Oet Dorp & Marke

1994-2

Uit de geschiedenis van de hervormde gemeente

“Een best middel om de voeten op de preekstoel warm te houden.”

Dat een kerkelijk archief veel serieuze zaken bevat, ligt voor de hand. Dat zo'n archief ook heel erg leuke, alledaagse stukken kan bevatten , blijkt uit het volgende.
Ds. Jan Hendrik Hulsken was predikant in Losser van 1808 tot 1841.

Papier was in die tijd schaars en dus duur en dominee Hulsken was zuinig en daarom benut hij, in notulen- en dergelijk boeken, werkelijk alle "wit" gebleven ruimten om daarop aantekeningen te maken. Hij doet dat in een priegelig klein handschrift. Ik had zo nu en dan een vergrootglas nodig om het te ontcijferen.
De zuinigheid van dominee Hulsken grensde overigens aan het gierige, wat ook blijkt uit de volgende anekdote, die burgemeester Warnaars vertelde aan dominee Pos, die van 1890 tot 1899 in Losser stond.

"De oude dominee had de gewoonte als hij wandelde altijd een hand op de rug te houden en dan met duim en wijsvinger een draaiende beweging te maken. Het publiek schreef die beweging toe aan het veelvuldig tellen van geld, waarmee hij als gevolg van zijn rijkdom heel wat tijd zoekbracht, zoals men meende".
Dominee Hulsken, noteert in het notulenboek van de kerkeraad vanaf 1817 (het oudste bewaard gebleven notulenboek van de kerkeraad) het volgende:

"Een best middel om de voeten op de preekstoel warm te houden. Maak in een grote pot of ketel een toereikende hoeveelheid loopzand, d.i. fijn welzand, matig heet; dit in een dubbele zak gedaan en plat op het bankje gelegd onder de voeten, blijft ongemeen lang warm".
"Als men in den winter op een zeilwagen reizen moet b.v. naar een vacature. Neem twee korenzakken over elkander, waarin gij uwe voeten steekt en welke zakken gij om uw middel zoo hoog optrekt als gij kunt. In die zakken legt gij twee stoelkussens: een waarop gij uwe voeten zet en een ander voor de scheenen. Nog warmer als gij in hooi gaat zitten, een weinig hooi in plaats van de kussens in uwe zakken doet en daarin eene beddeflesch legt met kookend water, want zoo het water niet aan het kooken is geweest houdt het op den duur geen warmte".

ODEM1994 2 01

Vergelijkbare wetenswaardigheden zijn te vinden in een boekje, waarin ds. Henricus Keller (predikant in losser van 1697 tot zijn overlijden in 1750) de huwelijksaankondigingen en traktementsperikelen opschreef en dat tevens door zijn vrouw (Aleida Leurink !) werd gebruikt om er een aantal recepten tegen allerlei kwalen in op te tekenen.

Aan dit boekje werd ook aandacht besteed in een artikel in dagblad "Tubantia" van 13 februari 1988, dat gebaseerd was op informatie, die verstrekt werd door wijlen Herman Dalenoort, in leven archiefconsulent van de Hervormde Kerk in de Ring Enschede.
Uit het artikel blijkt, dat Dalenoort als periode, waarin Aleida Leurink haar aantekeningen in het boekje maakte, de jaren 1697 tot 1700 genoemd heeft.
Dit moet op een misverstand berusten, omdat Aleida pas op 9 maart 1698, de dag van haar huwelijk, haar intrede in de pastorie deed. Ik mag toch wel aannemen, dat de dominee en zijn aanstaande niet eerst een poosje hebben samengewoond?
Overigens, zeden en gewoonten zijn in de loop van de eeuwen natuurlijk erg veranderd. Dat blijkt ook uit het feit, dat Aleida Leurink, toen ze met de 13 jaar oudere Henricus Keller trouwde, nog maar 15 (!) jaar oud was.

Aan het artikel uit Tubantia ontleende ik de rest van dit stukje. Een recept diende voor het maken van een middel waarmee de wormpjes in het op zolder opgeslagen graan konden worden verdelgd:

"Tegen de Wormkes die het zaat op solder opeeten. Moet men hier en daar leggen een handvol van 't kruid genaempt Parietaria of Glaskruid Bentlei in d'Republ. der Gilus".

Klein glaskruid groeide vroeger op oude verweerde muren, zoals de stadswallen. Wat de toevoeging "Bentlei... enz." betekent is mij niet bekend.

In de tijden dat de pest heerste werd aangeraden dikwijls Limoenen (citroenen) te gebruiken, matig te zijn met eten en drinken en de geur van welriekende kruiden op te snuiven, zoals kampher, Storax (gomhars) en in kleine hoeveelheden de overigens zeer giftige wortelen van kleine engelwortel en perzikkruid in te nemen.
Een kind dat door wormen wordt geplaagd kan men melk te drinken geven waarin eerst peterselie is meegekookt, terwijl oudere mensen de melk samen met de peterselie moeten innemen.
Ook heeft ze een middel opgeschreven tegen eksterogen of likdoorns. Misschien is dat ook nog een goed huismiddel voor deze tijd. Ze adviseert een bolletje knoflook of te schillen en fijn te hakken en dan met wat zeep en zout door elkander te wrijven tot een zalfje. Dan likdoorn of eksteroog wat opensnijden en de zalf er met een pleister op drukken. In korte tijd zou dan het euvel verholpen zijn.
Voor de jonge moeder, om de pijn van de naweeën weg te nemen, raadt Aleida Leurink aan het wit van een kippekeutel, zo groot als een erwt, weg te spoelen met een glas bier.
(N.B. Schrijver dezes, noch de redaktie van deze periodiek aanvaarden enige aansprakelijkheid voor de gevolgen van het opvolgen van de hiervoor aangehaalde adviezen...!)

G.W.Th. van Slageren

Hoofdbreken over een heilige

Tijdens de laatst gehouden Nieuwjaarsbijeenkomst werd er in de quiz een dia vertoond van het gemeentewapen van Losser met de vraag: "Wie is de heilige die is afgebeeld op het wapen?" Er waren reacties en mogelijkheden genoeg: St.Plechelmus, St.Martinus, Baldericus van Kleef, Ludgerus, de heilige Wiro, Otgerus en zelfs St.Silvester behoorden tot de mogelijkheden.

Om te beginnen werd het wapen van Losser in allerijl ontworpen door de heer Hoefter, directeur van het museum van de vereniging tot beoefening van Overijssels Regt en Geschiedenis, in 1898, omdat voor de nieuwe statenzaal van het provinciehuis een gebrandschilderd raam zou worden gemaakt met de wapens van alle gemeentes in de provincie Overijssel.
Bij Koninklijk Besluit van 10 november 1898 werd door de Hoge Raad van Adel goedkeuring verleend tot het voeren van het wapen als hieronder beschreven:

  • "Gedeeld I in azuur een kruis van goud, vergezeld in het eerste kwartier van een ten halve lijn uit den rechter kruisarm opkomenden bisschop met aangezicht en handen van natuurlijke kleur. Mijter en gewaad van goud en zilver en een kromstaf van goud;
  • Gedeeld II in keel drie schietspoelen van goud, geplaatst twee en een, het schild omgeven door een randschrift:"Gemeentebestuur van Losser".
    (Azuur is de in de heraldiek gebruikelijke aanduiding voor blauw. Keel is de heraldische term voor rood). (*1)

Losser was eeuwenlang een kerspel van Oldenzaal en werd ook vanuit die stad bediend.
In 1811 scheidde Losser zich of van de "moederstad" Oldenzaal en werd een zelfstandige gemeente. De ontwerper van het wapen heeft hierop geduid door het wapen te halveren. In het eerste kwartier staat de heilige, afgeleid van het stadswapen van Oldenzaal, de andere helft duidt op de middelen van bestaan.

ODEM1994 2 02
Het uit 1889 daterende wapen van de gemeente Losser (tek P. Molemaar)

Het stadswapen van Oldenzaal werd bevestigd door de Hoge Raad van Adel op 24 november 1819 op grond van een brief van de toenmalige Burgemeester F.C.W. Stork met daarin een lakafdruk van het stadswapen onder vermelding "hetzelfde is oorspronkelijk van bisschop Baldericus van Kleef, stichter van het kapittel van OldenZaal".
Stork hield zich overigens op de vlakte bij de naamgeving van de prelaat in het zegel en sprak van "het borstbeeld van een bisschop". (*2)

Burgemeester Mr. H.W.J. Scholtens van Weerselo, welke gemeente evenals Losser eertijds een kerspel van Oldenzaal was en wiens gemeente ook een bisschopsfiguur voert in het gemeentewapen, verwijst naar een vaandel, dat sedert 1747 in Ootmarsum op het gemeentehuis wordt bewaard. Op het wapen staat een St. Martinus figuur te paard. Volgens hem is in het wapen deze figuur geleidelijk aan vereenvoudigd tot borstbeeld. (*3)

Burgemeester Van Helvoort schrijft:" Onze gemeente was eertijds met haar verschillende marken deel van het stad- en landgericht Oldenzaal in het kwartier Twenthe. De historische band met Oldenzaal wordt vastgelegd door het wapen der oude 'Plechelmusstad' over te nemen in het ene gedeelte, terwijl in het andere deel middels drie schietspoelen de hoofdbron van Lossers bestaan wordt gesymboliseerd: de weverijen, met het randschrift "Gemeentebestuur van Losser". (*4)

Volgens de Heer W.G.A.J. Röring stichtte Balderik van Cleve, bisschop van Utrecht, in 954 het kapittel van Oldenzaal en begon met de bouw van de Plechelmuskerk, welke heilige de patroonheilige werd; daarvoor was het Sint Silvester.
Het hoofd van het kapittel was de Proost, die tevens aartsdiaken van Twente was. Tot 1528 zijn de aartsdiakens gekozen uit de kanunniken van St. Maarten te Utrecht. (*5)

De Heer J.H.R.Wiefker stuurde naar aanleiding van de quiz een door hemzelf geschreven krantenartikel op, dat is afgedrukt in dagblad Tubantia d.d. 20 februari 1993, getiteld:"Heiligen hebben gelukkig weinig last van frustraties". In het boeiend geschreven artikel constateert de Heer Wiefker o.a. dat na bestudering van een aantal stadszegels in het oude archief van Oldenzaal, hij geneigd is te veronderstellen, dat er in de 14e eeuw een vrij abrupte vereenvoudiging in de afbeelding van de St. Maartens figuur heeft plaats gevonden, door een andere opzet van het zegel, voortgezet in de daarop volgende eeuw.

ODEM1994 2 03
In 1563 is er evenwel een "terugkeer" naar een meer complete St. Maartens figuur. Deze drie schetsjes laten deze ontwikkeling duidelijk zien.

Reeds in de 14e eeuw moet het stadszegel van Oldenzaal ingrijpend zijn gewijzigd. Binnen de contouren van een vesting kwamen vier kwartieren. In het eerste kwartier, een minuscule ruimte, kwam een figuurtje, vermoedelijk een bisschop voorstellende.
Uit enkele, nog betrekkelijk gaaf bewaard gebleven exemplaren in het Oldenzaalse stadsarchief zijn die figuurtjes hierboven vergroot weergegeven. Ze komen pas in het vizier na enig turen met een loep.
De afbeelding links, met mijter en afhangende linten, stamt uit 1351. In het midden die van 1473, omtrekken van een gezicht met een soort sombrero. En tot slot 1563, met knip in de mijter?

ODEM1994 2 04Met het trekken van conclusies uit de vormgeving van de bisschop zoals bovenstaand aangegeven, moeten we echter wel heel voorzichtig omgaan, ook al vanwege bestaande verschillen tussen stadswapen en stadszegel.
Het oudst bekende stadszegel van Oldenzaal uit de 13e en 14e eeuw, St. Martinus te paard met uitwaaiende mantel en opgeheven rechterhand. Boven rechts het woord 'Martinus'. Rondom het geheel een randschrift met de Latijnse woorden voor 'Het zegel van de stad Oldenzaal.

Verder vermoedt de Heer Wiefker, dat men noch in Weerselo, noch in Losser beseft heeft, dat de afbeelding historisch gezien St. Martinus voorstelde, die van 372 tot zijn dood in 397, bisschop was in Tours, in Frankrijk. (*2)

In "Stad en Land van Twenthe" schrijft J.J. van Deinse, dat Baldericus van Cleve, die van 918 tot 976 bisschop van Utrecht was, de stad Oldenzaal aan de Sint Martinuskerk in Utrecht in eigendom gaf. Sedert die tijd zijn de bisschoppen van Utrecht "Heren van Oldenzaal" geweest. (*6)

De Heer K.H. Sierksma geeft in zijn beschrijving van gemeentewapens bij het wapen van Oldenzaal nog de volgende uitleg: de wapenbeschrijving meldt niet, dat de kroon 5 bladeren heeft. Het wapen werd volgens de overlevering aan de stad geschonken door bisschop Baldericus van Kleef, stichter van het kapittel van Oldenzaal.
Aangenomen kan worden, dat zijn borstbeeld in het eerste kwartier staat. Verder vermeldt hij, dat de Overheid in Nederland er grote waarde aan hecht, dat de publiekrechterlijke lichamen verantwoorde wapens voeren. (*7)

Navraag in het stadsarchief van Oldenzaal brengt ons bij de Heer J. Oude Essink Nijhuis, stadsarchivaris aldaar, die er stellig van overtuigd is, dat de bisschopsfiguur St. Martinus voorstelt omdat, naar zijn zeggen, het bisdom Keulen probeerde zijn invloedgebied in die tijd uit te breiden. Plechelmus, Wiro en Otgerus werden door Utrecht naar Oldenzaal gestuurd om de stad te ompalen en zó het territorium te zekeren. Daar het bisdom Utrecht St. Martinus als patroonheilige voerde, was het voor de hand liggend, dat Oldenzaal deze heilige overnam.

Mevrouw Stappers-Vürtheim is het met deze theorie helemaal niet eens, want volgens haar kunnen Plechelmus, Wiro en Otgerus nooit in Twente en Oldenzaal geweest zijn, omdat deze missionarissen het geloof binnen het Frankische Rijk mochten verkondigen. Twente en Oldenzaal hoorden daar niet bij.
Over Baldericus van Kleef vertelt ze: "Bisschop Balderik was niet alleen degene die het herstel en de nieuwbouw van kerken krachtig ter hand nam, maar hij heeft tevens veel gedaan voor de verspreiding van de heiligen verering. Er werden niet alleen relicten van buitenlandse heiligen uit Italië naar Utrecht gehaald, maar hij zocht ook naar overblijfselen van vaderlandse heiligen, die tijdens de Noormannenperiode, bij de vernietiging van kerken, verloren waren gegaan. Zo vond hij met vele anderen, ook de relieken van Plechelmus terug. (*8)

ODEM1994 2 05Grafzerk van Bisschop Balderik van Cleve

Wijlen de Heer B. Holst, Losser kenner bij uitstek, was er vast van overtuigd, dat de bisschopfiguur Baldericus voorstelde.
Als men de grafzerk van bisschop Balderik van Cleve, die zich in de Plechelmusbasiliek bevindt, beter bekijkt en men houdt het wapen van Losser er naast, dan blijken de mijters in vorm en met de dubbele mijterpunt grote onderlinge gelijkenis te vertonen.

St. Martinus, die men in de regel herkent als een ruiter te paard met een wapperende mantel, heeft men beroofd van de attributen die hem juist zo herkenbaar maken.
Er zijn ongetwijfeld meer onderzoekers die zich met deze heilige hebben bezig gehouden en er over hebben gepubliceerd.

Daar er in de tijd van Philipus Rovenius in het begin van de 17e eeuw, veel materiaal uit het stadsarchief van Oldenzaal is verdwenen, kan men geen definitief uitsluitsel geven, omdat de directe bronnen niet meer aanwezig zijn.

De meeste stemmen komen op naam van St. Martinus, maar ook Baldericus en Plechelmus komen in aanmerking.
Wie van de drie?
Drie patroonsheiligen voor Oldenzaal, Losser en Weerselo.
Wij stellen ons tot in lengte van dagen graag onder hun voorspraak en bescherming. Maar de ware Heilige uit het wapen is tot op heden nog niet opgestaan.

S.Meijerink-Hannink

Verantwoording:

  • 1 de gemeentegids van Losser 1993
  • 2 Heiligen hebben gelukkig weinig last van frustraties Tubantia 20 febr. 1993 - J.H.R. Wiefker
  • 3 Stadszegels en wapens van Oldenzaal Mr.H.W.J. Scholtens in Overijsselse Historische Bijdragen
  • 4 Losser Voorheen en Thans - 1926 - blz.3 G.J.A. van Helvoort
  • 5 Kerkelijk en Wereldlijk Twenthe W.G.A.J. Röring - blz.140/141
  • 6 Stad en Land van Twenthe J.J. van Deinse - blz.122
  • 7 De Gemeentewapens van Nederland K.L. Sierksma
  • 8 Twaalf eeuwen Oldenzaal Mevr. A. Stappers-Vürtheim - blz.14/15

Losser door andermans ogen....

In Twente heeft men zich lange tijd spottend of zelfs enigszins smalend over Losser uitgelaten. Men haalde de schouders op over alles wat men deed of was in deze meest oostelijk gelegen gemeente van Nederland.
Door de slechte toestand van de wegen naar de omliggende plaatsen was er ook sprake van een groot isolement.
Bepaalde zegswijzen weerspiegelen nog die lichtelijk geamuseerde houding. Iedereen kent de uitdrukking "He koomp oet Loster en weet van niks".
Zo zijn er meer:"Wie doot net as in Loster, zoa at am besten geet!"Zelfs de eerbiedwaardige oude toren werd laatdunkend als "broodspinde" (broodkast) betiteld.

Maar ook nog vrij recentelijk in 1983, toen de Losserse gemeenteraad een uitnodiging stuurde naar de Amerikaanse president Reagan en zijn Russische Ambtsgenoot Andropov, om eens in ons Dinkeldorp over de wereldvrede to komen praten riep dat heel wat lachende reacties op. Zo ook van de uit Enschede afkomstige en daar inmiddels weer woonachtige schrijver Willem Wilmink.

Hij dichtte op de wijs van het beroemde "Wolgalied" van Franz Lehar:

Losser groet Moskou

Losser groet Moskou, wi-j riekt oe de haand,
der ligt tusken Deenkel en Wolga een laand...
ieleu hebt Lenin, Tolstoj, Pasternak,
wi-j in Losser, wi-j hebt oonze Prik en Prak.

Losser groet Rusland en iedere Rus
de Beekhoekse Steppe begroet de Kaukasus.
Russen en Tukkers, dee hebt noe nen baand
van de Oeral tot aan het Lutterzaand

Wi-j bint nig bang veur de Russische beer:
de straaljagers vleegt je veur niks hen en weer.
Wi -j krie-jt de rust op aarde terug
dankzij Losser, de veurstad van Glanerbrug.

ODEM1994 2 06

De loop van de geschiedenis, met alle turbulente gebeurtenissen in Oost-Europa, heeft van dit gedicht ook al weer historie gemaakt.
De stichting Losser-Widnoje bestaat echter nog steeds en heeft er mede toe bijgedragen, dat tegen de "Russische Beer" wat anders wordt aangekeken. Maar of er ook tegen Losser inmiddels anders wordt aangekeken? De geschiedenis zal het leren.

Thea Evers

Burgermeester C. van Helvoort

Per 17 juni 1919 aanvaardt hij het burgemeesterschap van Losser.

Een tijdperk waarin een glansperiode als bestuurder ondenkbaar is. De crisisjaren met o.a. de verlammende werkloosheid in de textielindustrie, waar het merendeel van de plaatselijke bevolking door getroffen werd, gevolgd door de rampspoed van de tweede wereldoorlog, bieden bestuurlijk geen enkel perspectief.

De boeken die de Hr. Van Helvoort schreef: "Losser Voorheen en Thans" 1 en 2, "Grepen uit de Geschiedenis van Oldenzaal", alsmede zijn actieve rol bij de oprichting van en de werkzaamheden binnen de fotoclub 'Helios' leggen getuigenis of van zijn meer dan, gemiddelde belangstelling voor het dorp dat hij wilde dienen, maar waar het barre tijdsgewricht nauwelijks mogelijkheden toe bood.

In 1944, door de bezetter in het nauw gedreven, legt hij zijn ambt teleurgesteld neer en in 1946 volgt zijn eervol ontslag. Het fotomateriaal van de Historische Kring danken wij aan de belangstellende blik waarmee burgemeester Van Helvoort zijn dorp in zich op nam en vastlegde.

Misschien komt er in een nieuwe woonwijk ooit een 'burgemeesterswijk' en wellicht kan daar ook voor hem een plaatsje worden ingeruimd.

ODEM1994 2 08 ODEM1994 2 09

Cornelis Johannes Antonius van Helvoort
geb. 17-2-1883 Vlijmen
overl. 26-2-1967 Heeze

Catharine Antoinette van Helvoort-Wagenaar
geb. 17-11-1874 's-Hertogenbosch
overl. 26-4-1949 de Lutte

Het Huis Rüenberg

Aan de straat Gronau-Bentheim, ter hoogte van het Drielandenpunt, waar zich de oude, verweerde grenssteen uit 1659 bevindt, heeft het huis Rüenberg gestaan.

Voor zover we nu kunnen nagaan wordt huis Rüenberg voor het eerst genoemd in het jaar 1302, het is een van de oudste burchten uit onze omgeving en werd al vermeld lang voordat er over Gronau iets bekend was.
De Bisschop van Munster verklaart op 3 februari 1302, dat hij het uit enige akkers bestaande leengoed van Heylewigs, Frau des Reinbertus de Remen, gekocht heeft. Hij geeft haar daarvoor enigen lenen als 'burglenen' van Nienborg. Hiertoe behoren o.a, Geredynch in Usselo en Dame in Lonneker, beide, toebehorende aan Weiphusen, nu huis Rüenberg zoals we verderop zullen zien.
Daar volgens het leenboek van Bisschop Florenz van Munster in het jaar 1370 de Von Remens tot de borgmannen van Nienborg behoorden, zal ook Rüenberg, het oude hoofdhof Weiphusen, in die tijd een 'burgleen' van deze familie geweest zijn. De Von Remens waren een tak van de familie Van Loen en verwant met de familie Van Elen, waarnaar wellicht de boerschap Eilermark vernoemd is. De hoofdhoven breiden hun bezittingen na de Saksenoorlogen uit met nieuwe hoven die dan verpacht worden. Ook de hof Wesselink (Wesselman), van oudsher toebehorend aan Rüenberg, is waarschijnlijk zo gesticht.

Dat er in Duitse archieven weinig over het huis Rüenberg te vinden is, is niet zo erg verwonderlijk; het huis Wienberg is honderden jaren in bezit geweest van Nederlandse Adellijke families en is pas eind 1800 een Duits bezit geworden.
Door raadpleging van het huisarchief van Huis Middachten zijn we in staat vanaf 1470 de geschiedenis van Huis Rüenberg duidelijk te volgen.

Over de oorsprong van de naam 'Rüenberg' of 'Romberg' is niets bekend. In de oorkonden komen we over een tijdsverloop van honderden jaren, de naam op meer dan twintig verschillende schrijfwijzen tegen, o.a. Rodenberg, Ruddenberg, Roenberg, Romberg, Royenberg e .a. Na 1302 vernemen we pas in 1470 weer iets over het Rüenberg, zodat de tussenliggende tijd wazig blijft.

Op 26 november 1470 koopt Ridder Gerd van Keppel van Uddo van Wüllen het goed "De Walephoff", anders geheten Rodenbergch, met alle erfdelen, renten tienden en goederen, voor een bedrag van 500 Overlandsche Rijnsche Guldens. Hierna was Rüenberg vanaf 1470 in het bezit van de familie Van Keppel, een van de oudste adellijke families uit deze streek, die in de archieven sinds ca.1186 als hier woonachitig vermeld staan.
De Familie Van Keppel bezat in onze omgeving tevens het Huis Keppelhorst nabij Ahaus, Huis Koppel bij Schoppingen, Huis Oeding, Huis Rüenberg, Huis Dinkelborg bij Epe, de Keppelhoven in Wessum en Millen en de Hof Berge bij Epe.

ODEM1994 2 10Schets van slot Ruenberg gemaakt in 1700 door een Hollandse tourist als herinnering aan Gronau. (aanwezig in het Museum te Zwolle)

Door het huwelijk van de erfdochter Jaspara von Wüllen met Goswin van Raesfeld kwam op 28 juli 1535 de lijn Raesfeld/Riienberg tot stand.
In 1670 kocht Godert van Reede de burcht Keppel bij Elecom. Na diens dood in 1703 beheerde zijn vrouw de goederen voor hun zoon Reiner van Reede, die op 31 oktober 1718 door de Bisschop van Munster met 'Welphuizen' of 'Roemberg' beleend werd, in het kerspel Epe gelegen.

In 1720 verwierf Reiner van Reede voor 3000 gulden, alle in het Munsterland gelegen goederen, toebehorend aan Raesfeld/Middachten.
Reiners zuster Margritha, Barones van Reede, trouwde in 1693 met Johan Hendrik, Baron van Isendoorn a Blois, Heer van Cannenburg bij Vaasen, die later ook Ruernberg ten deel viel.
De Van Isendoorns (ook van Cannenburgs genaamd) vinden we op de Rüenberg tot het midden van de achttiende eeuw. Door schulden werden ze gedwongen de Rüenberg tijdelijk te verpachten en later te verkopen.

In 1673 trouwde in Epe (Duitsland) Everhard Schulte to Dinkelborg met Alheid Ellerink von Rüenberg. De familie Ellerink (of Elderink) schijnt lang als pachter op de Rüenberg gewoond te hebben. In 1742 komen we nog Wilhelm Elderink als pachter van de Rüenberg tegen.

Toen het goed Rüenberg niet meer te redden scheen werd het aangekocht door een consortium bestaande uit de heren Niehues en Schlikker uit Schuttorf en een rijke houthandelaar uit Arnhem. Het gehele bos ten zuiden van de Goorbach werd gekapt en ook de overige bossen hebben het zwaar to verduren gehad.

Volgens het 'Grundbuch Gronau' ging het Rüenberg op 31 januari 1853 voor 33761 Reichstaler over in handen van de koopman Hermann Hagels uit Gildehaus. Doze behartigde de
zaken goed, liet verwaarloosde bospercelen weer aanplanten en op de gerooide vlakte weidevelden aanleggen. In 1899 vermaakte hij Rüenberg aan zijn schoonzoon Heinrich Meier uit Gronau en diens erfgenamen hebben het heden ten dage nog in eigendom.

Bewaard gebleven is nog een 'Register over de Raesfeldse of Rüenbergse Tienden', die tot het hoogadellijke riddergoed Welphausen, genaamd Rilenberg behoort.

Van de burcht Rüenberg, die we op oude kaarten uit 1700/1800 nog vermeld zien, is niets meer over. De Hr. Jannink uit Enschede vertelt, dat hij als kind de ruïne van een vierkante
toren nog heeft gezien.
In Zwolle bevindt zich de hierbij afgebeelde schets, die naar alle waarschijnlijkheid Huis Rüenberg weergeeft, zoals het er rond 1700 moet hebben uitgezien.

Geraadpleegde literatuur:

  • Natur und Kultur des Raumes Gronau und Epe (Hanspeter. Dickel)

L. Augustijn

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.