Oet Dorp & Marke

Uit de geschiedenis van de hervormde gemeente

“Een best middel om de voeten op de preekstoel warm te houden.”

Dat een kerkelijk archief veel serieuze zaken bevat, ligt voor de hand. Dat zo'n archief ook heel erg leuke, alledaagse stukken kan bevatten , blijkt uit het volgende.
Ds. Jan Hendrik Hulsken was predikant in Losser van 1808 tot 1841.

Papier was in die tijd schaars en dus duur en dominee Hulsken was zuinig en daarom benut hij, in notulen- en dergelijk boeken, werkelijk alle "wit" gebleven ruimten om daarop aantekeningen te maken. Hij doet dat in een priegelig klein handschrift. Ik had zo nu en dan een vergrootglas nodig om het te ontcijferen.
De zuinigheid van dominee Hulsken grensde overigens aan het gierige, wat ook blijkt uit de volgende anekdote, die burgemeester Warnaars vertelde aan dominee Pos, die van 1890 tot 1899 in Losser stond.

"De oude dominee had de gewoonte als hij wandelde altijd een hand op de rug te houden en dan met duim en wijsvinger een draaiende beweging te maken. Het publiek schreef die beweging toe aan het veelvuldig tellen van geld, waarmee hij als gevolg van zijn rijkdom heel wat tijd zoekbracht, zoals men meende".
Dominee Hulsken, noteert in het notulenboek van de kerkeraad vanaf 1817 (het oudste bewaard gebleven notulenboek van de kerkeraad) het volgende:

"Een best middel om de voeten op de preekstoel warm te houden. Maak in een grote pot of ketel een toereikende hoeveelheid loopzand, d.i. fijn welzand, matig heet; dit in een dubbele zak gedaan en plat op het bankje gelegd onder de voeten, blijft ongemeen lang warm".
"Als men in den winter op een zeilwagen reizen moet b.v. naar een vacature. Neem twee korenzakken over elkander, waarin gij uwe voeten steekt en welke zakken gij om uw middel zoo hoog optrekt als gij kunt. In die zakken legt gij twee stoelkussens: een waarop gij uwe voeten zet en een ander voor de scheenen. Nog warmer als gij in hooi gaat zitten, een weinig hooi in plaats van de kussens in uwe zakken doet en daarin eene beddeflesch legt met kookend water, want zoo het water niet aan het kooken is geweest houdt het op den duur geen warmte".

ODEM1994 2 01

Vergelijkbare wetenswaardigheden zijn te vinden in een boekje, waarin ds. Henricus Keller (predikant in losser van 1697 tot zijn overlijden in 1750) de huwelijksaankondigingen en traktementsperikelen opschreef en dat tevens door zijn vrouw (Aleida Leurink !) werd gebruikt om er een aantal recepten tegen allerlei kwalen in op te tekenen.

Aan dit boekje werd ook aandacht besteed in een artikel in dagblad "Tubantia" van 13 februari 1988, dat gebaseerd was op informatie, die verstrekt werd door wijlen Herman Dalenoort, in leven archiefconsulent van de Hervormde Kerk in de Ring Enschede.
Uit het artikel blijkt, dat Dalenoort als periode, waarin Aleida Leurink haar aantekeningen in het boekje maakte, de jaren 1697 tot 1700 genoemd heeft.
Dit moet op een misverstand berusten, omdat Aleida pas op 9 maart 1698, de dag van haar huwelijk, haar intrede in de pastorie deed. Ik mag toch wel aannemen, dat de dominee en zijn aanstaande niet eerst een poosje hebben samengewoond?
Overigens, zeden en gewoonten zijn in de loop van de eeuwen natuurlijk erg veranderd. Dat blijkt ook uit het feit, dat Aleida Leurink, toen ze met de 13 jaar oudere Henricus Keller trouwde, nog maar 15 (!) jaar oud was.

Aan het artikel uit Tubantia ontleende ik de rest van dit stukje. Een recept diende voor het maken van een middel waarmee de wormpjes in het op zolder opgeslagen graan konden worden verdelgd:

"Tegen de Wormkes die het zaat op solder opeeten. Moet men hier en daar leggen een handvol van 't kruid genaempt Parietaria of Glaskruid Bentlei in d'Republ. der Gilus".

Klein glaskruid groeide vroeger op oude verweerde muren, zoals de stadswallen. Wat de toevoeging "Bentlei... enz." betekent is mij niet bekend.

In de tijden dat de pest heerste werd aangeraden dikwijls Limoenen (citroenen) te gebruiken, matig te zijn met eten en drinken en de geur van welriekende kruiden op te snuiven, zoals kampher, Storax (gomhars) en in kleine hoeveelheden de overigens zeer giftige wortelen van kleine engelwortel en perzikkruid in te nemen.
Een kind dat door wormen wordt geplaagd kan men melk te drinken geven waarin eerst peterselie is meegekookt, terwijl oudere mensen de melk samen met de peterselie moeten innemen.
Ook heeft ze een middel opgeschreven tegen eksterogen of likdoorns. Misschien is dat ook nog een goed huismiddel voor deze tijd. Ze adviseert een bolletje knoflook of te schillen en fijn te hakken en dan met wat zeep en zout door elkander te wrijven tot een zalfje. Dan likdoorn of eksteroog wat opensnijden en de zalf er met een pleister op drukken. In korte tijd zou dan het euvel verholpen zijn.
Voor de jonge moeder, om de pijn van de naweeën weg te nemen, raadt Aleida Leurink aan het wit van een kippekeutel, zo groot als een erwt, weg te spoelen met een glas bier.
(N.B. Schrijver dezes, noch de redaktie van deze periodiek aanvaarden enige aansprakelijkheid voor de gevolgen van het opvolgen van de hiervoor aangehaalde adviezen...!)

G.W.Th. van Slageren

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.