Oet Dorp en Marke

1994-1

Uit de geschiedenis van de Hervormde gemeente

Het archief

Inleiding
Het is mijn bedoeling om in "Oet dorp en marke Losser" regelmatig te schrijven over onderwerpen uit de geschiedenis van de hervormde gemeente. Ik kan daarvoor putten uit het omvangrijke archief, waarvan ik beheerder mag zijn.

Het archief is in 1974 geïnventariseerd door J.G.J. van Booma, destijds (landelijk) archivaris van de Hervormde Kerk. Bij de beschrijving van het archief heeft hij een inleiding geschreven, die interessante informatie over het archief en over de geschiedenis van de hervormde gemeente bevat. Aan die inleiding is een belangrijk deel van de inhoud van dit artikel ontleend.

Inhoud van het Archief
Alhoewel Van Booma niet helemaal onvoorbereid was bij zijn bezoek aan Losser op 23 november 1970, was hij toch verrast door de "rijke" inhoud van het archief. Het bleek vele belangwekkende stukken te bevatten, waarvan sommige zelfs belangrijk hebben bijgedragen aan de kennis over middeleeuwse parochiële instellingen.
Bovendien is Losser interessant als Twents grensdorp met een, betrekkelijk kleine, hervormde gemeente, in een overwegend katholiek gebleven omgeving.

Het oudste archiefstuk dateert van 1404 en behoort tot het archief van het pastoriefonds.
Van de oudste stukken zijn door Van Booma regesten gemaakt. Als eindjaar heeft hij daarbij 1637 aangehouden, omdat vanaf dat jaar de predikantsplaats in Losser onafgebroken werd bezet.

Helaas is in de loop van eeuwen veel van het archief weggeraakt.
Zo is bekend, dat de weduwe van ds. Henricus Froen, bij haar vertrek in 1696 naar Winterswijk, enkele kerkelijke registers meenam. Na veel moeite ontving de kerk het kerkenrekenboek terug. In 1709 ging men nogmaals met een "karre" naar Winterswijk om " ... so mogelijk nog andere kerkenpapieren te erlangen".
De reis was overigens "vergeefs".

Ook ontbreken de kerkeraadsnotulen van voor 1817.
In de kerkraadsvergadering van 29 maart 1888 vormde het ontbreken van archiefstukken een punt van bespreking. In de notulen staat: " . .. na eenige besprekingen over het archief, waarin veel b.v. de oude notulen ontbreken, doch waaromtrent niemand enige opheldering kan geven, doch ieder vermoedt dat zij in de dagen van ds. Thoden van Velzen, zoek gemaakt zijn, richt de voorzitter de vraag ... "
(Dr. Hendrik Thoden van Velzen was predikant in Losser van 1879-1885)

In 1802 zou de heer C. Snuif, apotheker te Enschede en vermaard amateurhistoricus, in het archief van mevrouw Cromhoff stukken hebben aangetroffen die in het "Lossersch archief thuis horen".

Uit de bewaard gebleven stukken van de, in het begin van de 19e eeuw, gevoerde processen om de kerkengoederen blijkt, dat toen nog verschillende stukken aanwezig waren, die in 1974 ontbreken. Bijvoorbeeld een register met doop- en trouwinschrijvingen vanaf 1667 en vermeldingen van ontvangsten en uitgaven van de kerk vanaf 1665.

Eveneens ontbreken de rekeningen van de herbouw van het kerkgebouw in 1667, nadat Losser in 1665 door de troepen van de bisschop van Munster (Bernard van Galen) in brand
was gestoken. Ook de verantwoording van de ten behoeve van de wederopbouw van de kerk in Overijssel en de graafschap Bentheim gehouden inzameling is verdwenen.

ODEM1994 1 01
Ned. Herv. Kerk met ’t bekhoes en de brug over de Dorpsbeek (gedempt 1920)

Archiefbewaarplaatsen
Reeds uit 1509 zijn bepalingen overgeleverd over de bewaring van het archief van de vicarie. In een akte verleden voor de officieel van de provoost van de kerk van de H. Plechelmus te Oldenzaal en van de aartsdeken van Twente wordt ondermeer bepaald, dat de stukken van de fundatie bewaard zullen worden in de parochiekerk te Losser, in een kist met drie sleutels en grendels afgesloten. De pastoor, de kerkmeesters en de tijdelijke vicaris zullen elk een sleutel in bewaring hebben.
Zowel in 1786 als in 1807 is sprake van het vervaardigen van een kistje voor de bewaring van de "kerkbrieven".

In 1986 en in 1987 werd Losser getroffen door een wolkbreuk. Het water drong beide keren het "Aleida Leurinkhuis binnen, waar toen het archief werd bewaard.
Aan enkele oude delen van het archief werd aanzienlijke waterschade toegebracht. Om ver schimmeling tegen te gaan werden deze delen bij slager J. Hogebrink, aan de Gronausestraat, "ingevroren".
In dezelfde tijd wees de toenmalige archiefconsulent van de classis Hengelo van de Hervormde Kerk, H. Dalenoort uit Enschede, gealarmeerd door enkele opzienbarende gevallen van brandstichting in de gemeente Losser, op het gevaar van brand voor het kostbare archief.

Het college van kerkvoogden besloot daarom het "oude" archief, zoals dat in 1974 door Van Sooma in kaart was gebracht, in bewaring te geven bij het Rijksarchief in Zwolle. Daar wordt het nu, sinds 5 november 1987, onder optimale omstandigheden bewaard.

Het "nieuwe" archief (globaal vanaf 1945) is in Losser gebleven. Om de toegankelijkheid daarvan te verbeteren, ben ik met een inventarisatie en beschrijving bezig. Dit is een tijdrovende zaak en het resultaat zal nog wel even op zich laten wachten.

G.W.Th. van Slageren

ODEM1994 1 02

Gezicht op de R.K. pastorie; nu klooster Maria Bijstand.

H.K.L. 25 jaar

ODEM1994 1 031994 is een heel bijzonder jaar in de geschiedenis van de Historische Kring. Wij vieren dan ons 25-jarig jubileum o.a. met de uitgifte van een boeiend fotoboek over oud Losser.

Als ieder lid een nieuw lid aanbrengt, hebt U gezorgd voor een passend en nuttig jubileum geschenk.

DANK U!!

Een plezierreis bij van Heek naar Amsterdam

Onderstaand artikel werd eerder gepubliceerd in de Nieuwe Dinkellander, donderdag 27 juli 1989, nr.30. Uit reacties is ons gebleken, dat veel mensen door de vakantie/zomerperiode dit toen hebben gemist, vandaar dat wij het nu nog eens ter lezing aan u voorleggen.

Thea Evers

Een plezierreis bij van Heek naar Amsterdam

Zaterdag 3 augustus 1929, vijf en zestig jaar geleden, was voor de arbeiders van de textielfabriek L. van Heek & Zn. te Losser een zeer bijzondere dag. Onder persoonlijke leiding van de directie werd een bezoek gebracht aan Amsterdam.
Het personeel had hiertoe een schrijven ontvangen met de volgende aanhef: "Plezierreis naar Amsterdam op zaterdag 3 augustus 1929, naar aanleiding van het Huwelijk van den Heer en Mevrouw H.J.P. van Heek-Roelink en de terugkeer van den Heer L. van Heek jr van zijn wereldreis." Twee burgerlijke gebeurtenissen van zeer verschillende aard, die allebei betrekking hadden op de zonen van de stichter van de fabriek Ludwig van Heek (1871 -1931), vormden dus de aanleiding voor deze plezierreis. Maar voordat het eigenlijke uitstapje aan bod komt, eerst wat meer over de stichting van de fabriek en de personen en gebeurtenissen, die de aanleiding vormden voor dit dagje uit. Daarvoor terug naar het jaar 1926.

In de raadsvergadering van 8 juni deelt de voorzitter, burgemeester C.J.A. van Helvoort, mee, dat na verzending der convocatiebiljetten, alsnog is binnen gekomen een tot Burgemeester en Wethouders gericht verzoek om vergunning voor de bouw van de fabriek, waarvan dezer dagende aanbesteding heeft plaats gehad.

'De' fabriek met de klemtoon op 'de' was blijkbaar voldoende! De bouwverordening van de gemeente hield de bepaling in, dat de gebouwen niet hoger dan 18 meter boven de aangrenzende buitengrond mochten worden opgetrokken. Maar de toren van de fabriek zal circa 29.50 meter hoog worden; daarom stellen B&W voor ontheffing te verlenen. Zonder hoofdelijke stemming wordt conform dit voorstel besloten. De aanbesteding had toen inderdaad al plaats gevonden.

In de krant was namelijk aangekondigd, dat op maandag 31 mei 1926, 's middags om 3.00 uur in Hotel Smit, de aanbesteding zou plaats vinden van "Het bouwen van spinnerijgebouwen . . .. op een terrein gelegen tusschen den weg naar Glane en den weg naar Overdinkel te Losser en het glas-en schilderwerk aan bovengenoemde gebouwen." Nadere inlichtingen geeft Civ. ing. en Architect Arend G. Beltman. De naam van de lastgever wordt ook hier niet genoemd. De krant van 1 juni vermeldde, dat de aanbesteding had plaats gevonden. De laagste inschrijver voor het bouwwerk was de Gebr. Koenders te Enschede voor de somma van fl. 164.000,-.
Voor het glas-en schilderwerk was dit H.J. Klaassen & Zn. te Haaksbergen voor fl. 21.363,-.

Daarna, pas op 18 juni 1926, kwam dus het verzoek aan de gemeenteraad. Hieruit blijkt overduidelijk hoe de verhoudingen toen lagen en hoe belangrijk deze fabriek voor Losser was.
De werkgelegenheid in de gemeente was minimaal en de werkloosheid zeer groot. Een latere statistiek uit 1931 vermeldde in Losser slechts 7 bedrijven, waar meer dan 10 personen in dienst waren: of, zoals men in Losser nu nog zegt ... "hier was ja niks!" Hierbij moet worden opgemerkt, dat de gemeente Losser toen veel groter was dan nu. De annexatie van Noord- en Zuid Berghuizen, die weliswaar al enkele jaren als een dreigende wolk boven de gemeente hing, had nog niet plaats gevonden. En in 1927 zouden deze plannen voorlopig ook weer van de baan zijn. Losser heeft deze textielfabriek mede te danken aan het feit, dat er binnen het bedrijf in Enschede moeilijkheden waren gerezen. De oudste zoon van Ludwig van Heek, Helmich Jan Paul (1900 -1982), die op grond van de familietraditie voor opname in de firma in aanmerking zou zijn gekomen, werd gepasseerd.

Van Schelven vermeldt in zijn boek, "Ondergang in familisme" (over de geschiedenis van Van Heek & Co te Enschede) dat de meerderheid van de firmanten toen dit besluit nam om redenen van persoonlijke aard. Een familiecontract uit 1902 omschreef, dat een firmant blijk moest geven van "zodanige vlijt, kennis van zaken, toewijding en goed gedrag als van een goed firmant dezer vennootschap kan worden gevorderd".
Opvallen is wel, dat H.J.P. van Heek ook later weer een bron van zorg zal zijn voor de familie.

In 1938 verschijnt namelijk het boek "Hoog aan den wind" geschreven door Ru Basse, een pseudoniem voor de Enschedese chirurgröntgenoloog Ben Nierstrasz (1889 -1965), die, ook werkzaam was aan het toenmalige Losserse ziekenhuis, het Bernardus Gesticht. In "Hoog aan den wind", een roman over een doktersleven, werden de hogere kringen van Enschede beschreven en dat waren toen inderdaad voor het merendeel fabrikantenkringen. In deze milieus meende men de personen en gebeurtenissen, die in dit boek beschreven werden te herkennen. De arbeiders zullen niet veel aanknopingspunten gehad hebben, want die konden daar moeilijk over oordelen. De hogere milieus waren toentertijd nog zeer gesloten en de afstand was groot. Bovendien kostte het boek voor de oorlog fl. 2,90 en voor de 3e en 4e druk in 1947/'49 moest fl. 6,90 betaald worden. Dit waren bedragen, die door de arbeiders nauwelijks voor het kopen van een boek konden worden uitgegeven. Al gauw werd gemompeld, dat het boek een sleutelroman was, waarin ook H.J.P. van Heek en zijn vrouw zouden voorkomen. Het baarde veel opzien en de voorraad boeken werd opgekocht en uit de handel genomen. Daardoor werd de nieuwsgierigheid uiteraard alleen maar aangewakkerd.

Het zal de schrijver, dokter Nierstrasz, in die tijd ongetwijfeld veel narigheid hebben bezorgd. Tijdens een lunchbijeenkomst van de Rotaryclub in 1933, waarvan hij deel uit maakte sinds de oprichting in 1936 samen met o.a. G.J. van Heek W. Hzn., verklaarde hij nadrukkelijk geen personen of clubs (in dit geval de vliegclub) te hebben willen hekelen. Hij zegt:" Het venijn', dat uit het boek gezogen wordt, geschiedt door hen die belust zijn op relletjes en sensatie."
Deze sensatie heeft, mede door het opkopen van het boek, inmiddels al 55 jaar stand gehouden. Ook nu nog is het een veel gevraagd boek bij bibliotheken en antiquariaten en als er af en toe eens een exemplaar opduikt moet er een behoorlijke prijs voor betaald worden. "Men" zei in die tijd, dat de schrijver, die diep bedroefd was door het overlijden van zijn vrouw, zijn verdriet van zich af had willen schrijven. In een uitvoerige inleiding bij de derde druk in 1947 vermeldt de auteur, dat de thema's van het boek zijn: "God, de dood, het leven en de liefde." Voorts verklaart hij, dat de personen en omstandigheden, die in dit boek voorkomen, de plaats der handeling, de moeilijkheden en conflicten, die er in worden beschreven, alle slechts konden bestaan bij de gratie van de verbeelding van de schrijver. Hoe het ook moge zijn geweest, het boek blijft in Twente al tijd omgeven met een waas van geheimzinnigheid.

Ter illustratie hiervan het volgende voorbeeld: in de Openbare Bibliotheek Enschede was (en is) een exemplaar aanwezig, maar het stond op de kamer van de directeur hoogst persoonlijk. Zowel personeel als publiek moest met zeer gegronde redenen komen om de roman te mogen inzien en dat kwam dan ook nooit voor.
En uitlenen kwam natuurlijk helemaal niet ter sprake. Het feit, dat de bibliotheek officieel H.B. Blijdenstein stichting heet en dat een telg uit fabrikantenkringen tot in de zeventiger jaren deel uit maakte van het bestuur, zal hiermee zeker in verband hebben gestaan. Later veranderde dit beleid en nu maakt deze roman, vanwege de historische waarde, deel uit van de speciale Twente Collectie van deze bibliotheek. Voor de lezer in deze tijd is in eerste instantie alle opwinding rond dit boek onbegrijpelijk. Het leest nu als een zeer breed uitgesponnen, ietwat sombere , christelijke familieroman. Er komt weliswaar overspel in voor, maar daar kijkt men tegenwoordig niet meer van op. Iedereen leest bij de kapper in de diverse bladen, wie er met wie gaat, met name over bekende Nederlanders. Toen was dat wel even anders! Het ging om mensen, die het bekende leven in Twente beheersten, die je regelmatig in de fabriek zag en van wie je afhankelijk was. In Losser waren mensen, die hun pet afnamen voor elke auto die voorbij reed, want "daar zou den heer wel eens in kunnen zitten."

De Van Heeks waren niet alleen zeer rijk, of, zoals de pastoor van de r.k. kerk aan de Deurningerstraat bij de uitvaartdienst van Ludwig van Heek Sr. in 1931 zou zeggen:" Zo rijk gezegend door God met aardsche goederen, maar ook zeer machtig en invloedrijk." Ofschoon de familie niet katholiek was werd aan het graf dus ook gesproken door deze pastoor. En tijdens de uitvaart luidden ook de klokken van zijn kerk.
De grenzen van de toenmalige toch zeer sterke godsdienstige verzuiling werden hier overschreden, omdat het om zo'n belangrijke persoon ging.

ODEM1994 1 04
Grondwerk voor de bouw van de fabriek van Van Heek -1925; 3e van links: H.J.P.van Heek; 4e van links: L. van Heek,sr.

Op zijn kasteel in Zuid-Tirol, slot Goyen bij Merano, waar Ludwig van Heek de laatste jaren van zijn leven doorbracht, mocht hij ook koningin Wilhelmina tot zijn gasten rekenen. Er gingen in die tijd in Losser zelfs geruchten, dat een huwelijk van prinses Juliana met een van de zonen van Van Heek tot de mogelijkheden behoorde. Bovendien hadden de stakingen van 1931/'32, die o.a. resulteerden in loonsverlagingen, diepe wonden geslagen. Tegen die achtergrond bezien valt elke commotie rond dit boek ook nu nog te begrijpen.

Het huwelijk van H.J.P. van Heek was dus de ene aanleiding voor de personeelsreis in 1929; de andere reden was de terugkeer van Ludwig jr. (geb.1930) van een reis om de wereld. In een Memorandum, waarin hij zijn ervaringen beschreef en dat door zijn vader werd uitgegeven, staat vermeld, dat hij zich "te zijner ontwikkeling sedert midden Augustus op enee wereldreis bevindt." ) Hij bericht o.a. over de textielindustrie in Japan, China en Singapore.

ODEM1994 1 05 1

De Twentse fabrikanten waren met name beducht voor de Japanse concurrentie op de markt in Nederlands Oost-Indie, waar de Twentse industrie de positie, die zij voor de Eerste Wereldoorlog innam, steeds meer zag terug gaan. Japan had in de ogen van de Twentse fabrikanten een grote voorsprong door de lage lonen en de lange werktijden. Ook werd daar gewoon gewerkt op zaterdag en zondag. Men pleit er in dit Memorandum dan ook voor om niet meer angstvallig vast te houden aan de 'achturendag', aangezien dit uitloopt op schade voor industrie en arbeiders. Arbeiders zouden langer moeten mogen werken om hun levensstandaard te verbeteren. Maar "hij, de arbeider, mag dit nimmer laten blijken of uitspreken, daar hij anders als Judas wordt uitgekreten." Curieus is verder de opmerking, dat de Japanner, uiteraard tegen betaling, op het bedrijf 3 maaltijden ontvangt, die omgerekend in centen wel bijzonder goedkoop zijn. "Maar dat dit ook alweer kan, omdat een Japanner zo klein van postuur is en met minder kan volstaan dan een Europeaan." De loonsverlaging waar men in dit geschrift al voor pleit, zal later na de stakingen van 1931/'32 bittere werkelijkheid worden. De wereldreis van Ludwig jr. was dus ten einde en vormde de tweede aanleiding voor deze bijzondere "Plezierreis" naar Amsterdam.

Op zaterdag 3 augustus 1929 was het dus zover. Men vertrok bij de halte Essenhuis, gelegen naast het Flakenpad tegenover de fabriek en wel om 4.55 v.m., wij zouden zeggen 's nachts! Halte Essenhuis was gelegen bij het gelijknamige café, dat omstreeks 1975 werd afgebroken. In het pannendak stond indertijd met grote letters "Halte Stoomtram." Per trein ging men naar Amsterdam: aankomst om 9.06 v.m. In gereserveerde electrische trams reed men door de stadswijken naar Artis "alwaar onder geleide de verschillende dieren werden bezichtigd." Om 12.00 uur precies was het verzamelen geblazen in de restauratiezaal van Artis, om samen het middagmaal te gebruiken.

Na het eten om 12.45 vertrok het gezelschap weer per extra tram naar de bioscoop "CinemaRoyal" op de Nieuwendijk, waar om 13.30 uur een "sprekende en musicerende film" werd vertoond.
Toen de voorstelling was afgelopen ging men te voet naar de Ruyterkade aan het Centraal Station. Bij steiger nr.5 scheepte het gehele gezelschap zich in aan boord van de "Friesland". Men maakte een boottocht naar de haven, de Oranjesluizen (de verbinding van het Noordzeekanaal met het IJsselmeer bij Schellingwoude) en naar fort Pampus (een ondiepte in het IJsselmeer, voor het IJ), tot in de negentiende eeuw een fort ter bescherming van de Oranjesluizen.

ODEM1994 1 06

Aan boord zorgde een originele Volendammer Harmonicaband voor de goede stemming en menig paartje maakte een dansje onder begeleiding van muziek en zang. Na de terugkeer van de boot tocht was iedereen vrij om Amsterdam in te gaan. Om 19.30 uur, moest men weer voor de hoofdingang van het Centraal Station zijn. Dat de leiding het niet helemaal zag zitten, om de mensen uit de provincie zo maar op eigen houtje in Amsterdam te laten lopen, blijkt uit de goede raad die men op schrift had gesteld: "De grootste voorzichtigheid wordt aanbevolen bij het vragen naar den weg aan onbekenden, daar het gevaar zeer groot is, dat men geheel verkeerd terecht gewezen wordt.
Men wende zich dus in geval men de weg moet weten tot een politieagent, die men aan alle hoeken van den straat aantreft. "Wanneer we dat laatste letterlijk mogen nemen, dan is dat voor de hedendaagse Amsterdammer iets om jaloers op te mogen zijn: een politieagent op elke hoek van de straat! Voor het vertrek uit Amsterdam bedankte een van de arbeiders namens alle collega's de directie voor het "geboden genot" en alle aanwezigen stemden hiermee in door een donderend en herhaald “hoera!!"
Daarna at men nog gezamenlijk een broodje in de 3e klas wachtkamer en om 20.47 uur vertrok de trein naar Losser.

De planning was om 's nachts om vijf minuten voor één weer in Losser aan te komen.
Maar volgens het verslag in de krant kwam men in "beste stemming 's nachts om 2 uur aan" , vast en zeker doodmoe van deze "plezierreis" die 21 uur geduurd had!
Of er inderdaad vertraging is opgetreden, of dat het krantebericht niet geheel juist geweest is, is niet meer te achterhalen.

Niemand zal moedwillig te laat zijn gekomen, want in de aankondiging van deze reis stond nadrukkelijk vermeld: "Zij die te laat komen moeten de terugreis zelf bekostigen."
Verder werd men er op gewezen om de plaatskaarten voor de trein. bonboekjes voor consumpties en toegangsbewijzen niet te verliezen.
Bovendien was het ten strengste verboden (vetgedrukt)"sterken drank mee te nemen of onderweg te koopen, noch in den trein, noch gedurende het uitstapje en iedereen moest zich houden aan de richtlijnen van “zijn baas en zijne helpers."

De Historische Kring beschikt helaas niet over foto's van deze dag. Maar er zullen ongetwijfeld oudere Lossernaren zijn, die zich dit uitstapje nog goed herinneren.

Geraadpleegde literatuur:

  • Archiefmateriaal Historische Kring Losser;
  • Basse, Ru: Hoog aan den wind -1933;
  • Dungen, Jan van den: Spot op Enschede;
  • Heek, L. van: Memorandum over de situatie in de textielindustrie -1929;
  • Schelven, A. L. van: Onderneming en familisme - 1984;
  • Snuif, C.J.: Familieboek der Van Heeks -1915

Het landgoed Ravenhorst.(bezittingen en rechten)

Vervolg nr;  1993-4

Het landgoed Ravenhorst bestond uit: het huis Ravenhorst (zie hfdst 3) en vijf boerenerven te weten de erven Stallbrink, Bruggeman, Herman, en Gunnemann in de boerschap Bardel en het erve Schurwobbiken in de boerschap Westenberg (ten W van Gildehaus).

De grootte van het landgoed bedroeg in 1631: 30 mudde akker met een toeslag van 35 mudde 12 mudde weideland en hooiland ter grootte van 36 karrevrachten. De huidige grootte van het landgoed Ravenhorst bedraagt 33 ha. ( 1 mudde =3638,5 m2 1 ha. =3,5 mudde).

In de kerk te Gildehaus bezat men twee kerkbanken en vier begraafplaatsen. Na de restauratie van deze kerk zijn de grafstenen buiten de kerk komen te liggen. De stenen zijn sterk afgesleten, doordat iedereen er overheen liep. Van twee stenen is echter nog een gedeelte van de tekst leesbaar. 1) Anno 1730 den 1 ... ist die hochwohlgeborene Frau Cornelia Elizabeth Amangnetem von Beverfoerden von der Nienborg verwittibte Frau von Hoevel Frau zu Ravenhorst & & G im Herren Entschlafen.

ODEM1994 1 07Anno 4 A 9 September ist ...hochwohlgeborener Herr .. Otto von Hoevel Herr zu Ravenhorst

Meer is er op deze laatste grafsteen niet te lezen. Op grafsteen (1) staan de wapens van Beverfoerde en van Ascheberg.

ODEM1994 1 12

Grafsteen (2) bevat de wapens van von Hovell en van Munster. De wapens zijn niet meer leesbaar, enkel de namen op wimpels eronder. Er moeten van Ravenhorst nog twee grafstenen zijn, deze zijn echter niet meer te vinden rond de kerk te Gildehaus. Ze zijn misschien ergens anders terechtgekomen, nadat de stenen i.v.m. de restauratie van de kerk naar buiten zijn gebracht.

Rechten, verbonden aan het landgoed Ravenhorst.
Als de rechten van Ravenhorst geschonden werden. moest de bewoner zich beklagen bij de Graaf van Bentheim en zijn leenmannen. Deze moesten de zaak binnen 14 nachten uitzoeken en rechtzetten. Als de Graaf in moeilijkheden kwam, waarbij hij de hulp van Ravenhorst nodig had, dan kon hij de Ravenhorst op zijn kosten, winst en verlies in deze moeilijkheden betrekken. Werd hierbij het Huis Ravenhorst verwoest, dan was de Graaf verplicht het huis op zijn kosten en binnen een jaar tijd in de oorspronkelijke vorm weer op te bouwen.

De verschillende rechten van Ravenhorst waren:

  • Het Huis Ravenhorst had zitting in de landdag, hier werd het beleid van het land bepaald en werd recht gesproken.
  • De bewoner van Ravenhorst mocht drie dagen in de week in de vijver van de Graaf van Bentheim vissen. In 1666 kwam hier ook nog het visrecht rondom het Huis Ravenhorst in de Dinkel bij. Ravenhorst bezat het jachtrecht op de bijbehorende pachthoeven en op het Dinkelveld. Het was hen echter verboden om in de buurt van de Gildehauser berg te komen. Dit laatste behoorde nl. aan de Graaf van Bentheim.
  • Ravenhorst had het recht een schaapskudde te laten grazen op haar bezittingen.
  • Ook had de Ravenhorst het recht turf te steken in het Gildehauser Venn, gelegen ten zuiden van het huis Ravenhorst.
  • Ravenhorst mocht in het Bentheimer Woud 50 varkens mesten en kon hier brand-en timmerhout halen.
  • Ravenhorst had Markenrecht in de Marke Bardel. Dit hield in, dat hij bij onenigheid over de markengrond de bewoner van Ravenhorst als "Rechter" optrad. Het optreden als Rechter is niet het enige voorbeeld van bemoeienissen van Ravenhorst met zijn omgeving. Na de Reformatie (1571) werd de grote zaal van het Huis, voor de Losserse katholieken als noodkerk ter beschikking gesteld.

Hoofstuk 3

ODEM1994 1 08Het slot Ravenhorst
Het slot Ravenhorst was samen met de adellijke huizen Langen, Brandlecht en Wolda een vooruitgeschoven steunpunt van het kasteel Bentheim.
Het Huis Ravenhorst was geheel door grachten omringd en kon derhalve ook als een waterburcht worden beschouwd. Het geheel bestond uit een voorhof en een hoofdplein. De voorhof werd in het geheel door grachten omgeven en bevond zich aan de zuidkant van het hoofdplein. Men kon de voorhof bereiken d.m.v. een vaste brug van Bentheimer zandsteen die aan de zuidkant lag. De brug bestaat nog steeds en heeft een sluitsteen, die het jaartal 1722 draagt. In vroeger tijden heeft er voor deze brug een toegangspoort uit Bentheimer zandsteen gestaan, maar deze is afgebroken en naar Burgsteinfurt overgebracht.

Hier is hij nog steeds te zien op het binnenplein van het kasteel te Burgsteinfurt.
op de voorhof bevond zich aan de oostkant een turfschuur, aan de westkant stonden een woonhuis en een schuur voor vee en landbouwgereedschappen. Van een turfschuur zijn alleen nog de fundamenten zichtbaar. De andere schuur doet nu dienst als koestal. Het gebouw is niet meer in oorspronkelijke stijl, daar het jaren geleden door een omvallende boom gedeeltelijk verwoest werd. De beide schuren op de voorhof waren volgens het principe van de vakwerkbouw gebouwd. De gebouwen op de voorhof waren uit baksteen en hout opgetrokken, maar de fundering was van Bentheimer zandsteen. Ten noorden van de voorhof lag de eigenlijke burcht. Ook het hoofdplein was geheel omsloten door een gracht en stond in verbinding met de voorhof d.m.v. een ophaalbrug. Meteen over de brug komen we bij het poorthuis, hierin bevond zich de ingang naar het slotplein.

ODEM1994 1 09

Het poorthuis bestond uit een linker en een rechtervleugel en bevatte een verdieping, die ± 50 cm. boven de grond lag.
Het poorthuis was opgetrokken uit baksteen en zandsteen en had een fundering van zandsteen. Deze zandstenen lagen op in de grond geslagen palen.
Dit om eventuele verzakking van het gebouw te voorkomen. Achter het poorthuis bevond zich de binnenplaats, met daarin een put. Vanuit deze put liep een houten waterleiding naar het poorthuis. Deze waterleiding bestond uit boomstammen, die in de lengte uitgehold waren en d.m.v. een speciaal verbindingstukje aan elkaar gezet waren. Het laatste deel van het poorthuis is in 1960 afgebroken, het betrof hier de westelijke vleugel, met daarin de z.n. Freulenkamer.

ODEM1994 1 10

De put bestaat nog steeds alhoewel hij gedempt is. De houten leiding zit nog gedeeltelijk in de grond, het opgegraven gedeelte is in bezit van de Heer Hartman in Gildehaus.

Het Hoofdgebouw was dwars op de oost vleugel van het poorthuis gebouwd. Het twee verdiepingen tellende gebouw was geheel uit Bentheimer zandsteen opgetrokken.
De eerste verdieping bevatte een spekkamer, een slaapkamer en een grote zaal. Naast de grote zaal bevond zich de hal, met daarin een trappenhuis, dat naar de tweede verdieping leidde. Hier bevonden zich nog vier slaapkamers.
Van het hoofdgebouw is weinig bekend, omdat het al lang voor het poorthuis werd afgebroken. Dat het na 1815 is afgebroken is haast wel zeker, omdat er nog een plattegrond van het huis bestaat die gedateerd is op 2 december 1815.

ODEM1994 1 11Van het gebouw dat aan de noordkant van het binnenhof heeft gelegen is tot nu toe niets bekend. Het poorthuis en het hoofdgebouw waren onderkeldert. Daar de grondwaterstand in dit voormalig veengebied nogal hoog was, lagen de kelders ± 1 m. onder de grond en ± 0,5 m. er boven.

Tegenover het hoofdgebouw aan de andere kant van de binnenplaats bevond zich een bloementuin. De waarschijnlijke fundamenten van de muur om deze tuin zijn m.b.v. grondboringen teruggevonden. Verder zijn er nog de fundamenten van de turfschuur op de voorhof, de put op de binnenplaats en de vaste brug naar de voorhof uit 1722. De fundamenten van de andere gebouwen zijn niet meer te vinden. Deze zijn waarschijnlijk tegelijk met de andere stenen afgevoerd, omdat ze gemakkelijk uit te graven waren, daar ze op palen lagen. Verder is het terrein rond de boerderij ± 0,8 m. diep omgeploegd, waardoor de laatste restjes aan sporen wel verloren zijn gegaan. Bij de bouw van het huidige boerenhuis stootte men op een gedeelte van de gedempte gracht, die de afscheiding tussen voor en binnenhof vormde.

Hierbij vond men verschillende tabakspijpjes uit de zeventiende eeuw. Zoals reeds duidelijk is geworden staat er nu op de plaats van het slot Ravenhorst een Boerderij met dezelfde naam en het toeval wil dat de gebouwen van de boerderij op bijna dezelfde wijze zijn gegroepeerd, als die van het vroegere kasteel.

Literatuurlijst + lijst van bronnen.

  • Drs. I.W.L. Moerman "Kastelen en hun bewoners."
  • J.J. van Deinse "Het land van katoen en heide.”
  • Dingeldein "Het land van de Dinkel.”
  • R. von Bruch "Die Rittersitze des Emslandes."
  • Dr. H.B. Voort "Der Allodialbesitz der Familie von Wüllen zu Ravenshorst im Kirchspiel Gidehaus.”
  • J..J. van Deinse "Ravenshorst." (Heimatverein der Grafschaf Bentheim. geschaftsbericht für 1913.)
  • Fürstliches Archiv Burgsteinfurt Nordrhein-Westfalen
  • Rijksmuseum Enschede
  • Fam. Stopka Ravenshorst Bardel
  • Herr Hartmann Gildehaus
  • Prins Hubertus v. Bentheim Bentheim Niedersaksen
  • L. de Vries Losser

Losser en zijn zouaven

Tussen 1860 en 1870 gaven ruim 3000 Nederlandse mannen gehoor aan de oproep van paus Pius IX om te helpen bij de verdediging van de Kerkelijke Staat tegen de pogingen van koning Victor Emanuel om Rome tot hoofdstad van geheel Italie te maken.
De pauselijke soldaten werden zouaven genoemd en katholieke ouderen herinneren zich van de lagere school misschien nog wel de naam van de meest bekende Nederlandse zouaaf.
Dat was Pieter Jong uit Lutjebroek, die in 1867 op 25-jarige leeftijd sneuvelde in de slag bij Monte-Libretti na een aantal "Garibaldisten" over de kling te hebben gejaagd..

Om dichter bij huis te blijven, ook over de Twentse zouaven is wel het een en ander gepubliceerd, nog niet zo lang geleden door Mr. G.G.J.W. Weustink in het "Jaarboek Twente 1988". Zijn artikel "Oldenzaalse zouaaf vocht met rovers in Italië gaat in hoofdzaak over Bernard Davina. Ook de gemeente Losser had zijn zouaven en wel Caspar Jacobs uit de Lutte, Gerard Jonkman uit Losser en vermoedelijk nog enkele anderen.

De eerste, geboren in Amsterdam, was weduwnaar en 30 jaar oud bij vertrek naar Rome eind 1866. Van beroep was hij timmerman. De tweede, een boerenzoon, geboren "marke Losser, nr.79", trad op 20-jarige leeftijd toe tot het pauselijke leger. Dat was in 1867, maar hij woonde toen al niet meer in Losser, doch in de Pruisische plaats 'Drivorden'. Zo staat het althans in de stukken van het Zouavenmuseum te Oudenbosch, waar veel, maar niet alles, over de Nederlandse Zouaven bewaard wordt.

Jacobs en Jonkman hadden het gebruikelijke tweejarige contract en kwamen na afloop weer in hun woonplaatsen terug. Van de eerste is vrij veel bekend, onder meer door zijn brieven uit Rome aan kapelaan H.A. Scheider. Met betrekking tot de tweede zijn maar weinig gegevens beschikbaar. Namen van andere zouaven, die een band met de gemeente Losser hadden, zijn mij niet bekend. In de Twentsche Courant tussen 1860 en 1870 werden van de naar Rome vertrokken vrijwilligers meestal niet de namen, maar wel het aantal genoemd. Op grond daarvan kreeg ik de indruk, dat Jacobs en Jonkman niet de enigen waren. Misschien kunnen lezers/lezeressen van dit Orgaan mij nog aan andere namen helpen. Tot op heden kon ik op grond ven gegevens uit meerdere bronnen ruim 50 zouaven opsporen, die op de een of andere manier een band met Twente hadden. Dat geldt dus ook voor
zouaven, die eerst na hun demobilisatie hier in de streek kwamen wonen. Als voorbeeld noem ik Henri Kleinschmitt, geboren te Sneek, die van 1904 tot zijn dood in 1921 pastoor in Lonneker was en de molenaar Adri Schellings te Denekamp, overleden in 1905 en afkomstig uit Noord-Brabant.

Van beide personen zijn de grafzerken nog intact.

Wanneer u (aanvullende)informatie kunt geven over Losserse zouaven dan zou ik dat erg op prijs stellen.

Enschede, 10 januari 1994

J.H.R.Wiefker
Dorsstokhoek 10
7546 LZ Enschede
(of via de redactie: H. Bourgonje tel. · 81615 )

ODEM1994 1 13

“ ’n Gaffel" met ‘t “Sokkerhoes” en het brandspuithuisje.

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.