Oet Dorp & Marke 1995-2

Brieven van dominee Pos (4)

G.W.Th. van Slageren

Uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente 

Het tweede deel van de brief, die ds. Pos in april 1944 aan ds. Wijchers schreef is een opstel over predikanten in Losser: leerzame, interessante en zo nu en dan ook vermakelijke lectuur. 

8. Voorgangers te Losser 

De man, die in mijn tijd, de ruimste plaats innam in de herinnering, niet alleen van de oudste leden van de gemeente, maar ook van de geheele bevolking, was Ds. Hulsken. Een zeldzaam langen diensttijd heeft hij in Losser doorgebracht. Het begin ervan valt nog in den Franschen tijd, als ik mij niet vergis in 1809 ( ds. Pos vergist zich wel, want het was in 1807 - GvS) Het oordeel, dat men over hem rondbracht luidde niet in alle opzichten gunstig. Terwijl hij zeer rijk was, verweet men hem gierigheid, en hardvochtigheid jegens de behoeftigen. Een mijner diakenen vertelde mij eens, dat deze Collega gewoon was er zich op te beroemen, dat hij het kapitaal der Diaconie zoo vooruit had gebracht. Maar dat deed hij. voegde de diaken erbij, ten koste van de armen, die niets van hem konden krijgen. Curieus was, wat in dit verband, Burgemeester Warnaars mij eens van hem vertelde:  

De oude dominee had de gewoonte, zoo beweerde hij, als hij wandelde, altijd een hand op den rug te houden, en dan met duim en wijsvinger van die hand voortdurend een knippende beweging te maken. Het publiek schreef die beweging toe aan het veelvuldig tellen van geld, waarmee hij in verband met zijn rijkdom, heel wat tijd zoekbracht, zooals men meende.

Na 40-jarige (deze mededeling is niet juist: ds Hendricus Hulsken legde in 1841 het ambt neer- GvS) ambtsbediening trad hij af en werd opgevolgd door zijn zoon Samuel Hulsken.
Deze jongeman genoot de sympathie der gemeente, vooral omdat hij het tegenbeeld van zijn vader was, wat betreft medeleven met de behoeftigen. Wetende dat zijn vader daar tegen was, beoefende hij weldadigheid in stilte, o.a. op een niet alledaagsche wijze. In een van de hekpalen, nl. aan de voorzijde van den tuin, bij den weg langs het kanaal, was door den tand des tijds een holte ontstaan. In die holte dan legde de jonge Hulsken geld, wat niemand wist behalve zijn beweldadigden, die er dan uit mochten halen, wat hij met hen afsprak. Langen tijd ging dit goed, maar tenslotte ontdekte de oude Heer dit geheim, dat hem in hevigen toorn deed ontsteken. welken toorn hij in zulk een mate, en zoo voortdurend, luchtte tegenover zijn zoon, dat deze daardoor in de war geraakte, en tenslotte vroegtijdig zijn ambt heeft moeten neerleggen, terwijl zijn oude vader het daarna weer opvatte en ook nog weer ettelijke jaren uitoefende.

Natuurlijk weet ik persoonlijk van deze jammerlijke geschiedenis niets af. Ik geef alleen weer het verhaal, dat in mijn tijd, eenstemmig ook door de oudere leden der kerkelijke Colleges werd gedaan.

Opvolger van de Heeren Hulsken was een Collega ten name Koch, de eerste en enige predikant van de moderne richting, die in Losser heeft gestaan. Volgens mijn kerkeraadsleden was het beroepen van dezen Collega een volslagen misgreep. Naar dien er in den tijd, toen dit beroep werd uitgebracht geen modernen in de gemeente Losser werden gevonden. Men schreef het vooral toe aan invloed van den toenmaligen consulent. Een feit is dat de jongelui die catechisant waren geweest bij dezen Collega, ook in mijn kerkeraad vertegenwoordigd, den meesten weerzin openbaarden tegen de moderne leer.

Na het vertrek van Ds. Koch werd de gemeente achtereenvolgens bediend door eenige predikanten van de zgn. Groninger of Evangelische richting.
Het optredeen van de laatste dezer Heeren. Ds. Thoden van Velzen mishaagde den gemeente zozeer. dat tijdens den bediening door de leden der gemeente vastbesloten werd om na zijn vertrek een eind te maken aan het optreden te Losser van predikanten met van de bijbelsch rechtzinnige leer afwijkende prediking.
Collega Thaden van Velzen verbeeldde zich, dat hij philosoof was en dat de vruchten van zijn denken waardig waren door den druk verbreid te worden.

Hij schreef boeken met titels als de volgende: "Het Wezen der ziel"- Deze geschriften zond hij ter beoordeling aan een vermaard deskundige op dit gebied, nl: aan Professor Opzomer, hoogleraar in de Philosofie te Utrecht, aan de Academie aldaar - Deze zond de geschriften t.z.t. terug, met de opmerking, dat zijn geest niet diep genoeg ging om de ideeën van den schrijver te kunnen vatten ! Sapiento sat ! of m.a.w. deze bekentenis van den professor vormde een afdoend vonnis over de pennevruchten van Collega. Daarmede in overeenstemming was dan ook het debiet dezer geschriften. De zolder der pastorie –zoo verhaalden mij de ouderen uit de kerkeraad- zuchtten onder den last der stapels onverkochte exemplaren dezer boekwerken van hun dominee.

Niettemin gaf Collega zijn philosofische dromen nog niet op: Hij legde zijn ambt neer en vertrok met zijn gezin naar Jena, om daar, aan de Universiteit, zijn geliefkoosde studie voort te zetten, zeer ten nadele van den financielen toestand zijner familie, zooals men mij verhaalde, maar zonder verder resultaat.

Singulier en weinig sympathiek werd ook zijn optreden in de gemeente geoordeeld. Meermalen verscheen hij op den kansel met een plant of bloem in de hand en hield daarover dan uitvoerige beschouwingen. Ook schijnt hij druk omgang met Roomschen beoefend te hebben.

ODM 1995 2 05 

Eens teruggekomen van een bezoek bij de paters, in het klooster te Zenderen (?), had hij den weinig taktischen inval, aan zijn kerkeraad te vertellen, dat die paters hem bijna hadden overgehaald om Roomsch te worden, doch dat hij, op het laatste oogenblik zich nog had bedacht! Kortom, het was alles ongewenscht, wat ik vernam van dezen Voorganger. Misschien hebt U nog wel eens iets goeds van hem vernomen? Dat zou mij verblijden.

Van mijn laatsten Voorganger Ds. van Hemert, weet ik maar zeer weinig. Hij schijnt aanvankelijk voor militair te zijn opgeleid en later te zijn aangetrokken door de theologische studie.Van zijn persoonlijkheid en ingang bij de gemeente hoorde ik maar weinig. Men -ook mijn kerkeraadsleden- vonden hem te militair in zijn optreden. doch zijn prediking was rechtzinnig.

Voorlopig moet ik mijn mededelingen weer staken. Ik hoop dat U met Uw vrouw den besten welstand geniet. Met groot genoegen maak ik kennis met de Kerkbode en dank U zeer voor de toezending. Ontvang verder de hartelijke groeten en wil ze ook overbrengen aan H.N. Nusmeijer, kerkeraad en kerkvoogden.

Met de beste wensen van tt. H. Pos

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.