Oet Dorp en Marke

1994-3

Uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente Brieven van dominee Pos (1)

In een archiefkast in het Aleida Leurinkhuis vond ik vier interessante brieven, die ds. H.Pos in de oorlogsjaren beeft geschreven aan ds. Wijchers, die toen predikant in Losser was.
Ds. Pos was hier predikant van 1890 tot 1899.
De brieven zijn interessant omdat zij naast een beschrijving van gebeurtenissen uit de eerste eeuwen van onze hervormde gemeente ook een ooggetuigenverslag bevatten van Losser aan het eind van de vorige eeuw.
De brieven, die eerder werden gepubliceerd in het Berichtenblad van de Hervormde Gemeente, zijn in principe letterlijk overgenomen, dus ook in de spelling van 50 jaar geleden.

Hierna kunt u de eerste brief lezen, die werd geschreven in oktober 1943.

G.W.Th. van Slageren

Waarde Collega Wijchers,

Het is al een geruimen tijd geleden, dat ik uit Losser iets hoorde en ik word werkelijk nieuwsgierig om eens te vernemen, hoe het in mijn eerste, nog niet vergeten, gemeente gaat.
En dan denk ik in de eerste plaats aan U en Uw vrouw. Ik hoop dat het U gaan zal, zoals het ons, mijn vrouw en mij, in Losser gegaan is.

Wij hebben later altijd met dankbaarheid en blijdschap teruggedacht aan de jaren, die wij in Losser hebben doorgebracht en ik hoop van harte, dat de ervaringen, die daaraan ten grondslag lagen ook de Uwen mogen zijn, al vergeet ik niet dat de toestand, waarin U Losser hebt leeren kennen, een geheel andere is, dan waarin ik de gemeente in 1890 aantrof.

In Uw schrijven, waarin U een en ander opmerkt uit het gemeenteleven te Losser, vind ik ook de ontboezeming, dat het zo jammer is, dat de arbeiders zoo vervreemd zijn van de kerk. Bij die opmerking sta ik een ogenblik stil.

In de dagen, dat ik mij in Losser vestigde, was het element "arbeiders" in onze Hervormde gemeente nog maar zeer schraal vertegenwoordigd. Men kon zeggen, dat het zich in dien tijd, in het jaar 1890, begon te vormen: ik vond reeds den toestand, dat uit meerdere oud - Lossersche gezinnen, een enkel lid, een zoon of dochter, naar de textielfabrieken te Gronau trok om daar te arbeiden: ook een paar huisvaders deden dit.

Maar ongeveer tegelijkertijd met mijn komst in Losser begon daar de instroming van een geheel nieuwe arbeidersbevolking, hoofdzakelijk uit de Noordelijke deelen van ons land. Aanleiding daarvan was de maatschappelijke crisis, die in de tachtiger jaren opgetreden, zich toenmalig nog voortzette, met als gevolg allerwegen gebrek aan werk en geringe verdienste. Op dien regel vormde Twenthe, en het aangrenzende Westfalen, een uitzondering.

Juist in dien ongunstig tijd verwierven de textielfabrieken in genoemde landstreek een zeer groot afzetgebied in verre landen, vooral in Engelsch Indië, voor hun producten, en wel in zulken mate, dat er bij hen een ongelimiteerde behoefte aan arbeidskrachten ontstond. Vandaarin die jaren een soort volksverhuizing naar Twenthe, waarvan tenslotte ook Losser zijn aandeel ontving met 't oog op de fabrieken in het naburige Gronau.

Dien stroom van immigranten op te vangen, tegemoet te komen en voor onze Vaderlandsche kerk te winnen of te behouden was de onvermoedde taak, die mij in Losser wachtte, en waarvoor ik al mijn krachten in het werk stelde voorzover ik die bezat. Bijna dagelijks was ik op weg naar de verschillende, soms verafgelegen punten van de uitgestrekte gemeente, waar zich de nieuwe bevolking neerzette, om kennis temaken, of de kennismaking voort te zetten. Dit bleef zoo gedurende al de jaren van mijn verblijf in Losser, want de stroom van immigranten bleef voortdurend vloeien, en zette zich nog voort lang, jarenlang, na mijn vertrek.

ODEM1994 3 01

Dan mocht ik erin slagen de Vereeniging te stichten, die mij in veelvuldige en nauwe aanraking bracht met de jongere elementen, de rijpere jeugd, der bevolking, die overdag ook in de fabrieken werkzaam was.

Waarom ik dit een en ander vertel vraagt ge misschien. Dat zal ik nu duidelijk maken. In Uw schrijven merkt ge op, dat het te bejammeren is, dat de arbeiders zoo vervreemd zijn van de kerk. Welnu in de jaren, die ik in Losser heb doorgebracht, was dat niet zoo. De arbeiders - fabrieksarbeiders dus - en hun gezinnen, vormden al spoedig en in toenemende mate, de meerderheid. van het zielental der Herv. gemeente. Met die meerderheid, hoofdzakelijk vreemdelingen, bemoeide zich zoo goed als niemand van de 'oude bevolking, uit den aard der omstandigheden. Maar met mij werden ze bekend, bijna van het oogenblijk dat zij zich in Losser vestigden, op de boven beschreven wijze. Gevolg van eenenander was, dat er persoonlijke banden ontstonden en bleven bestaan, met de vreemdelingen evengoed als met de oud - Lossersche gemeenteleden. De reactie daarvan was o.a. getrouw bezoek van kerk en catechisaties, waarin bovendien Oud - Losser een voorbeeld was voor de nieuwe bevolking.

Die nieuwelingen waren veelal afkomstig uit zgn: vrijzinnige gemeenten, dikwijls zelfs waren zij in hun vorige woonplaatsen, zoals zij dat noemden "onder de roode vlag opgegaan", doch van dat alles heb ik nooit last gehad: onkerkelijke of vijandige gezinnen waren er in mijn tijd niet: de kerk werd al spoedig te klein, en de catechisaties zoo talrijk, dat ook de Zondagmiddagen daarvoor werden gebruikt.
Laat ik nog opmerken, dat ik bij al mijn pogingen de trouwste medewerking heb genoten van kerkeraad en kerkvoogden der gemeente. Ja!

Tenslotte kwam het jaar 1899 en daarmede het beroep naar Beetsterzwaag, dat ik na zwaren strijd, heb aangenomen! Het kostte mij ontzachelijke moeite om te scheiden van al die menschen, waaronder ik geen vijanden had gekend, integendeel warme vriendschap en medewerking had gevonden.

Het is U nu wel duidelijk wat ik vóór heb gehad boven mijn opvolgers in Losser. Tussen 1899 en 1942 ligt een lange tijd. En bovendien niet alle predikanten volgen dezelfde taktiek in hun pastoraat. Twee jaar, nadat ik Losser had verlaten, bracht ik mijn eerste bezoek aan mijn opvolger, L. de Geer, beklagenswaardiger gedachtenisse! Ik bezocht toen een aantal gezinnen en vernam, zelfs bij zeer degelijke families, dat ik nog de eerste predikant was, die zij in die 2 jaar in hun huis ontvingen!!
Maar genoeg!

Ontvang met Uwe vrouw mijn hartelijke groeten, met de beste wenschen voor Uw ingang bij mijn oude, nog niet door mij vergeten gemeente, en groeten ook aan kerkeraad en Kerkvoogden!

gaarne tt: H.Pos.

De geschiedenis van een klooster

Op 29 januari 1910 hebben de St. Joseph Zusters van de congregatie van Chambéry (Savoie) het grote grondgebied van het Erve Schildkamp, gelegen in De Beekhoek onder de gemeente Losser, aangekocht met huizen, schuren, erven, bouw- en weiland, om daar een postulaatshuis op te richten voor de Noorse tak van de congregatie. Kerstmis 1910 vieren zij hun eerste Eucharistie in het nieuw gebouwde klooster.

Eigenlijk zochten de Zusters een klooster in Duitsland. Dit voornemen leed schipbreuk ten gevolge van een uitdrukkelijk bouwverbod van de toenmalige Pruisische regering.

De eerste wereldoorlog brengt de Zusters in grote moeilijkheden; het bleek een onmogelijke opgave voldoende jonge krachten aan te trekken, contacten tussen Frankrijk, Duitsland en Noorwegen liggen heel moeilijk en het klooster dreigt dood te bloeden.
Er is geen andere weg dan er afstand van te doen.

Tezelfder tijd zochten de Paters Maristen naar een passende plaats waar de oudere leerlingen, na afsluiting van hun eerste studies in Hulst, hun priesteropleiding zouden kunnen voltooien.
De Paters Redemptoristen van Glanerbrug brengen de Maristen van Hulst op de hoogte van de verkoopplannen van de Zusters en voor beide partijen is een aanvaardbare oplossing voorhanden. In 1921 nemen de Paters Maristen het St. Olavklooster over van de Zusters van St. Joseph van Chambery.

Tot de eindjaren '60 doet het dienst als noviciaat en priesteropleiding voor de Paters Maristen. Dezelfde omstandigheden die indertijd de Zusters noopten hun klooster op te heffen, nl. gebrek aan nieuwe intredingen, dwingen ook de Maristen er toe hun klooster in Glane op te heffen.

In 1975 koopt de Fa. Van Heek het gebouw aan en gebruikt het om er zijn Turkse werknemers een goed onderkomen te verschaffen.
Maar de textielindustrie redt het niet in Twente.

De Syrisch-orthodoxe gemeenschap zoekt een kerkelijk middelpunt voor haar duizenden volgelingen in west en midden Europa.
Op 2 juli 1981 gaat het voormalige St. Olavklooster over in Syrisch-orthodoxe handen en herkrijgt zodoende zijn oorspronkelijke bestemming; het wordt omgedoopt in St. Efremklooster.
Op zondag 14 augustus 1994 zijn wij getuige geweest van de feestelijke inwijding van de naast het oorspronkelijke klooster gebouwde nieuwe Mariakerk.

In oost Turkije, de bakermat van de Syrisch orthodoxekerk, wonen nog enkele duizenden geloofsgenoten, maar hun Godsdienst wordt niet getolereerd. Er mogen geen kerken worden hersteld of gebouwd, geen eigen onderwijs of godsdienstonderricht worden gegeven en steeds meer volgelingen zoeken gewetensvrijheid buiten de eigen grenzen. Het Olavklooster
vormt hun geestelijk tehuis en blijft geschiedenis schrijven.

H B

ODEM1994 3 02Het St Olafsklooster

Bronnen;

  • Maristen, Boekmakerij/Uitgeverij Luijken - Aalsmeer
  • Artikelen van Pater Joh. Rommels SM.

Begraafplaatsen in en om Losser 1

Er zijn door de jaren been op verschillende plaatsen in Losser en de naaste omgeving urnen gevonden.
Wanneer is men met het cremeren en het bijzetten in urnen begonnen? Uit de tweede helft van de oude steentijd 9000 en 8000 vóór Chr. zijn geen graven bekend.

Vanuit de jongste steentijd 3000 tot 1700 vóór Chr. dateren de Hunnebedden, waarin de doden op een vloer van veldkeitjes werden bijgezet, soms waren er meerdere vloeren, zodat een Hunnebed meerdere doden bevatte.
Er werden ook grafgiften meegegeven, zoals bekers, schalen, bijltjes en sieraden.

In de bronstijd 1700 - 700 vóór Chr. werd voor de bijzetting van de dode een rechthoekige kuil gegraven, waarin de dode in een door vuur uitgeholde boomstam of in een van planken gemaakte kist, in gestrekte houding, op de rug met de armen langs bet lichaam, werd bijgezet.
Daarna werd over het graf een heuvel opgeworpen, met behulp van heideplaggen, die omgekeerd over bet graf werden opgestapeld.
In de loop van de bronstijd voltrekt zich een wijziging in de vorm van bijzetten. Deze wijziging heeft heel langzaam plaats gevonden. Men ging er geleidelijk aan steeds meer toe over de doden te verbranden (cremeren).

Vasthoudend aan de oude tradities heeft men nog wel eerst een rechthoekige kuil gegraven, waarin op de bodem bet hoopje met de crematieresten werd gelegd. De grafkuil werd echter door de jaren heen steeds kleiner gemaakt, totdat tenslotte de crematieresten, nadat men deze in een doek of urn had verzameld, in een kuiltje werden begraven.

Met de ijzertijd, 700 vóór Chr. Tot Chr. geboorte, breekt een geheel andere dodencultus aan.
Het verbranden van lijken en het verzamelen van de crematieresten om in urnen bij te zetten, kwam steeds vaker voor en werd tenslotte algemeen gebruik. De doden werden op een brandstapel gecremeerd en de resten werden bijeen vergaard in een urn. Daarna werd de urn vervolgens in een kuiltje onder het maaiveld bijgezet. Met de urn als middelpunt werd een min of meer diepe en brede, ringvormig verlopende sloot gegraven.
De grond hieruit, bestaande uit plaggen en zand, werd over de plaats van de bijzetting uitgestrooid. Zo ontstond eigenlijk een soort grafheuveltje, waarvan de voet omgeven was door een ringsloot. In de meeste gevallen is dit heuveltje niet meer te zien en heeft de tijd zijn werk grondig gedaan.
Er zijn ook heuveltjes bekend, waarin meerdere urnen werden aangetroffen; waarschijnlijk betreft het hier familiegraven.

Enkele malen werden er in de urnen voorwerpen gevonden van goud, brons of ijzer. Bijgiften bij deze vorm van begraven zijn overigens zeldzaam.

In Losser en omgeving zijn op verschillende plaatsen urnen gevonden.

ODEM1994 3 03ODEM1994 3 04

Urnen gevonden met bijpotjes (tranenpotjes)Door W.ter Denge in de Oelemars Gem. Losser

Bij de Boersmit in dorp Losser (1919/1920), in de Oelemars in de Zandbergen, aan de Scholtinkstraat, bij het erve Welpelo in Overdinkel en bij het erve Zwaferink in de Zoeke.

ODEM1994 3 05
Urn vindplaats grafheuvel in de Eilermark bij Hof Ruenberg, Markenforts heide.

De overlevering vertelt, dat ook aan de Enschedesestraat ter hoogte van het kruispunt met de Broekhoekweg - gezien van uit Losser: rechts - urnen zijn gevonden. Volgens ons veldnamenboek oorspronkelijk ook het 'kerkhof' genaamd.
In de directe omgeving van Losser zijn ook urnen gevonden, o.a. bij Aust in de Lutte, in Berghuizen, in Oldenzaal, in Gronau bij Van Delden op het fabrieksterrein, bij de Hof Ruenberg en in de Tiekerhook.
De vele vindplaatsen duiden er op dat deze streek in de brons- en ijzertijd toch vrij dicht bewoond moet zijn geweest.

We weten dat aan het cremeren van doden langzamerhand een einde is gekomen.

Nadat de Evangeliepredikers deze streken hadden gekerstend werd lijkverbranding afgewezen. Het werd beschouwd als een teken van heidendom en als ontkenning van de christelijke betekenis van de Jongste Dag.

Karel de Grote - 800 na Chr.- verbiedt lijkverbranding in zijn uitgestrekte rijk en laat scherp toezien op naleving van dit verbod.

[wordt vervolgd)

L. J .M. Augustijn

Bronnen:

  • Archief H.K.L.
  • Losser Voorheen en Thans C.J.A .van Helvoort
  • Graven en Begraven in Overijssel uitgave, jaarboek Overijssel

Een 4.500 jaar oude strijdhamer of grommelsteen uit Losser

Reeds omstreeks 1910 vond de grootvader van J. Poorthuis een stenen werktuig uit de prehistorie. Er is over de vondstomstandigheden en de precieze vindplaats helaas niet meer bekend, dan dat de steen waarschijnlijk in de Oelemars, dus ten zuidoosten van Lasser, gevonden werd.

De stenen vondst wordt in de archeologie aangeduid als strijdhamer of strijdbijl. Maar er is geen enkel bewijs gevonden dat strijdhamers ook echt voor dat doel gemaakt en gebruikt zouden zijn. Het is echter wel zeker, dat de makers en gebruikers veel op hadden met dit type voorwerp. Ze zijn namelijk ondanks hun bewerkelijkheid vrij veelvuldig gemaakt en ze worden meestal in (bijna) gave toestand aangetroffen.
Men heeft er dus kennelijk niet al te ruw mee omgesprongen. Bovendien zijn veel exemplaren aangetroffen als bijgaven in grafkuilen of als offervondsten, zogeheten depots, in voormalige moerassen en rivierdalen.

Wellicht hebben vooral de fraai uitziende strijdhamers destijds alleen maar gefunctioneerd als waardigheidstekens.

Hoe het ook zij, de strijdhamers hebben ook nog niet zo lang geleden indruk gemaakt op de mensen. De Losserse vondst heeft namelijk evenals een aantal andere strijdbijlen als grommelsteen aan een woning gehangen. In het bijgeloof dacht men dat deze 'hamers van Donar' bescherming zouden bieden tegen blikseminslag. Immers, waar de bliksem al eens ingeslagen was (en waar dus de goddelijke hamer' was achtergebleven) zou dat geen tweede maal gebeuren, ook al verplaats je die hamer van de vindplaats naar je woning .

De gave strijdbijl uit Losser is zorgvuldig geslepen uit het gesteente amphiboliet. Dat gesteente lijkt voor de leek wat op graniet en het bevat een zwart mineraal. Daar de strijdbijl 17,5 cm lang is, 6,5 cm breed en 3,5 cm dik, moet de moedersteen behoorlijk groot geweest zijn. Het is jammer genoeg niet vast te stellen of de moedersteen een lokale zwerfkei was of dat het gesteente elders is uitgemijnd en vervolgens als eindproduct of halffabricaat hier terecht gekomen is. Voor het slijpproces maakt het niets uit, want dat heeft zeker vele uren geduurd. Waarschijnlijk heeft men het geslepen met nat zand, het beste slijpmiddel dat in de natuur overal voorhanden is.

Binnen de groep van de in Nederland bekende strijdhamers is de Losserse vondst groot en zwaar (838 gr.). Hij heeft een iets asymmetrisch smal toelopende nek achter het steelgat. De boven- en onderzijde zijn bijna vlak, maar toch heel zwak gewelfd. Het cilindervormige steelgat is 28 mm in doorsnede en dat is uitgesproken groot.

De strijdbijl heeft dus een forse houten steel gehad, maar die is natuurlijk reeds lang vergaan. Het is wellicht wat vreemd, dat er bij een strijdbijl met zo'n groot steelgat geen steelgatverstevigingen zijn aangebracht om het mogelijke breken van de hamer naast het steelgat te voorkomen. Die verstevigingen, verbredingen naast het steelgat, zouden de hamer bovendien een markanter aanzien hebben kunnen geven dan de spoelvorm van nu.
Maar het dient gezegd te worden, dat de meeste strijdhamers uit Overijssel en omgeving, de genoemde verstevigingen niet hadden, dit in tegenstelling tot de bijlen uit oostelijker gelegen regio's,

Tot slot nog enkele woorden over de ouderdom van de vondst.
De meeste strijdhamers behoren tot de zogeheten 'Enkelgrafcultuur', tot voor kort de 'Standvoetbekercultuur' geheten.
Dat is bekend geworden door associaties van strijdhamers met andere vondsten en grondsporen van de genoemde cultuur, meestal in grafkuilen. De (stenen) werktuigen, die los gevonden worden, kunnen dus alleen op grond van hun typische vormgeving herkend worden als voorwerpen, die tot een bepaalde cultuur moeten behoren.

Dat zijn dus typologische redenen, die in de archeologie altijd al een belangrijke rol spelen. Daar de 'Enkelgrafcultuur' (of culturen) gedateerd worden rond 2500 v.Chr., is daarmee ook de ouderdom van de Losserse strijdhamer globaal aangegeven.

De dragers van deze culturen waren al dan niet rondtrekkende landbouwers, die de veelteelt als hoofdmiddel van bestaan hadden. Onder meer in Twente hebben zij de nodige sporen achter gelaten, waarvan grafheuvels wel de bekendste verschijnselen zijn.

A.D. Verlinde

ODEM1994 3 06
Strijdhamer (van Amphiboliet) schaal 1 : 2
Gevonden in de Oelemars, ten zuidoosten van Losser. De vondst hing als grommelsteen aan een boerenwoning in het dorp bij Morshuis. In de jaren dertig geschonken aan Dr. de Bruyn te Oldenzaal, later terug naar Losser.

Mededeling voor historievorsers

De Heer J.H.R. Wiefker is als professioneel amateurhistoricus (even over nadenken) veelvuldig te vinden in velerlei archieven.

Onderstaand artikel, dat wij met zijn toestemming mochten overnemen uit "'t Inschrien'' - kwartaalblad van de Vereniging Oudheidkamer Twente - d.d. 2 april 1994, kan toch voor deze of gene ongekende bronnen openen die de moeite waard zijn.

Zeker voor de redactie van "Oet Dorp en Marke".

Met dank aan de Heer Wiefker.

Zoals bekend kunnen aan de na 1941 jaarlijks verschenen 'Gemeenteverslagen' gegevens worden ontleend over plaatselijke toestanden.

Voor zover deze niet (meer) aanwezig zijn in de Gemeente-archieven is inzage op het Rijksarchief in Zwolle mogelijk. Daar berusten ook de van ver vóór 1841 daterende Gemeente begrotingen en Gemeenterekeningen.
Historici in de diverse plaatsen van Twente zijn over het bestaan van dit bronnenmateriaal veelal wel geïnformeerd, al kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat er relatief weinig gebruik van wordt gemaakt. Waar m.i. wel even de aandacht op mag worden gevestigd zijn de door vrijwel alle Overijsselse gemeenten in 1815 ingevulde vragenlijsten. Dit vond plaats ten behoeve van het Departement van Oorlog. De 38 vraagpunten bestrijken echter een zeer breed terrein.

Aangezien ze hierna volledig worden weergegeven, kunnen de antwoorden per plaats zonder veel moeite in Zwolle worden 'afgetapt'. Helaas ontbreken de ingevulde vragenlijsten van de Gemeenten Denekamp en Markelo. Ik trof ze namelijk niet aan in de dikke bundel behorende tot het archief van de Gouverneur, toegang 25 E, inv.nr.931.

STATISTIEKE OPGAVE 1815 (De antwoorden stonden orgineel in OD&M 1994-4

  1. Bevolking in zielen; 1183
  2. Getal van woonhuize, daaronder ook begrepen de buitenplaatsen onder de gemeente behorende; 248
  3. Voorname buitenplaatsen of bijzondere gestichten, het zij kastelen, kloosters, enz; Zijn hier niet.
  4. Publieke gebouwen, welke desnoods zouden kunnen worden geoccupeerd voor magazijnen, kazernen of hospitalen; Zijn hier niet.
  5. Getal der kerken van onderscheiden gezindheden; Drie, als een Gereformeerde, een Rooms-katholieke en een Joodse.
  6. Getal van grote boeren-, kleine boeren- en keuters of arbeiderswoningen; 25 Grote boeren; 5 kleine boeren, 85 keuters of arbeiderswoningen.
  7. Kazernen, hospitalen en stallingen aan den lande of de gemeente toebehorende, met derzelver capaciteit respectievelijk; Zijn hier niet.
  8. Welk getal van manschappen geschikt kan worden ingekwartierd, gerekend dat de meest vermogenden met zes, en de minstvermogenden met een man bezwaard worden; Ongeveer 200 man.
  9. Welk getal van paarden kan worden gestald, buiten de stedelijke of 's lands stallingen in de gemeente aanwezig; Ongeveer 10 paarden in stallen of bij herbergiers, edoch zo hier door ook verstaan word de stallen der boeren waarin zij hunne eigen paarden gestald hebben, als dan rekend men ongeveer 100 paarden te kunnen stallen.
  10. Getal en soort van 's lands magazijnen in de gemeente aanwezig; Geene.
  11. Civiele en militaire gevangenissen, en voor welk getal gevangenen, zo correctioneel als crimineel geschikt; Geene.
  12. Getal van gewone beurtschepen en trekschuiten, behoorende tot elk der veeren op de naburige plaatsen, en derzelver capaciteit, met betrekking tot het getal manschappen of lasten gewigt, die dezelve kunnen laden; Zijn hier niet.
  13. Getal en soorten van voorname fabrijken en trafijken, of die een gedeelte van het bestaan der inwoners uitmaken, met opgave van de kwantiteit ongeveer van jaarlijksch debiet; Vier katoen spinfabrijken, welke voor anderen werken, het jaarlijks debiet dat zij voor anderen verwerken zou jaarlijks op 4000 gld. kunnen gerekend worden.
  14. Getal van onderscheidene soorten van ambachtslieden, als timmerlieden, wagenmakers, smeden, koperslagers, metselaars, bakkers, kleedermakers, schoenmakers; 3 Timmerlieden, twee smeeden, twee bakkers, 7 kledermakers, 4 schoenmakers.
  15. Kwantiteit van wagens met twee paarden, of karren met een paard, welke in de gemeente gevonden worden; 25 Wagens met 2 paarden en 10 met een paard.
  16. Kwantiteit van slagtvee, als van ossen, koeijen, schapen en varkens, welke het eene jaar door het andere uit de gemeente geleverd worden; Voor zo verre ons bewust is, wordt er geen slagtvee uit deze gemeente geleverd.
  17. Soorten en getal van onderscheidene molens, zoo van wind-, als waterkorenmolens, pelmolens, houtzaagmolens, kruidmolens en oliemolens; Een koorn windmolen.
  18. Gemiddelde lengte en gemiddelde breedte van het terrein tot de gemeente behoorende, in uren gaans ongeveer; Ongeveer een uur gaans in lengte en breedte.
  19. Namens der polders of bedijkte gronden, onder de gemeente behoorende; Zijn hier niet.
  20. Ligging der polders of ingedijkte gronden, beneden de ordinaire zeevloeden of beneden het ordinaire boezemwater; Zijn hier niet.
  21. In welke rivieren of kanalen de boezemwateren zich ontlasten: Zijn hier niet.
  22. Getal der uitwaterende sluizen en van watermolens tot het drooghouden der ingedijkte landen met onderscheiding van een of meer molengangen; Zijn hier niet.
  23. Tot welke hoogte die rivieren in den wintertijd, boven de ordinaire zomerstand kunnen opzwellen; Zijn hier niet.
  24. De onderscheidene soorten van gronden, als bouwland, weiland, hooiland, bosschen, heide, veengrond, ongeveer in derzelver proportien, gelijk ook de evenredige grootte van meeren of plassen; De proportie der onderscheidene soorten van gronden is als volgt: bouwland 6, weiland 4,  hoagland 2, bosschen 5, heidegrond 15, veengrond is hier niet
    benevens geene meeren of plassen.
  25. Voornaamste soorten van granen of andere producten, in derzelver proportien tot elkander; Roge 7, haver 1, aardappelen 6, boekweite 2, garste 1/2.
  26. Voornaamste soorten van houtgewassen, in welk soort de meeste handel bestaat, het zij tot timmerhout, rijswerken of brandhout; De voornaamste soorten van hout zijn eiken, er word weinig handel in gedreven, en die er in gedreven word bepaald zich bijna alleen tot brandhout.
  27. Bijzondere producten van delfstoffen, hetzij pijp-, tegel-aarde, ijzererts, gelijk ook turf, met de kwantiteiten die gewoonlijk jaarlijksch worden geleverd; Zijn hier niet.
  28. Jaarlijksch product van koren en hooi in ordinaire tijden, het koren in mudden, het hooi in voeren of ponden; Ongeveer 90 pond rogge, 44 pond boekweite, 4 pond gerste, 15 pond haver, 110.000 pond hooij.
  29. Wegen, strekkende naar de naast omliggende plaatsen en derzelven aard en gesteldheid in onderscheidene seizoenen, alsmede door welke soorten van gronden, het zij bouwland, weiland, enz. Derzelve gemiddelde breedte in voeten, en lengte in uren gaans; De wegen naar de naastbijliggende plaatsen als Oldenzaal, Enschede, Gronau en Gildehaus zijn zandwegen en in vrij goeden staat, lopende gedeeltelijk door bouwland, doch voor het grootste gedeelte door heidegrond, derzelver gemiddelde breedte is 20 voet en derzelver lengte voor zo ver het deze gemeente aangaat als volgt: naar Oldenzaal 1/4 uur; naar Enschede 1/ 4 uur; naar Gronau 1/4 uur, Gildehaus 1 /4 uur.
  30. Communicatie te water met de naast omliggende plaatsen, en voor welke grootste soort van schepen, gerekend naar de capaciteit van bruggen en sluizen; Heeft hier geen plaats.
  31. Hoe diep op de rivieren, kanalen of bevaarbare griften of beeken geladen kan worden, of tot welke zwaarte in lasten of ponden bij het droogste van het jaargetij of gewoon laag water; Zulke rivieren zijn hier niet.
  32. Hoeveel moet worden op- .of af geschut op kanalen, of bevaarbare rivieren of griften tot naar de naast omliggende plaatsen bij ordinaair zomerwater, en door welk
    getal en soort van sluizen; Heeft hier geen plaats.
  33. Welke dezer rivieren, vaarten of kanalen van een jaagpad voorzien zijn; Zijn hier niet.
  34. Aan welke plaatsen, groote of kleine veeren om de rivieren over te trekken, gevonden worden, en van welke middelen men zich bedient; Zijn hier niet.
  35. Op welke plaatsen de rivieren des zomers doorwaadbaar zijn; Zijn hier niet.
  36. In plaatsen, waar kanalen of beeken haren uitloop hebben, in zee of andere rivieren, of en hoedanig dezelve aldaar zijn afgesloten; Zijn hier niet.
  37. Aan de plaatsen, waar eb en vloed gaat, het verschil tusschen dezelven. Alsmede het uur op hetwelk de getijden invallen, bij nieuwe en volle maan; Zijn hier niet.
  38. Hoogte der hoogstbekende stormvloeden boven de ordinaire vloeden, met het jaargetijde van dien vloed; Zijn hier niet.

Aldus door ons opgemaakt den 11 september 1815
de schout J. TeyIers.

J.H.R. Wiefker

Weet u waar dit is?

ODEM1994 3 07Laat het de redactie weten.

Zo luidde het kopje boven een foto, die we in ons vorige nummer van "Oet Dorp en Marke" (No.3 - 1994) geplaatst hadden. We zijn op onze wenken bediend. De Hr. Albert Poorthuis, lid van de HKL, oud Lossenaar en thans woonachtig in Delden, vertelde ons dat de foto ca.1935 gemaakt is in Nordhorn, waar Mevr.Poorthuis-Wevers op bezoek was bij haar zuster aan de Feldhauserstrasze.

Op de foto ziet u dus Mevr. Poorthuis, de echtgenote van de bekende promotor van de klootschieterssport Johan Poorthuis, en in haar armen draagt ze Johan Poorthuis jr., die thans woonachtig is in Denemarken. Het interessante huis als decoratie op de achtergrond, is ongetwijfeld inmiddels wel aan de tand des tijds ten offer gevallen.

Met dank aan de Hr.Albert Poorthuis, een broer van Johan jr., voor de verstrekte informatie.

Gedicht

Onbekend, als 't kleine bloempje,
Dat hier bloeit in 't Dinkelzand
In Losser het vergeetmenietje
In den tuin van Nederland.

Mag ik voor 't vergeten bloempje,
Heerlijk en schoon als 't is geplukt
Uw bijzondere aandacht vragen
Die 't de vergetelheid ontrukt .

Uit: Losser Voorheen en Thans, dl 1 door oud burgemeester G.J.A. van Helvoort, uitgegeven Oktober 1926.

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.