Oet Dorp & Marke 1996-2

Klootschieten in de twintiger en dertiger jaren.

Thea Evers

Door een schenking kwam de Historische Kring in bet bezit van het boek over de geschiedenis van bet klootschieten getiteld: "Die Klootschiesser- und Bosslerbewegung in Wort und Bild; von Georg Coldewey, Nordenharn." uit 1938.
In dit unieke boekwerk staat ook een uitvoerige bijdrage van de bekende Losserse klootschieterspropagandist en klotenmaker Joh . P. Poorthuis, die ons al weer enkele jaren geleden ontvallen is.
Hij vertelt hierin over de geschiedenis van het klootschieten in Nederland, hoe en waar in Twente dit spel werd beoefend, over wedstrijden uit vroegere jaren, de wedstrijden om de zilveren bal in Arnhem en de georganiseerde wedstrijden van 1928 - 1937. Hij besluit zijn aandeel in dit hoek met een hoofdstuk getiteld: "Het klootschieten van de vrolijke zijde bezien".
Het volgende artikel is een onverkorte weergave van enkele hoofdstukken uit dit Duitse boek, geschreven dus door Joh. Poorthuis. Zijn bijdrage is geschreven in het Nederlands en vertaald in het Duits.

De wedstrijden om den "zilveren bal" te Arnhem en de georganiseerde wedstrijden der laatste 10 jaren. 
In September van het jaar 1919 werd te Arnhem een groot folklorefeest georganiseerd van de folklore in geheel Nederland, waarbij vanzelfsprekend bet Twentsche klootschieten ook niet mocht ontbreken en aldaar dan ook wel als de voornaamste attractie werd beschouwd. Hieraan werd deelgenomen door 14 buurtschappen uit geheel Twente met een totaal aantal van 400 personen, allen gekleed in typisch Twentsche kleederdracht, waarvan 140 schieters. Om al deze menschen onderdak te verschaffen werden zij ondergebracht in een tentenkamp. De deelnemers werden verdeeld in twee groepen, n.l. Noord- Twente tegen Zuid- Twente, terwijl er gestreden werd om den "zilveren bal". Noord- Twente was hierbij de gelukkige en won den strijd met 1 schotlengte voorsprong. Deze demonstratie gaf feitelijk den eersten stoot tot het houden van georganiseerde wedstrijden in Twente, aanvankelijk onder leiding van een hiervoor benoemde commissie, gevormd uit de verschillende buurtschappen.

In 1924 vond te Hengelo de eerste wedstrijd plaats. Als kampioen trad hieruit te voorschijn de schieter J. Heerink, uit Beuningen, die hiermede het koningschap van Twente verwierf. Het volgende kampioenschap en tevens den koningstitel van Twente, behaalde in 1926 te Almelo de schieter Job. Boerrigter uit Losser. Nadien werd in 1928 een aanvang gemaakt met het houden van jaarlijksche kampioenswedstrijden op de aloude bekende Haarlerheide bij Ootmarsum.
Als kampioenen zegevierden achtereenvolgens in :
1928 G. Munnink, te Noord- Berghuizen.
1929 F. Oude Griep, te Noord- Deumingen.
1930 H. Groothuis op Teuse, te Reutum.
1931 G. Munnink, te Noord- Berghuizen.
1932 Idem, te Noord - Berghuizen.
1933 J. ter Linde, te Losser.
1934 A. Snoeink, te Lattrop.
1935 Idem, te Lattrop.
1936 H.J. Bagchus, te Losser
1937 H. Niemeyer, te Noord- Deurningen.

Vonden de eerste kampioenswedstrijden plaatst onder leiding van de reeds eerder genoemde commissie, zoo werd hieruit in 1931 de Twentsche Klootschietersbond geboren onder voorzitterschap van den heer H. Heisterkamp te Ootmarsum. In 1936 werd deze bond op geheel andere leest geschoeid en nam het voorzitterschap op zich de heer J .B. Zwaferink te Losser, die thans (1938) nog als zoodanig fungeert. Onder leiding van het toen gekozen bondsbestuur kwam ook de derde interland klootschieters wedstrijd tot stand tusschen:
Jever (Did) en Twente (Nld) op 3 en 4 Juli 1937 te Jever gehouden.

ODEM1996 2 01
De ,wiezers" van “Dorp Losser" in actie tijdens den eersten interlandwedstrijd te Jever.

Voordien waren er reeds twee interland wedstrijden gehouden, welke door de klootschietersvereniging "Dorp Losser" op touw waren gezet. Hoe deze belangrijke wedstrijden tot stand kwamen zal U uit het volgende blijken.
Waar men in Twente algemeen van mening was dat het klootschietersspel alleen bloeide in het Twenteland, verscheen er op zekeren dag een artikel in een der weekbladen over het klootschieten in Oost-Friesland. Hierin vond schrijver dezes (Joh. Poorthuis) aanleiding te trachten in contact te komen met de klootschieters van het aloude Friezenland. Werd in het algemeen eerst door hem geïnformeerd waar wel het centrum der beoefening van dit spel mocht liggen, zoo ontving hij na een schrijven gericht aan de redactie van het "Jeversche Wochenblatt" antwoord terug van den "Vorsitzender des Kreises VI des Friesischen Klootschiessersverbandes" Herrn Eilt Hartmanns uit Jever, met de uitnoodiging nader met elkaar in overleg te treden. Hierop ging ondergetekende met zijn broer een bezoek aan Jever brengen, waar zij met alle gulle hartelijkheid, de Oost – Friezen kenmerkend, verwelkomd werden. Uit de verkregen inlichtingen bleek hun alras dat het klootschieten in de kuststreek tuschen de Ems en de Weser op zeer hoog peil stond.
Nadat overeen gekomen was om een wedstrijd tegen elkaar te houden op 1 en 2 September 1934 werd de terugtocht aanvaard. Er was afgesproken dat de eerste ontmoeting gehouden zou worden te Jever, tusschen "Dorp Losser" en "Jeverland" en dat aan beide zijden door 10 man geschoten zou worden. Dit eerste treffen, het welke in een nederlaag voor de Losserschen eindigde, uitte zich in een echte wederzijdsche hartelijkheid, die een ware verbroedering tusschen deze klootschietende vertegenwoordigers van Duitsland en Nederland tot gevolg had.
Dat aan beide zijden de geestdrift hierover groot was, bleek uit de hierna gevonden briefwisseling. waar in de heer Heinke Tarjks, voorzitter van de Friesischen Klootschiessersverbandesde ontboezeming uitte, dat, wat de diplomaten der verschillende landen niet tot stand konden brengen door het Klootschieten minnende deel der bevolking van beide landen volbracht was. 
De daarop volgende 2 wedstrijden waarvan de eerste op 6 en 7 juli 1935 te Losser gehouden, de Twentenaren in de gelegenheid stelde hun Oost Friesche gasten op Twentschen bodem hartelijk welkom te heten en de tweede op 3 en 4 Juli in Jever plaats vond, hadden aan hartelijke vriendschap niets ingeboet.
Veeleer was deze nog intenser en hechter geworden. Het is de innige wensch van iederen Twentenaar, dat in de toekomst de vriendschapsband nog aangehaald en menig wedstrijd in de beste overeenstemming gespeeld mag worden. Met trots kunnen de Oost - Friesche en Twentsche klootschieters vrienden dan ook beweren dat zij het volgende kernachtige gedichtje van den heer J .J. van Deinse in den waren zin des woords hebben nagestreefd.

ODEM1996 2 02

Het klootschieten van den vroolijken kant bezien.
Zooals reeds vroeger opgemerkt, wordt er bij klootschietwedstrijden tusschen twee buurtschappen altijd een bepaalde som gelds, waarom gestreden zal worden, als inzet geeischt,waardoor de aantrekkelijkheid van den strijd aanmerkelijk verhoogd wordt, hoewel, dit moet ter dege opgemerkt worden, de eer om als overwinnaar uit het strijdperk te komen het voornaamste doel is.
Het gewonnen geld wordt vooral in de buurtschappen opgespaard, waarvan op Vastenavond feest wordt gevierd. Alle bewoners der buurtschap zijn dan van de partij.
Dat het er lustig toegaat op zoo 'n "vasslaow'nd maölk'n "zal wel blijken uit het laatste hoofdstuk van deze bijdrage dat in Twents dialect dit beschrijft.
In de dorpen daarentegen wordt de overwinning meestal dadelijk na afloop van een wedstrijd in een stamcafé beklonken, waar enige uren in gezellig samenzijn wordt doorgebracht.
In den Gelderschen Achterhoek was het vroeger gebruikelijk dat na afloop van den wedstrijd, de overwinnaars met muziek voorop zingend huiswaarts trokken, waarbij met het volgende liedje de tegenpartij aan de kaak werd gesteld.

Veer schötte en ne bollen'
Gen' ende kan 't neet hollen;
Veer schötte en ne trad,
Gen' ende völt op 't gat.
o wat 'n eer, o wat 'n eer ..
Onzen ende hef zien kleutjen weer;
ö wat 'n spiet, o wat 'n spiet!
Gen' ende is zien kleutjen kwiet.

De overwonnenen liepen met lange gezichten achter dezen stoet aan. De overwinnaars hadden intussschen maatregelen genomen de overwinning zoo luisterrijk mogelijk te vieren, en alle aanhanger hunner partij met hun dames werden uitgenoodigd om ’s avonds onder muziek en dans in hun stamcafés het z.g. "kleutjesbier" te komen nuttigen.
Wel aardig is het nog te vermelden met hoeveel geestdrift de tot stand gekomen interlandwedstrijd tusschen Twente en Jeverland bezongen werd, wat men uit het volgende versje kan hooren:

Veur 'n heeln tied, wal haost 'n jaor
Toe lessen 't wie in de kraant ’t
Klaotschzaeten wodden ok nag daon
Erg'ns baow'n in 't Fraesenlaand
Voort kwammen ze oet daarp too bie mekaar
De wodden 'n veurstel daon
Zoo gaaw as 't mer heel efkes kan
Met almaol der hen te gaon

Hierna werd het refrein gezongen dat luidde:

Wie gaot naor Jever, wie gaot naor Jever
Her heele Loster sprek daorvan.
Wie gaot naor Jever, wie gaot naor Jever
Daor laot wie zeuj'n wat 't daarp nog kan
Al smiet ze daor met soerkaolstaen
Dan nag gaet 't daarp nig van de baen
Wie smiet in Jever, nig um jenever;
In Jever gaet um de wil alleen!

Dat dit eerste treffen tusschen de beide landen een ware verbroedering tengevolge heeft gehad, blijkt wei uit de volgende regelen, welke de gasten uit Jeverland bij hun tegenbezoek in het daaropvolgende Jaar werd toegezongen.

Dat laand van Jever
Wat zao wied in 't Noord'n lig 't
Mooie stedken, dat verget wie nig ligt!
Aw denkt an dee tied, dee is al lang veurbie
Dan slöt oons 't hä zao waarm
Van riek en aarm Veur diej!

Tenslotte zij nog opgemerkt dat niet alleen na afloop van een wedstrijd de bloemetjes werden buitengezet, ook bij het uitnodigen tot een wedstrijd in de buurtschappen het z.g. "klaotbrengen" werd hieraan een feestelijk tintje gegeven, doordat de "klaotbrengers" gastvrij onthaald werden op "koffie met 12 beschuut en wat van 'n schinken" en de vrouwelijke bewoners met zekeren trots dan de stoere strijders voor de eer van "den klaot" bedienden!
Wordt er in een buurtschap of dorp bij een der voorvechters van het klootschieten een zoon geboren, dan wordt er onder zijn buurtgenoten een geld inzameling gehouden. De opbrengst wordt besteed om er een "krentenwegg'n" voor te laten bakken, welke vaak zulke geweldige afmetingen heeft dat deze op een ladder per wagen vervoerd, dan wel door enkele personen gedragen wordt. Onder lustig trekharmonicamuziek wordt zoo'n "wegg'n" dan in optocht naar de woonstede van de gelukkige ouders gebracht en de "veuropschaeter" spreekt dan in zijn toespraak den wensch uit dat dejonggeborene tot "nen duftigen klaotschater mag opgreuj'n" .
Dat het onthaal door de gelukkige ouders wat hierop volgt niets te wenschen overlaat, laat zich gemakkelijk begrijpen uit de vrolijke muziek en zang welke weldra opklinken uit de feestelijke woning. Vermeldenswaard is dat bij de geboorte van een dochter dit gebruik niet plaats vindt.

Tot slot van mijn bijdrage vindt U hieronder een gedicht van den heer J.G. Lammers hetwelk zeer toepasselijk is op het voorgaande.
Ik hoop dat mijne uiteenzetting, zij het beknopt, U een duidelijk beeld heeft gegeven van het klootschietn in Nederland en tevens hiermede aan den wensch van den schrijver (van het Duitse boek) aan mijn vermogen te hebben voldaan.

Waar Friezen en Saksen als in strijd
Met hetzelfde vuur bezield,
Hun beste krachten, hun eer en naam
Aan het klootschieten hebben gewijd,
Waar van uit oeroude tijden de sagen
Van onze roemrijke en athletische voorvaderen,
Door de nakomelingen der beide stammen
Met eerbied van hun geweldige prestaties gewagen!
Daar ligt een aansporing in verborgen,
Om met denzelfden moed en voortvarendheid
In onze en in de toekomstige jaren
Het geliefde en gezonde spel te blijven borgen,
Dat de eer door onze voorvaderen behaald
Het toekomstige geslacht ten voorbeeld strekke
Om eendrachtig de wereld te toonen,
Hoe ons oudste spel het hart en spieren staalt!

In het volgende nummer van "Oet Dorp en Marke" komt de Nederlandse bijdrage geheel in het Twents dialect uit het boek "Die Klootschiesser- und Bosslerbewegung in wort und bild. (Red.)

Uit de geschiedenis van de Hervormde gemeente

Georg van Slageren

Het overlijden op 19 maart 1934 van Hendrikus Johannes Bonke was voor ds. V .E. Schaefer (predikant in Losser van 1905 tot 1942) aanleiding voor een onderzoek naar het geslacht Bonke.
Op het artikel, dat hij als resultaat daarvan in Ons Blaadje publiceerde, kwam later een aanvulling van de hand van A. Haga, toenmalig Rijksarchivaris te Zwolle. Het hierna volgende is een bewerking van deze beide artikelen, aangevuld met de resultaten van eigen onderzoek in ons archief.
Een genealogisch overzicht van de familie Bonke verscheen eerder in "Oet dorp en marke Losser", jaargang 1993/2

Het organisten - geslacht Bonke
De Bonkes in Ootmarsum en Denekamp
Het geslacht Bonke ontleent zijn naam - zoals zoveel families in Twente - aan een boerderij en wel aan het erve Bonckinck later ook wel Bonke genoemd, dat in Lattrop ligt. Het erf wordt al genoemd in het in 1601 opgemaakte register van landerijen in Twente. Later werden op dit erf meermalen de markevergaderingen van Lattrop gehouden.

Als oudste van dit geslacht vond Haga:
Harmen Bonckinck, later ook wel Bonke genoemd, die op 12 december 1700 in Ootmarsum trouwde met Stine Boomhuys. Uit dit huwelijk werd geboren:

Harmen Bonke, gedoopt te Ootmarsum op 1 april 1707. Hij werd door de Marke Lattrop op 12 oktober 1725 ( dus op 18 jarige leeftijd) aangesteld als schoolmeester, terwijl hij later ook de functie van boerrichter in de Marke bekleedde. Harmen Bonke trouwde op 1 juni 1733 met Janna Scholten. Uit dit huwelijk werd geboren:

Harmen Bonke, gedoopt te Ootmarsum op 7 maart 1734 . Hij trouwde omstreeks 1758 in Denekamp met Derkje Broese. Zij was een dochter van de schoolmeester en organist van Denekamp. Harmen Bonke volgde zijn schoonvader na diens dood op als schoolmeester en organist, nadat hij door de goedsheren van de Marke Denekamp op 24 mei 1758 als zodanig was benoemd. Tegen deze benoeming verzette zich echter de kerkeraad van Denekamp, die beweerde alleen gerechtigd te zijn om de schoolmeester aan te stellen. Beide partijen wendden zich daarop met een lijvig verzoekschrift tot de Provinciale Staten, die op 24 oktober 1759 beslisten, dat de goedsheren en de kerkeraad voortaan ieder voor de helft gerechtigd zouden zijn om de schoolmeester te benoemen. De benoeming van Harmen Bonke bleef echter gehandhaafd.

De Bonkes als organist (en nog veel meer) in Losser

1. 1782 - 1845
Uit het huwelijk van Harmen Bonke en Derkje Broese werd geboren:

Hermannus Bonke Hermannus werd gedoopt te Denekamp op 25 maart 1763. Hij werd in 1782 in Losser benoemd als schoolmeester, koster en organist. Hij vervulde de eerste dienst op 2 februari 1782, zo schrijft ds. J.H. Hulsken (predikant in Losser van 1807 tot 1841) in zijn aantekening in het doopboek(!) en bleef organist tot zijn dood op 14 januari 1845, dus gedurende bijna 63 (!) jaar.

Hermannus trouwde op 17 september 1784 met Helena Stroink, geboren te Oldenzaal op 9 maart 1736. Zijn vrouw was op dat moment dus al 48 terwijl hijzelf nog maar 21 was. In onze ogen een merkwaardig leeftijdsverschil. Het huwelijk bleef kinderloos. Helena Stroink overleed op 2 mei 1814.

Hermannus hertrouwde al heel snel, namelijk op 7 juli 1814, met Janna Immink. Janna was geboren op 24 februari 1795. Haar vader was ds. Jacobus Immink, die predikant was in Losser van 1781 tot 1806. Hermannus was op het moment van hertrouwen dus 51 en zijn bruid 19 jaar. Een nog groter leeftijdverschil dan in zijn eerste huwelijk, maar dan in omgekeerde richting. Hermannus Bonke hield kennelijk van uitersten.

De herinnering aan deze eerste Bonke die in Losser organist was, wordt levend gehouden door de zandstenen wijzerplaat in de gevel van onze kerk met daarin de inscriptie:

"ABONKEDATUM"
(Dat is Latijn voor: "Gegeven door Bonke")

Hermannus Bonke speelde ook een belangrijke rol op diverse andere terreinen in de hervormde gemeente. Zo was hij nauw betrokken bij de bouw en het verfraaien van de nieuwe kerk, nadat de oude kerk op 1 januari 1810 aan de katholieken teruggegeven moest worden. De nieuwe kerk was pas echt voltooid toen in 1822 ook het orgel weer geplaatst werd. Dat betekent ook dat Hermannus Bonke 12 jaar lang het orgel niet heeft kunnen bespelen, tenminste niet in de nieuwe kerk. Waar het orgel in al die jaren geweest is, is nog steeds een raadsel. Bleef het al die jaren ingepakt staan op de orgelbeun van de nieuwe kerk of bleef het nog dienst doen in de oude – nu katholieke - kerk ?
Ook wordt de naam van Hermannus Bonke in een adem genoemd met die van de advokaat Mr. J.W. Racer uit Oldenzaal, als het gaat om de processen die in het begin van de vorige eeuw gevoerd moesten worden over de eigendom van de kerkegoederen.

Voor zijn grote verdiensten kreeg Hermannus Bonke door de kerkeraad de eretitel "Kerkmeester" toegekend.

2. 1845 - 1861
Uit het huwelijk van Hermannus Bonke en Janna Immink werd geboren:

Hermannus Hendrikus Bonke.
Hermannus Hendrikus werd geboren op 11 juli 1815. Uit het huwelijk werden overigens nog vier andere kinderen geboren, waaronder op 13 januari 1821 een zoon Derk, die later lange tijd gemeente-ontvanger van Losser zou zijn.
Hermannus Hendrikus trouwde op 1 november 1840 met Maria, Johanna, Dorothea Mann, oud 23 jaar en dochter van ds. W .G. Mann, van 1827 tot zijn overlijden in 1846 predikant in Denekamp.

Volgens akte van 26 januari 1845 werd Hermannus Hendrikus Bonke op zijn verzoek door de kerkvoogden van Losser benoemd tot "organist, koster, voorlezer, voorzanger en ontvanger der Hervormde Gemeente" in de plaats van zijn overleden vader. Als onderwijzer was hij zijn vader al opgevolgd op 19 juli 1839. Volgens een missive van 2 februari 1852 gericht aan de burgemeester van Losser, was H.H. Bonke in het bezit van de "Acte van den 3en Rang afgegeven door de prov. Commissie van Onderwijs in Overijssel op 9 April 1834, met een volledige acte tot het geven van onderwijs in de Fransche en Hoog-Duitsche talen, mede afgegeven door dezelfde Commissie den 12 October 1837" . Dezelfde missive zegt: "Het grootste aantal kinderen dat de school te Losser bezoekt, beloopt om de 350". Of die 350 tegelijkertijd naar school gingen en of ze dan in de oude school (de oude Vereeniging) "geborgen" werden, kon ds. Schaefer niet achterhalen.

Hermannus Hendrikus Bonke overleed op 12 september 1861.

3. 1861 - 1912
Op haar verzoek wordt de weduwe van Hermannus Hendrikus Bonke, Maria Johanna Dorothea Mann bij besluit van 16 oktober 1861 door kerkvoogden benoemd tot organist, koster, voorlezer, voorzanger en kerkelijk ontvanger als opvolger van haar man. De akte van benoeming bevindt zich in ons archief maar was aan ds. Schaefer, die schrijft dat de oudste zoon zijn vader opvolgde, kennelijk niet bekend. Hoe lang moeder Bonke deze functies vervuld heeft en ook of zij ze in persoon vervuld heeft is niet duidelijk.

De benoeming kan ook bedoeld zijn om haar aan de inkomsten uit de functies te helpen. Tenslotte werd zij op vrij jonge leeftijd (44) weduwe en was de oudste zoon toen nog maar 18.

Hermannus Johannes Bonke Deze oudste zoon, de derde organist uit de familie Bonke was Hermannus Johannes. geboren op 7 oktober 1842.
Al voor 1871 is hij zijn moeder opgevolgd, want op 7 november van dat jaar besluiten kerkvoogden tot een nieuwe regeling voor de betreffende functies en de inkomsten daaruit. In dat besluit wordt Hermannus Johannes Bonke herbenoemd tot organist, koster, voorlezer en kerkelijk ontvanger.
In I869 had Hermannus Johannes al een eigen gezin gesticht. Hij trouwde op 21 november van dat jaar met Wilhelmina Stokhorst uit Gildehaus. Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren. Van vijf van de kinderen wordt vermeld: "jong gestorven". Een zesde overleed op de leeftijd van 16 jaar. Een niet ongewoon beeld in de vorige eeuw. In het gezin van de ouders (Bonke/Mann) treffen we eenzelfde situatie aan: van de negen kinderen stierven er eveneens vijf op jonge leeftijd.

Hermannus Johannes Bonke overleed op 18 januari 1912.

4. 1912 - 1934

In het gezin Bonke/Stokhorst bleven dus maar twee kinderen over: Hendrikus Johannes, geboren op 16 maart I 875 en zijn zuster Johanna Adriana, geboren op 13 februari 1881. Beiden bleven ongehuwd. Johanna overleed op 18 november 1942 als laatste telg van de familie in Losser. Zij legateerde een deel van haar bezit aan de diakonie van de hervormde gemeente, waartegenover de verplichting is ontstaan om het familiegraf te onderhouden.

ODEM1996 2 03
Dit graf bestaat nog steeds en is enkele maanden geleden geheel gerenoveerd. U kunt het graf vinden, als u de hervormde begraafplaats aan de Kloosterstraat oploopt, aan het middenpad direct rechts. Het is de laatste rustplaats van de ouders van Johanna (Hermannus Johannes Bonke en Wilhelmina Stokhorst), van haar broer Hendrikus Johannes en van Johanna zelf. Ook is hier begraven Marinus Didericus , een oom - broer van Hermannus Johannes- geboren op 2 mei 1849 en overleden op 2 juli 1913.

Hendrikus Johannes Bonke
Hendrikus Johannes werd zoals gezegd geboren op 16 maart 1875 en overleed in "Ziekenzorg" te Enschede op 19 maart 1934. Officieel werd de laatste van het viertal Bonke organisten pas benoemd in 1912, maar al lang voor het overlijden van zijn vader in 1912 nam hij de functie van organist waar. Dominee Schaefer, die in 1905 in Losser kwam, hoorde de vader nog geregeld als voorlezer fungeren, maar slechts een enkele keer spelen.

Op het orgelspel van de beide laatste Bonkes had ds. J .H. Hulsken zijn stempel gedrukt, want diens zetting van de Psalmen en Gezangen werd door hen geregeld gebruikt. Ook deelden zij de opvatting van ds. Hulsken, dat het orgel is "ter begeleiding van de gemeentezang en dat de organist zich moet onthouden van lange voor-, tussen- en naspelen". Er was in hun stijl iets sobers en strengs, aldus ds. Schaefer, die zijn artikel besluit met de opmerking dat onze gemeente aan de familie Bonke veel verschuldigd is. Vooral de eerste Bonke (Hermannus) was ons in moeilijke dagen van grote dienst.

ODEM1996 2 04

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.