Oet Dorp en Marke

Ravenhorst en zijn bewoners Hoofdstuk 1 (1404-1800)

De oude weg van Enschede naar Bentheim liep via Losser en stak bij het erve Verbeck de Dinkel over. Erve Verbeck was toentertijd een herberg waar de reiziger zich kon verfrissen, alvorens zijn reis voort te zetten. De weg van het erve Verbeck in de richting Gildehaus en Bentheim liep te midden van de heuvels van de Dinkel. Zodra men het vlakke veld weer bereikte, zag men links een uitgestrekt bos, in het midden waarvan een groep bomen hoog uitstak.
De zandweg voerde dicht langs deze bosrijke plek. Op deze plaats stond het oude adellijke huis Ravenhorst gelegen in de graafschap Bentheim, kerspel Gildehaus, boerschap Bardel.

Het kasteel Ravenhorst heeft vele geslachten zien komen en gaan. Het was waarschijnlijk een op markengrond gebouwd steunpunt van de Graven van Bentheim.

Op 1 mei 1404 beleende Graaf Bernard von Bentheim het landgoed aan Heinrich von Toerne, deze had al eerder op 15 juni 1399 de zgn. Toernische Bezittingen van zijn voorvaderen in leen gekregen. In het jaar 1432 werd Heinrich's zoon Wessel als mannelijke erfgenaam met Ravenhorst beleend.
Wessel schijnt kinderloos te zijn gestorven, zijn broer Eilhard had echter een dochter, Eilharda von Toerne. Bij haar huwelijk met de Nienborger burgman Gerlach von Wallen bracht zij de Ravenhorst in. Zij raakten dusdanig in moeilijkheden met de graaf van Bentheim, inzake het recht van leen, dat noch zij noch hun zoon Hermann, die in 1494 met Ermgard von Diepenbrock huwde, het leenrecht behielden.

Na Hermann's dood kwam zijn zwager, de burgemeester van Bocholt en voogd van Hermann's minderjarige kinderen, Rogier von Diepenbrock op 28 augustus 1515 tot een vergelijk met de leenkamer van de Graaf van Bentheim. Hierbij werd bepaald, dat Rogier het leenrecht ten gunste van Hermann's kinderen behield. Door deze kinderen werd Eilhard von Wüllen, de latere drost van Bentheim, in 1538 en 1563 met het goed Ravenhorst beleend. Op 1 november 1575 vermaakt Eilhard de Ravenhorst met toestemming van zijn vrouw, Fredeke von Klenke, als lijfrente.

Door een verkeerd financieel beleid lag er op het goed een schuld van 1300 Reichsthaler en 800 Goudguldens. Eilhard en zijn echtgenote, wier huwelijk kinderloos gebleven was, waren hierdoor gedwongen het landgoed op 28 september 1583 voor de rest van hun leven over te dragen aan de zoon van Eilhard's broer, Gerlach v. Wüllen.

Gerlach jr. erfde het landgoed op 28 september 1583, de dag waarop hij met Lucie van Twickel huwde. Hij had het er echter al snel gezien en het landgoed kwam zo in handen van zijn broer Gerhard von Wüllen en diens vrouw Margarethe von Ittersum. Over deze overdracht berichtte op 12 december 1593 de Bentheimer drost Burghard v. Westerholt, dat Gerhard een zeer grote schuldenlast overnam met de verplichting deze af te lossen.

Door oorlogshandelingen, misoogsten en overstromingen was hij niet in staat om aan zijn verplichtingen te voldoen en was hij gedwongen het goed aan de graaf van Bentheim te verkopen. Dit echter op voorwaarde dat hij het binnen 4 jaar weer terug kon kopen.

Op 12 mei 1598 had Gerhard 1000 Rth.van de schuldsom afbetaald zodat het landgoed weer zijn eigendom werd. Toen hij in 1625 stierf bleek bij de inventarisatie dat hij een straatarm man was. Daar Gerhard geen mannelijke erfgenamen achterliet, nam de graaf van Bentheim het goed weer tot zich, nadat hij de dochter van Gerhard Walburga en Elisabeth, ieder met 1000 Goud-guldens schadeloos stelde. Voorlopig bleef het landgoed in het bezit van het gravenhuis.

In 1653 verkocht Graaf Ernst Willem v. Bentheim het landgoed voor 5350 Rth. aan de Hollandse edelman Johan Conders en zijn vrouw Margarethe von Münster.
Ook voor hen bleven de moeilijkheden niet uit. Conders bleef het gravenhuis een groot deel van de koopsom schuldig, met als gevolg dat op 23 januari 1658 de Graaf het weer terug
nam.
Toen Johan Conders in 1666 overleed kreeg zijn vrouw een rente van 200 Rth. per jaar. Hiervan werden 130 door de Graaf en 70 door het goed Ravenhorst opgebracht.

Op 12 april 1666 verkoopt de Graaf het landgoed met recht van terugkoop voor 3950 Rth. aan de Hessische raadsheer Andreas Christiaan Pagenstecher. Al spoedig, en wel op 18 augustus van dat zelfde jaar, maakt de Graaf gebruik van zijn recht en moet Pagenstecher verdwijnen. Dezelfde dag nog verkoopt de Graaf het goed voor het zelfde bedrag aan zijn hofmeester Adolf Otto V. Hovel onder behoud van leenbaarheid. Adolf Otto was getrouwd met Wilhelmine v. Hovel zu Hengelo.

ODEM1993 4 06

Hun zoon Alex Ferdinand volgde zijn vader op. Na de dood van Alex Ferdinand in 1719 (1718!) bleef het landgoed in het bezit van de familie von Hovel, want in dat zelfde jaar zien we dat de drost Adolf Otto, vernoemd naar zijn grootvader, eigenaar van Ravenhorst is geworden. Adolf was op 2 mei 1719 gehuwd met Anna Agnes v.Reede zu Saesveld. Adolf Otto stierf op 11 januari 1739.

Toen zijn vrouw op 19 oktober 1751 overleed, werd zij van de Ravenhorst overgebracht naar het klooster Frenswegen (bij Nordhorn), begeleid door haar Ondergeschikten, waarvan er 24 een brandende toorts droegen.

Ravenhorst ging nu over aan Sophie Bernardine v. Hovel, die het landgoed verpachtte. In haar testament van 23 november 1767 vermaakte zij het bezit aan de neef van moederszijde, de Keulse en Münsterse Geheimraad Nicolaas Herman v. Beverfoerde zu Stockum und Nienborg.

Echter toen ze op 3 december 1767 stierf, nam Graaf Friederich Karl von Bentheim het landgoed tot zich en gaf het op 19 juni 1770 over aan de Erfgraaf Ludwig von Bentheim-Steinfurt, die op 18 juli 1771 met het goed beleend werd.

Sindsdien is het landgoed Ravenhorst eigendom gebleven van de vorsten van Bentheim-Steinfurt.

Wordt vervolgd.

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.