hermanus geb 1763 geh.1797 A.Bunes
  4. Johannes Bernardus geb. 1766 geh. 1806 M.N. Heersche

Welpelo Johannes geb.02-03-1752 overl. 30-01-1816 geh. 02-12-1787 met Helena ter Denge

Kinderen:

  1. Gertrudis geb.03-10-1790
  2. Gerardus J. geb. 27-04-1792
  3. Lambert geb. 08-04-1794 geh. J.Wigge
  4. Gerrit.Jan geb. 22-04-1795 overl. 04-03-1839
  5. Gertrudis geb.20-02-1796 klopje
  6. Christina geb. 03-02-1798 geh. 1823 A. Nijland
  7. Euphemia geb 16-01-1801 geh. 1827 B. ten Breul.
  8. Wilhelmina geb 1803 geh. 1822 J.B. Vos
  9. Gerardus geb.1804
  10. Elisabeth geb. 1806

Welpelo Gerardus Johannes geb. 27-04-1792 overl. 24-05-1869 geh.12-11-1822 met Maria Lutkenhues

Kinderen:

  1. Johanna
  2. Jan Hendrik geb. 21-12-1824 overl. 17-05-1825
  3. Johannes H. geb. 03-04-1826
  4. Geertruida geb. 11-11-1828
  5. Helena geb 05-04-1831 geh. Met J.H. Kayzer
  6. Geziena geb. 16-09-1833 geh. G. Beernink
  7. Johannes geb. 14-01-1836 geh. G. Holst
  8. Elisabeth geb. 22-02-1840 klopje overl. 11-02-1930

Welpelo Johannes Hendrikus geb. 03-04-1826 overl. 30-07-1909 geh. 09-11-1867 met Johanna Meijerink geb. 25-11-1844 overl. 19-10-1911

kinderen:

  1. Gradus Johannes geb.11-09-1869
  2. Johannes Hendr. geb 10-09-1870 overl. 22-10-1870
  3. Maria geb. 06-01-1872
  4. Maria Catharina geb. 27-10-1873 geh. met J.G.Elferink
  5. Geerharda geb. 20-11-1875 geh. met J. Olde Beverborg
  6. Johanna Maria geb 1876
  7. Johanna Gesina geb. 29-04-1881 geh. met G.J.Kupers

Welpelo Gradus Johannes geb. 11-09-1869 overl. 31-01-1939 geh. 11-07-1901 met Johanna Steinmeijer geb. 13-04-1876 overl. 22-01-1930

Kinderen:

  1. Johanna M.G. geb. 20-05-1902 geh. met J.H. Olde Heuvel
  2. Gerarda G. geb. 11-02-1904 geh. met J. Heitkamp
  3. Gerardus H. geb 30-12-1905 geh. met M. Laubur
  4. Gesina M. geb. 22-01-1908 overl. 14-02-1910
  5. Gerardus J. geb. 17-12-1909 geh. met M. Bernink
  6. Maria F. geb. 24-06-1912 geh. met J. Temmen
  7. Geziena J. geb. 12-03-1914 geh. met F. Gelevert
  8. Aleida Th. Geb. 25-04-1917 geh. met H. Gosenhuis

Welpelo Gerardus Hendrikus geb. 30-12-1905 geh. 25-09-1934 met Maria Laubur geb. 01-12-1903 overl. 23-03-1977.

Joke Küpers

De Bleek en het Bleekwachtershuis

Wij, inwoners van Losser, zijn er helemaal mee vertrouwd, met dat schilderachtige hoekje van ons dorp, waar de bleek en het oogstrelende bleekwachtershuisje gedachten oproepen aan een ver verleden. We moeten een heel eind terug in de geschiedenis, terug naar de tijd, dat de geschiedenis van ons dorp zich nog afspeelde binnen het raamwerk van "Marke" en "Dorp". Veel gebeurtenissen uit het dorp van toen en beslommeringen van alle dag, zijn opgetekend door Aleida Leurink, die een bijzondere vrouw geweest moet zijn. Leest U de volgende uitweiding maar eens mee.

Op 24 september 1682, werd zij geboren als dochter van Jan Leurink, burgemeester van Enschede, en Herberdina stroink. Op 9 maart 1698, 15 jaar oud, treedt zij in het huwelijk met Henricus Keller, dominee te Losser, die 10 juni 1669 te Nordhorn was geboren. Vanaf de dag van haar huwelijk tot en met het jaar 1772 geeft zij van elk jaar een overzicht van wat er voorging in het dorp, waar men mee bezig was, wat mensen beroerde, soms met betrekking tot algemeen geschiedkundige gebeurtenissen of weI verband houdend met de geschiedenis van de streek.

ODEM1993 4 03

Vanaf 1723 maken de jaaroverzichten plaats voor aantekeningen per dag, minutieus bijgehouden tot 20 maart 1754. Het 'Dagboek van Aleida Leurink' omvat dus de periode van 1698 tot 1754, een kostbaar tijds- en dorpsbeeld van 56 jaar, dat door de jaren heen behoed-zaam is doorgesluisd naar ons. Aleida Leurink, een bijzondere vrouw, met een brede en levendige belangstelling voor medemens en dorpsgenoot, die ons met grote volharding en nauwgezetheid een beeld aanreikt van het Losser van ruim 200 jaar geleden.
Tot zover deze kleine, maar zinvolle uitweiding.

Een nazaat van Aleida Leurink, dominee Johannes Hendrikus Hulsken, geboren 29 november 1786 en dominee in Losser van 1808 -1848, maakt op blanco bladen die nog voorkomen in het 'Dagboek' enkele interessante aantekeningen o.a.:

"ln 1774 is het bleekhuisje gemaakt en de bleeke aangelegd". En met deze aantekening zijn we terug bij het idyllische plekje midden in ons dorp, dat met het 'Dagboek van Aleida Leurink' 200 jaar geschiedenis ongeschonden heeft overbrugd.

Waarom in 1774 de bleek werd aangelegd en wie het initiatief er toe heeft genomen zal wel nooit met zekerheid achterhaald kunnen worden. Wel zijn er min of meer vage aanwijzingen, die ons misschien op het juiste spoor kunnen zetten.

Bij de markeverdeling in 1832 blijken bleek en huisje ten name gesteld te zijn van 'Het Dorp Losser', dat daarvóór de grond weI ooit door aankoop uit de Marke zal hebben verkregen. De bleek heeft ongetwijfeld voorzien in een toen ter tijd gevoelde behoefte. Het huisgeweven linnen moest gebleekt worden en "waarschijnlijk", want juiste gegevens hierover ontbreken, is deze vorm van huisindustrie als aanvulling op het karig gezinsinkomen, veel voorkomend geweest. En het is alweer Aleida Leurink, die ons een vingerwijzing geeft middels haar dagboek, waarin zij vermeldt, dat zij haar linnen te bleken legde op een weide bij de pastorie. In de jaren 1735 tot 1754 treffen we notities aan waaruit blijkt, dat zij haar linnen bleekt in Gronau en dat haar man, als hij toch naar Gronau moest om de preek te verzorgen, het huislinnen meenam om het daar te laten bleken. Zij laat haar linnen weven, daartoe wordt eigen verbouwd vlas geleverd of aangekocht garen.

Het linnen dient ten dele voor eigen huishoudelijk gebruik, ten dele wordt het verkocht of geruild voor kant klare kleding. De benodigde bleektijd was ongeveer 6 weken, dat is nogal lang, en het betekende ongetwijfeld, dat er steeds huisgeweven linnen op de Losserse bleek lag, afkomstig uit meerdere huisweverijen.
Gemeten aan onze voorstellingsnormen lijkt linnen nogal duur geweest te zijn.

Aleida Leurink (april 1700) “.......garen woog 9 pond, voor weefloon betalt 5 gl 8 1/2 st.....en dit betreft alleen het weefloon!” In maart 1713 noteert zij; ..Vier stukken verkoft aan swager steenberg en Wolter Kok voor 92 gl en 1 keese......."

Jammer genoeg weten we niet hoe groot de betreffende stukken geweest zijn, niettemin heeft er op de bleek toch voor ƒ 92,- liggen te bleken, plus nog het overige linnen uit andere gezinnen. Voor die tijd zeker geen onaanzienlijk bedrag. Zo wordt begrijpelijk, dat bij de bleek een bleekwachtershuisje werd gebouwd, voor de wachter, die waakte en toezicht hield, het linnen nat hield, bij het invallen der duisternis het grote hek voorhing en de bleek afsloot voor ongenode bezoekers. Niet voor niets bevindt zich aan de achterzijde van het bleekhuisje een raam, dat uitzicht geeft op de bleek en eertijds de wachter in staat stelde om zich ook bij slecht weer van zijn taak te kwijten. De bleekwachter had het recht van vrij wonen en mocht 's zondags zijn ene koe op de bleek laten weiden. Het linnen was dan blijkbaar binnen gehaald en de wachter moest er weI voor zorgen, dat 's maandags de bleek weer gebruikt kon worden: en dat lijkt eigenlijk nog niet eens zo eenvoudig er van uitgaande, dat een bleekwachterskoe dezelfde biologische eigenschappen vertoont als iedere andere koe.

Als de huisweverij geleidelijk aan verdrongen wordt door de fabrieksindustrie, neemt de oorspronkelijke bedoeling van de dorpsbleek in betekenis af en krijgen de Losserse huismoeders meer vrijheid dan voorheen om er hun wasgoed te spoelen en te bleken. Oudere dorpsgenoten kunnen zich ongetwijfeld nog herinneren, dat in de dertiger jaren 's maandags 's morgens huisvrouwen op de bleek in de weer waren, de was spoelend op de spoelbruggetjes, of met een oude klomp aan een lange stok het uitgespreide wasgoed besprenkelend. Daarna raakt geleidelijk aan de bleek in verval en ook het bleekwachtershuisje takelt heel erg af, het gaat er naar uitzien, dat een interessant stukje geschiedenis roemloos, zonder sporen achter te laten, uit ons dorp zal verdwijnen. Dit te meer als in 1948, de bleekwachter G.A. Smit, wiens geslacht vanaf 1832 de bleekwachterstaak heeft  waargenomen, zijn recht op bewoning, met inbegrip van geplant hout en opstallen, voor de somma van ƒ 950,- overdraagt aan de gemeente. Er gaan stemmen op, die pleiten voor de aanleg van een parkje...het oude moet maar verdwijnen.

Dan worden de geesten wakker en de voorstanders tot behoud krijgen in 1956 de steun van de Stichting Textielgeschiedenis. In 1958 sluit de bekende streekjournalist A. Buter zich daarbij aan en stelt vanuit zijn historische belangstelling en streekverbondenheid de toekomst van de bleek positief ter discussie. Dit leidt er toe, dat het gemeentebestuur in 1960 overgaat tot definitieve oprichting van een stichting, die de bleek en het bleekwachtershuisje zal gaan beheren en die onmiddellijk plannen ter tafel brengt om over te gaan tot restauratie. De bekende Twentse architect Jan Jans maakt de eerste schetsen en zet een restauratieplan op, dat helaas, i.v.m diens ziekte en overlijden, door de architect Hulshoff nader wordt uitgewerkt en gerealiseerd. De fa. Nijhuis uit De Lutte voert de restauratie-plannen uit en op 30 oktober 1964 kon burgemeester J.P.A.M. vd Sandt, die bij verschillende
gelegenheden wees op de historische betekenis van dit stukje Losser, het gerestaureerde monument officieel openen. Door een goed gemeentebeleid en de nauwgezette zorg van het stichtingsbestuur kon het behouden worden voor nu en later en bezit Losser in de bleek en het bleekwachtershuisje een stukje geschiedenis, dat naast geschiedkundige waarde ook nog een schilderachtige bijdrage levert aan de verfraaiing van ons dorp.

H.Bourgonje

Geraadpleegd:
Gemeente archief;
"Losser Voorheen en Thans" (oud burgemeester C.J.A. van Helvoort);
"Uit het Dagboek van Aleida Leurink" (overdruk Tubantia en Enschedesche Courant 1 maart 1919, e.v.);
"Grondstukken en Bewoners in de Marke Losser (dl.2) -Hist.Kring.

Klooster Maria Bijstand

ODEM1993 4 04

Het gebouw werd in 1881 gebouwd als pastorie, behorende bij de in 1905 afgebroken "Onze Lieve Vrouwe Kerk", oorspronkelijk: De sint Martinuskerk, vandaar de naam: Martinustoren en Martinusplein. De bouwstijl is Neo Renaissance.

Het gebouw heeft zijn diensten bewezen als pastorie tot het gereed komen van de nieuwe Heilige Maria Geboortekerk met pastorie in 1902.

op 25 april 1902 stond pastoor Hilhorst met zijn beide kapelaans, samen met de plaatselijke harmonie en de versierde rijtuigen op het station van Losser. Het was het tijdstip, dat de zusters van Schijdel naar Losser kwamen om het onderwijs voor de katholieke meisjes op zich te nemen. Zij namen hun intrek in de leegstaande pastorie. Klokgelui klonk van de toren. Het klooster was snel bezichtigd, omdat er zo weinig te bezichtigen viel. Een vertrek werd ingericht als kapel en een oude tombe deed dienst als altaar. Door een gift van Mevr. Angeline van Donk uit Tiel (ƒ 100,-) konden verschillende meubelstukken worden aangeschaft.

Op 1 juli 1904 werd de bouw van de Mariaschool gestart. Bouwkosten ƒ 2000,- verkregen uit het vorstelijke legaat van ƒ 60.000,- dat de fam. Scholte Fleer aan de kerk geschonken had en dat tevens als startkapitaal diende voor de bouw van de nieuwe Maria Geboortekerk. Het R.K. meisjesonderwijs ging van start, wat in de beginperiode met aanpassingsproblemen gepaard ging. Zo hadden de Brabantse zusters moeilijkheden met het Losserse dialect, wat wel tot gevolg gehad zal hebben, dat in een gedenkboek van de zusters in Schijndel uit 1926 de zinsnede voorkomt:"De kinderen waren heel onbeschaafd en half verwilderd!!"

De eerste naailessen op de avondschool werden in 1907 gegeven van 19:00 uur tot 21:00uur. In 1908 kwamen de eerste zusterverpleegsters om in de wijkverpleging hun waardevolle diensten aan te bieden. Deze zusters zijn hier gebleven, tot dat in 1917 het Bernardusgesticht geopend werd, waar van af toen, de zusters van de Orde van Julie Postel (Boxmeer) de bejaarden- en ziekenzorg op zich namen.

Men begon in 1913 met de huishoudschool, maar mede door de oorlogsomstandigheden moest dit werk na 2 jaar weer worden beëindigd.
In 1923 werd de nieuwe Maria Theresiaschool gebouwd, een tweeklassige Frobelschool, die de zorg voor de Losserse kleutertjes op zich name De laatste zusters zijn in 1986 uit Losser vertrokken en twee jaar later kwam, mede door toedoen van de Historische Kring, het bouwwerk op de gemeentelijke monumentenlijst te staan. Aannemersbedrijf "De Sylva" kreeg de restauratie- en renovatieopdracht. De pastorie werd zodanig aangepast, dat er kleine, een- of tweepersoonshuishoudens geriefelijk konden wonen.

In het najaar van 1990 namen die er hun intrek, hopelijk voor lange tijd. En zo slaagde men er in het monument voor de dorpsgemeenschap te behouden.
Op de plaats waar zich de Mariaschool, de Theresiaschool en de tuin bevonden, werden wooneenheden voor alleenstaanden of echtparen zonder kinderen gebouwd, gegroepeerd rond het voormalige klooster.

Het fraaie complex heeft de toepasselijke naam "Kostersgaarden" gekregen.

ODEM1993 4 05

Het gebeeldhouwde middenpaneel, dat voorkomt op het prachtige altaar, dat in de nieuw gebouwde kapel (1911) werd geïnstalleerd, valt thans nog te bewonderen in de H. Maria Geboortekerk, waar het eveneens verwerkt is in de altaaropstelling.

Foto’s en tekst: J. Poorthuis.

Ravenhorst en zijn bewoners Hoofdstuk 1 (1404-1800)

De oude weg van Enschede naar Bentheim liep via Losser en stak bij het erve Verbeck de Dinkel over. Erve Verbeck was toentertijd een herberg waar de reiziger zich kon verfrissen, alvorens zijn reis voort te zetten. De weg van het erve Verbeck in de richting Gildehaus en Bentheim liep te midden van de heuvels van de Dinkel. Zodra men het vlakke veld weer bereikte, zag men links een uitgestrekt bos, in het midden waarvan een groep bomen hoog uitstak.
De zandweg voerde dicht langs deze bosrijke plek. Op deze plaats stond het oude adellijke huis Ravenhorst gelegen in de graafschap Bentheim, kerspel Gildehaus, boerschap Bardel.

Het kasteel Ravenhorst heeft vele geslachten zien komen en gaan. Het was waarschijnlijk een op markengrond gebouwd steunpunt van de Graven van Bentheim.

Op 1 mei 1404 beleende Graaf Bernard von Bentheim het landgoed aan Heinrich von Toerne, deze had al eerder op 15 juni 1399 de zgn. Toernische Bezittingen van zijn voorvaderen in leen gekregen. In het jaar 1432 werd Heinrich's zoon Wessel als mannelijke erfgenaam met Ravenhorst beleend.
Wessel schijnt kinderloos te zijn gestorven, zijn broer Eilhard had echter een dochter, Eilharda von Toerne. Bij haar huwelijk met de Nienborger burgman Gerlach von Wallen bracht zij de Ravenhorst in. Zij raakten dusdanig in moeilijkheden met de graaf van Bentheim, inzake het recht van leen, dat noch zij noch hun zoon Hermann, die in 1494 met Ermgard von Diepenbrock huwde, het leenrecht behielden.

Na Hermann's dood kwam zijn zwager, de burgemeester van Bocholt en voogd van Hermann's minderjarige kinderen, Rogier von Diepenbrock op 28 augustus 1515 tot een vergelijk met de leenkamer van de Graaf van Bentheim. Hierbij werd bepaald, dat Rogier het leenrecht ten gunste van Hermann's kinderen behield. Door deze kinderen werd Eilhard von Wüllen, de latere drost van Bentheim, in 1538 en 1563 met het goed Ravenhorst beleend. Op 1 november 1575 vermaakt Eilhard de Ravenhorst met toestemming van zijn vrouw, Fredeke von Klenke, als lijfrente.

Door een verkeerd financieel beleid lag er op het goed een schuld van 1300 Reichsthaler en 800 Goudguldens. Eilhard en zijn echtgenote, wier huwelijk kinderloos gebleven was, waren hierdoor gedwongen het landgoed op 28 september 1583 voor de rest van hun leven over te dragen aan de zoon van Eilhard's broer, Gerlach v. Wüllen.

Gerlach jr. erfde het landgoed op 28 september 1583, de dag waarop hij met Lucie van Twickel huwde. Hij had het er echter al snel gezien en het landgoed kwam zo in handen van zijn broer Gerhard von Wüllen en diens vrouw Margarethe von Ittersum. Over deze overdracht berichtte op 12 december 1593 de Bentheimer drost Burghard v. Westerholt, dat Gerhard een zeer grote schuldenlast overnam met de verplichting deze af te lossen.

Door oorlogshandelingen, misoogsten en overstromingen was hij niet in staat om aan zijn verplichtingen te voldoen en was hij gedwongen het goed aan de graaf van Bentheim te verkopen. Dit echter op voorwaarde dat hij het binnen 4 jaar weer terug kon kopen.

Op 12 mei 1598 had Gerhard 1000 Rth.van de schuldsom afbetaald zodat het landgoed weer zijn eigendom werd. Toen hij in 1625 stierf bleek bij de inventarisatie dat hij een straatarm man was. Daar Gerhard geen mannelijke erfgenamen achterliet, nam de graaf van Bentheim het goed weer tot zich, nadat hij de dochter van Gerhard Walburga en Elisabeth, ieder met 1000 Goud-guldens schadeloos stelde. Voorlopig bleef het landgoed in het bezit van het gravenhuis.

In 1653 verkocht Graaf Ernst Willem v. Bentheim het landgoed voor 5350 Rth. aan de Hollandse edelman Johan Conders en zijn vrouw Margarethe von Münster.
Ook voor hen bleven de moeilijkheden niet uit. Conders bleef het gravenhuis een groot deel van de koopsom schuldig, met als gevolg dat op 23 januari 1658 de Graaf het weer terug
nam.
Toen Johan Conders in 1666 overleed kreeg zijn vrouw een rente van 200 Rth. per jaar. Hiervan werden 130 door de Graaf en 70 door het goed Ravenhorst opgebracht.

Op 12 april 1666 verkoopt de Graaf het landgoed met recht van terugkoop voor 3950 Rth. aan de Hessische raadsheer Andreas Christiaan Pagenstecher. Al spoedig, en wel op 18 augustus van dat zelfde jaar, maakt de Graaf gebruik van zijn recht en moet Pagenstecher verdwijnen. Dezelfde dag nog verkoopt de Graaf het goed voor het zelfde bedrag aan zijn hofmeester Adolf Otto V. Hovel onder behoud van leenbaarheid. Adolf Otto was getrouwd met Wilhelmine v. Hovel zu Hengelo.

ODEM1993 4 06

Hun zoon Alex Ferdinand volgde zijn vader op. Na de dood van Alex Ferdinand in 1719 (1718!) bleef het landgoed in het bezit van de familie von Hovel, want in dat zelfde jaar zien we dat de drost Adolf Otto, vernoemd naar zijn grootvader, eigenaar van Ravenhorst is geworden. Adolf was op 2 mei 1719 gehuwd met Anna Agnes v.Reede zu Saesveld. Adolf Otto stierf op 11 januari 1739.

Toen zijn vrouw op 19 oktober 1751 overleed, werd zij van de Ravenhorst overgebracht naar het klooster Frenswegen (bij Nordhorn), begeleid door haar Ondergeschikten, waarvan er 24 een brandende toorts droegen.

Ravenhorst ging nu over aan Sophie Bernardine v. Hovel, die het landgoed verpachtte. In haar testament van 23 november 1767 vermaakte zij het bezit aan de neef van moederszijde, de Keulse en Münsterse Geheimraad Nicolaas Herman v. Beverfoerde zu Stockum und Nienborg.

Echter toen ze op 3 december 1767 stierf, nam Graaf Friederich Karl von Bentheim het landgoed tot zich en gaf het op 19 juni 1770 over aan de Erfgraaf Ludwig von Bentheim-Steinfurt, die op 18 juli 1771 met het goed beleend werd.

Sindsdien is het landgoed Ravenhorst eigendom gebleven van de vorsten van Bentheim-Steinfurt.

Wordt vervolgd.

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.