1996-3

Een boerderij uit ca 200 voor Christus

OPGEGRAVEN TE LOSSER-ZOEKER ESCH

A.D. Verlinde

In maart 1996 werden bij de eerste grondverzet werkzaamheden voor het nieuwe industrieterrein aan de Broekhoekweg (Zoeker esch) sporen gevonden van bebouwing daterend uit de ijzertijd. Drs. A. Verlinde, als archeoloog verbonden aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, had voorafgaande aan deze eerste werkzaamheden de gemeente reeds attent gemaakt op de mogelijkheid van interessante bodemvondsten. Heel terecht, zoals al gauw bleek toen de werkzaamheden waren begonnen. Graag betuigen wij de heer Verlinde onze dank voor het interessante verslag van deze opgraving, dat hij zo vriendelijk was om aan ons op te sturen en dat wij onderstaand graag voor onze belangstellende lezers laten volgen. Ongetwijfeld heeft het de heer Verlinde de nodige moeite gekost er tijd voor in te ruimen binnen de werkzaamheden van zijn ongetwijfeld stevig bezette dienstrooster. 

De redactie 

Inleiding
In overleg met de heer T. Meyer, contactpersoon voor de archeologie bij de gemeente Losser, werd de bebouwing van de Zoeker esch aan de zuidwest zijde van Losser afgewacht.
Daardoor kon op een redelijk goed tijdstip een verkenning in de net uitgegraven wegcunetten plaats vinden. In de cunetten werd onder het dunne esdek, in het onder liggende dekzand, een beperkt aantal grondsporen en vondsten uit de ijzertijd vastgesteld. Op een plek in de cunetten leek een structuur aanwijsbaar, wat bevestigd werd bij het opschaven van de plek.
Een acuut nood opgravinkje volgde, waarbij dankzij plaatselijke verbreding van het cunet een vrijwel complete huisplattegrond kon worden vrij gelegd, zijnde de eerste uit de gemeente Losser.
De opgraving vond plaats op 21-22 maart 1996 en was niet mogelijk geweest zonder de inzet van een groepje amateurarcheologen van de AWN en van de Historische Kring Losser, alsmede door de goede samenwerking met de gemeente en (personeel) van aannemer Temmink. Bijna al de grondsporen behoorden tot de voormalige boerderij; er hoefde dus geen moeizame reconstructie uit een overmaat aan grondsporen te worden uitgevoerd, wat de betrouwbaarheid van de plattegrond alleen maar ten goede komt. Alleen een gelukkig zeer ondiepe Middeleeuwse greppel, die dwars door de plattegrond heen liep, zorgde voor enig 'ongemak'. Gevonden zijn de grondverkleuringen, die in het zand achter bleven op de plekken, waar de wandpalen en dragende palen van de prehistorische boerderij destijds zijn ingegraven. Voor een goede voorstelling van zaken is het goed te weten, dat de gevonden grondsporen in het schaafvlak, direct onder het esdek lagen, dat is 20-25 cm onder het prehistorische loopvlak. Alle ingravingen, die destijds minder diep waren, zijn dus niet gevonden, omdat zij tijdens het ploegen in de Middeleeuwen zijn verdwenen. 

De boerderij-plattegrond: woongedeelte en stal
De plattegrond, dus ook de prehistorische boerderij, heeft zoals gebruikelijk een rechthoekige omtrek. De lengte bedraagt 22 m, de breedte 6 m. Deze afmetingen mogen normaal worden genoemd voor de betreffende periode. De boerderij lag oost-west  georiënteerd. De plattegrond valt heel duidelijk in twee helften uiteen, hetgeen dus wijst op twee verschillende bouwwijzen van de boerderij. In de west helft is een (soms onderbroken) vrij diepe wandgreppel aanwezig, waarin of waartussen soms dieper ingegraven paalkuilen aanwijsbaar waren. Binnen deze helft zijn niet of nauwelijks verkleuringen van dragende binnenpalen gevonden. Die zullen er dan ook niet geweest zijn, anders hadden ze in de opgraving niet gemist kunnen worden. Kort buiten de wand hebben hier en daar ook palen gestaan, kennelijk steunpalen voor de wandpartij. De westelijke boerderij-helft stelt ongetwijfeld het woongedeelte voor, omdat in huisplattegronden heel vaak het woongedeelte de minste binnenpalen heeft. Er is binnen de boerderij op de Zoeker esch geen haardplek gevonden, die deze conclusie zou kunnen bewijzen. Helaas werden prehistorische haardplekken slechts zelden voldoende diep ingegraven, zodat archeologen ze ook maar zelden kunnen ontdekken. De wand van de oosthelft van de boerderij-plattegrond bestaat uit los van elkaar staande paalkuilen, waardoor in deze boerderij-helft de precieze plaatsing van de wandpalen te achterhalen is. Ze blijken dus dicht opeen te hebben gestaan. Soms stonden twee palen zo dicht bijeen, dat de voor hun plaatsing gegraven kuilen, tezamen een grotere kuil vormden. In deze boerderij-helft zijn duidelijk drie rijen kuilen voor binnenpalen te onderscheiden. Een rij paalkuilen ligt precies op de midden-as van de boerderij; deze palen stonden dus onder de nok(balk) en zij stonden 3 m uit elkaar (hart tot hart). 1-1,5 m binnen de beide lange wanden ligt eveneens een rij paalkuilen; zij liggen 1,5-2 m uit elkaar. De palen van deze beide rijen stonden tegenover elkaar. Zij zijn bovengronds zeer waarschijnlijk door dwarsbalken . verbonden geweest om stevigheid aan de constructie te geven eni wellicht ook om een zoldervloer te dragen.
Het patroon van de gebinten levert dus een behoorlijk regelmatig beeld op. De beide laatst genoemde paalrijen van het 'veerkante werk' verdelen dit boerderij-gedeelte in drie lange stroken. Daarom spreken we van een drieschepige boerderij.

Als de nokpalenrij ook wordt meegerekend. wat men niet altijd doet, dan is er zelfs sprake van een vierschepig boerderij-gedeelte. Deze drie- of vierschepige oostelijke boerderij-helft stelt ongetwijfeld het stalgedeelte voor, waarbij het midden-schip dan is aan te duiden als de deel. In de beide zijschepen moet dan het vee hebben gestaan, net als in min of meer recente boerderijen. De functie van het stalgedeelte wordt onderschreven door twee sleufvormige grondsporen dwars op en in het zuidelijke zijschip. Dit soort grondsporen wordt algemeen verklaard als ingegraven houten schotten van veeboxen.

Kennelijk zijn de schotten van deze ene vee box van 1-1,5 m breedte, dieper ingegraven dan de overigen. Middenin de lange zijden van de boerderij, tussen het woon- en stalgedeelte liggen twee toegangen van 2 m breedte tegenover elkaar. Aan de grote paalkuilen ter weerszijden van deze toegangen is duidelijk te zien, dat zij een versterkt element in de constructie vormen. In de langwerpige kuilen hebben tenminste twee palen gestaan. Het is heel goed mogelijk, dat elders in de wanden ook nog deuren hebben gezeten, maar dat is van de plattegrond niet af te lezen.

1996 3 1

Losser-Zoeker es. Getekende boerderij-plattegrond, schaal 1:200.
Zwart= ingqraven grondsoorten van de boerderij.
Wit= overige grondsporen of paalgaten binnen paalkuilen van de boerderij.
Dunne lijn = begrenzing schaafvlak. 

In dat geval zal her gaan om zogenaamde mandeurtjes. Over de bovengrondse bouw van de boerderij zijn geen directe aanwijzingen gevonden. De wanden zijn het meest waarschijnlijk opgebouwd van vlechtwerk tegen/tussen de dragende palen, die bestreken waren met aan de lucht gedroogde leem. Misschien zijn die lemen wanden zelfs voorzien geweest van balkjes, in welk geval men van vakwerkbouw kan spreken. Ook is het niet uit te sluiten, dat althans een deel van de boerderijwand is opgebouwd van planken. Het dak moet gedekt zijn geweest met stro of riet, minder waarschijnlijk met plaggen, die merkbaar zwaarder zijn. 

Datering en ligging van de boerderij
De datering -van de boerderij is niet te bepalen met de C-14 methode of een andere natuurwetenschappelijke methode bij gebrek aan uitgangsmateriaal, zoals houtskool. Op grond van de scherven van aardewerk uit en bij de grondsporen is een  datering uit de IJzertijd zeker, dat is tussen ca 800 v. Chr. en 0. Het is de structuur van de boerderij(plattegrond) zelf, die de beste datering levert, en wei in de late IJzertijd, dat is in de laatste twee eeuwen voor het begin van onze jaartelling. De Losserse boerderij komt, althans binnen Twente, nog het beste overeen met de oudste boerderij, die in 1972 in Denekamp de Borchert is opgegraven dus eveneens gelegen aan de Dinkel.
Die boerderij is toen gedateerd in de midden of late IJzertijd.

De vondsten bij de boerderij uit Losser zijn nogal schaars. Behalve een beperkt aantal scherven van aardewerk (vaak met besmeten oppervlak) en steenfragmenten, leverde de noordelijke ingangspartij een flink brokstuk op van een maalsteen van bazaltlava (officiële aanduiding: tephriet). De betreffende maalsteen is destijds aangevoerd uit het Midden Rijngebied, waar deze steensoort vanwege zijn goede eigenschappen al vanaf de latere prehistorie werd geëxploiteerd. Het resterende deel van de Zoeker esch. pal ten zuiden van de Broekhoekweg gelegen, leverde dus (slechts) een huisplattegrond op. Die zal naar schatting 20-30 jaar, gedurende een generatie, hebben gestaan volgens de geschatte levensduur van een boerderij van deze constructie. De vraag rijst of deze boerderij hier alleen heeft gestaan dan wel deel uitmaakte van een grotere nederzetting. En werd deze boerderij vervangen door een opvolger in de buurt of had hij al een voorganger? Deze vragen zijn niet met zekerheid te beantwoorden, daarvoor is het onderzochte areaal te beperkt geweest. Wel was vast te stellen. dat er onder het westelijk deel van het es-restant, nauwelijks grondsporen en vondsten aanwezig waren. In oostelijke richting is dat minder zeker, daar kunnen best meer, maar niet veel bewoningssporen aanwezig zijn. De indruk is dan ook, dat we hier onder de Zoeker esch te doen hebben met een vrij incidentele en kleinschalige bewoning. Dat kan zijn oorzaak vinden in het feit, dat deze es, deze boerderij , toch een kleine kilometer van de Dinkel af ligt. De meeste prehistorische bewoning in het Losserse moet dicht langs het Dinkeldal zijn voorgekomen (vooral onder het essenlint langs de Dinkel), zodat de nu aangetroffen boerderij in die tijd een ietwat afzijdige ligging vertoonde. Over het fijne ervan, want we blijven 'doorvragen', kunnen we echter alleen maar speculeren.

 

Uit de geschiedenis van de hervormde gemeente

"De man, die in mijn tijd, de ruimste plaats innam in de herinerring, niet alleen van de oudste leden van de gemeente, maar ook van de gehele bevolking, was dominee Hulsken". Zo schrijft ds. H. Pos (predikant in Losser van 1890 tot 1899) in een brief uit 1944, die ik publiceerde in "Oet dorp en Marke Losser" 1995-2. Het ging om Jan Hendrik Hulsken, die hier predikant was van 1808 tot 1841. Deze Jan Hendrik werd opgevolgd door zijn zoon Samuel, die hij overigens nog overleefde. De zoon speelde niet zo'n prominente rol als zijn vader en overleed in 1863 in een "gesticht" in Deventer. 

Dominee Hulsken
Jan Hendrik en Samuel Hulsken vormden het laatste van drie koppels "vader en zoon" op rij, die in een periode van 225 jaar (slechts van 1781 tot 1806 onderbroken door ds. Immink) de predikantsplaats bij de hervormde gemeente Losser bezetten.
Eerder waren dat Theodorus en Henricus Froen (1638 tot 1697) en Henricus en Johannes Keller (1697 tot 1780).

Dominee Henricus Keller was de echtgenoot van Aleida Leurink (Ja, die van het dagboek ..... ) en zoals hierna zal blijken ook nog de bet-overgrootvader van Jan Hendrik Hulsken. Samuel Hulsken is dan een achter-achter-achterkleinkind van Aleida Leurink. Begint het u te duizelen? Verdiep u dan rustig in het volgende overzicht.  

Henricus Keller     huwt 9-3-1698 met  Aleida Leurink 
geb. 10-7-1669     geb. 24-9- 1682 
overl. 20-7-1750      overl. 6-8-1755 

Behalve de zoon Johannes (de dominee) wordt uit dit huwelijk ook nog geboren een dochter:

Anna Margaretha Keller  die trouwt met   Hermannus Stroink 
geb. 4-8-1706    burgemeester en
over!. 10-5-1757      fabrikeur in Enschede 

Uit dit huwelijk wordt ondermeer een dochter geboren:

Aleida Stroink  die trouwt met   Henricus Teylers 
geb. 1739     geb. 1727
overl. 1797    overl. juli 1794 

Als oudste kind wordt uit dit huwelijk een dochter geboren:

Maria Teylers  die op 25-11-1785 Dr. Johannes Timon 
geb. 13-3-1762  trouwt met   Hulsken (geb. 1732) 
overl. 14-5-1787     

Johannes Timon Hulsken is een telg uit een Oldenzaals juristengeslacht en is 30 jaar ouder dan zijn vrouw. Op 29 november 1786. precies op de dag dat zij een jaar getrouwd zijn, wordt een zoon geboren: Johannes Hendrikus.
De jonge moeder herstelt niet van de bevalling. Het echtpaar woont in Oldenzaal. maar ziek als ze is heeft Maria heimwee naar Losser. Ze overlijdt op 14 mei 1787 in de ouderlijke woning, het Teylershuis.
Het kind blijft voorlopig bij de grootouders in Losser, maar de verhouding tussen hen en de vader laat te wensen over. Ook ontstaat er onenigheid over de opvoeding van de kleine en in 1789 als Jan Hendrik bijna drie jaar oud is schrijft Dr. Hulsken aan zijn schoonvader: 

''Vermits ik gisteren van uw Edele hebbee gehoort, dat mijn soon het stamelen zoude aanleren van de stamelende kinderen van Losser, waarmede hij verkeert, derhalven weet ik daar geen beter raad voor, als dat ik hem dat geselschap onttrekke, want het stamelen te leren is sekerlijk een groot quaad en waar van de kinderen niet ligt zijn af te brengen, en so mijn soon een stamelaar wrierde dan was hij ook onbekwaam om een goed advocaat te kunnen worden, derhalven versoecke mij te termineren den dag wanneer ik mijn soon kan afhalen, en ten dien einde sal ik en mijn meid met een wagen komen ".

Dr. Hulsken had dus al vroeg grootse plannen met zijn zoon en daarin paste niet het opgroeien tussen de boeren van Losser.
Later werd hij naar een internaat gezonden, terwijl hij ook nog geruime tijd was ondergebracht bij een domineesgezin te Ohne in Westfalen.

Jan Hendrik koos er echter voor om predikant te worden en ging theologie studeren in Utrecht. Kennelijk zijn de gevolgen van het verblijf tussen de boeren van Losser meegevallen want de studie verloopt zeer voorspoedig, al zal de studieduur toen ook wat korter zijn geweest dan tegenwoordig.

1963 3 2Op 16 oktober 1807, Jan Hendrik Hulsken is dan nog maar 20 jaar oud. wordt er een beroep op hem uitgebracht door de "Vergadering van stemgerechtigde Ledematen der Gereformeerde (= hervormde) Gemeente te Losser". Dit het op de vorige bladzijde afgedrukte verslag van die vergadering, die gehouden werd in de kerk. blijkt dat er uit een drietal kandidaten gekozen moest worden en dat met eenparigheid van stemmen werd besloten Jan Hendrik te beroepen. De akte van beroeping wordt staande de vergadering door de Custos ( =koster) aan de beroepene ter hand gesteld. 

Ziet u het ook voor u als u zo iets leest'? : In de oude Martinuskerk de 41 stemgerechtigde mannen verzameld en in het Teylershuis bij zijn oom Jan en tante Johanna in spanning afwachtend de jonge proponent Jan Hendrik Hulsken. Na de stemming wordt meteen de akte van beroeping opgemaakt, door praeses en scriba ondertekend en vervolgens door Hermannus Bonke  (koster, organist en Schoolmeester; zie de vorige aflevering van "Oet dorp en marke Losser") naar het Teylershuis gebracht.. .....

De predikantsplaats in Losser was vakant geworden door het overlijden van ds. Jac. Immink op 19 februari 1806. Men heeft dus vrij lang gewacht met het beroepen van een nieuwe predikant. Zou men soms hoge verwachtingen hebben gehad van deze "profeet uit eigen land" en gewacht hebben tot Jan Hendrik met zijn studie klaar was?
De bevestiging vond plaats op 13 maart 1808 door· ds. Smyter uit Oldenzaal.

Gerekend vanaf 1598, het stichtingsjaar van de hervormde gemeente Losser, werd Jan Hendrik Hulsken nagenoeg op dehelft van de vier eeuwen, die sedertdien tot op heden zijn verstreken, hier predikant. Het was een voor ons gehele land en dus ook voor Losser roerige tijd. Ons land was in 1795 onder Franse overheersing gekomen. En in 1796 nam de Nationale Vergadering - de eerste volksvertegenwoordiging in onze parlementaire geschiedenis - het besluit: "Er kan of zal geen bevoorrechte noch heerschende Kerk in Nederland meer geduld worden". Daarmee kwam een eind aan de bevoorrechte positie van de Hervormde Kerk als Staatskerk.

In een Bijvoegsel bij de eerste Nederlandse grondwet (1798) - de zogenaamde Additionele Artikelen - werd ondermeer geregeld hoe de verdeling van de kerkelijke gebouwen en overige bezittingen moest plaats vinden. Uiteindelijk zou voor de toescheiding van het kerkgebouw in Losser bepalend worden dat het getal der katholieken groter was dan dat der hervormden. Dat het nogal wat geharrewar met zich meebracht voordat die toescheiding een feit was laat zich raden. Het zou tot 14 maart 1809 duren voordat Lodewijk Napoleon, door zijn broer keizer Napoleon I benoemd tot koning van Holland, kon besluiten dat "de groote kerk te Losser met den 1en van Louwmaand 1810 aan de Roomsgezinden  zal worden afgestaan". Verder werd bepaald dat "Onze Minister van den Eredienst zoodra mogelijk en na ingenomene consideratien de Hervormde gemeente te Losser een voorstel zal doen over het inrigten of bouwen van een locaal tot uitoefening van de Hervormden Godsdienst".

En zo hield ds. Hulsken op tweede kerstdag 1809 zijn laatste preek in de oude kerk. Het orgel, de banken en de preekstoel mochten worden meegenomen. Op 23 december 1810 was de nieuwbouw (de huidige hervormde kerk) al zo ver dat daarin kerkdiensten konden worden gehouden. In de tussentijd werden de godsdienstoefeningen gehouden in de grote voorkamer van het huis van Jan Teylers ! 

Op 27 juni 1809 was ds. Hulsken getrouwd met Aleida van Dienst, geboren te Bathmen op 18 december 1787. Er werden vijf kinderen geboren, waarvan de jongste niet ouder dan zeven jaar is geworden.
Het oudste kind, een zoon, Johannes Timon (15-5-1810) werd advocaat in Almelo. In het archief van de hervormde gemeente bevinden zich vele brieven van zijn hand met vaak kerkrechtelijke adviezen aan zijn vader. Deze zoon bleef ongetrouwd en overleed op 15-11-1871.
Het tweede kind is Samuel Henricus Gerlacus (4-10-1812). Deze zoon volgde zijn vader op 18 april 1841 als predikant van Losser op. Samuel overleed op 13-11-1863 in een gesticht in Deventer en bleef eveneens ongehuwd.
Het derde kind was een dochter, Maria Aleida Amelia (20-5-1815). Zij schonk in 1838 aan de Hervormde Gemeente te Losser een tafellaken en een servet om bij het H. Avondmaal gebruikt te worden. Beide waren door haar aan de vier hoeken geletterd "MAAH:1838:HERV:KERK". Volgens een aantekening van haar vader in het notulenboek van de kerkeraad had zij het garen zelf gesponnen: "hebbende ook zelve dit tafelgoed gebleekt en genaaid, nadat het ten haren kosten was geweven te Hengelo in Twenthe", Dit "tafelgoed" is thans niet meer aanwezig en heeft de tand des tijds dus kennelijk niet doorstaan.

Op 4 januari 1841 ging ds. Hulsken met emeritaat. In 1848 kocht zijn zoon Samuel voor hem het Teylershuis. Op 4 januari 1851 nam senior samen met zijn tweede dochter zijn intrek in het Teylershuis. Deze dochter Henrina, Johanna, Elisabeth, was geboren op 21-8-1886 en ongehuwd. In de familiekring werd zij "Tante Leis" genoemd. Voor de dorpelingen was het "De Juffer" of "Hulskes Leis". 

Vader en dochter schijnen zeer zuinig geleefd te hebben. Curieus is wat burgemeester Warnaars eens aan dominee Pos vertelde : De oude dominee Hulsken had de gewoonte, zo beweerde hij, als hij wandelde altijd een hand op de rug te houden en dan met duim en wijsvinger van die hand voortdurend een knippende beweging te maken. Het publiek schreef die beweging toe aan het veelvuldig tellen van geld, waarmee hij in verband met zijn rijkdom heel wat tijd zoekbracht, zo meende men.
Dat tellen moet dan plaats gevonden hebben in een klein kamertje in het Teylershuis. Daar stond volgens L.G. Poorthuis in "Het Teylershuis en zijn bewoners" (uitgave Historische Kring Losser, 1974) de schatkist van ds. Hulsken. Daar ook werden de coupons geknipt die de vertrouweling van de familie, Jan Spiele, dan de volgende dag moest verzilveren bij de Bank van ten Bruggencate in Almelo. 

(Ik veronderstelde dat genoemde Bank een voorloper was van de vroegere Twentsche Bank, op zijn beurt een voorloper van de huidige ABN-AMRO Bank. Uit informatie die ik van drs Ton de Graaf- oud Lossernaar en als bedrijfs·historicus aan het Historisch Archief van ABN-AMRO in Amsterdam verbonden - ontving, blijkt echter dat er geen Bank van die naam geweest is.
Mogelijk was Ten Bruggencate koopman/handelaar of misschien notaris die als nevenbezigheid bepaalde commissionairstaken vervulde.) 

Een andere anekdote las ik in "Losser Voorheen en Thans" (1926) van C.J.H. van Helvoort . Op het dak van het Teylershuis had ds. Hulsken een torentje met een alarmbel laten aanbrengen. Het touw daarvan kwam uit bij de bedstee en bij onraad konden op die manier de buren gewaarschuwd worden.
Blijkbaar uit vrees als gevolg van een inbraak in de pastorie in de nacht van 21 op 22 februari 1834. Het torentje met de bel, dat in 1926 al was verdwenen, is bij de laatste restauratie van het Teylershuis weer aangebracht. De versiering van de windvaan, een hulstblad, is gebaseerd op het wapen van de familie Hulsken. L.G. Poorthuis situeert de inbraak: op genoemde datum in het Teylershuis, maar dat lijkt mi onjuist omdat de oude dominee daar pas in 1851 ging wonen.

1996 3 3

Dominee Hulsken had een sterk ontwikkeld besef voor geschiedenis, waardoor veel uit zijn tijd bewaard is gebleven. Hij heeft ook zelf ontzettend vee! genoteerd. Belangrijke en minder belangrijke zaken. Papier was schaars in zijn tijd en dus duur en dominee Hulsken was zuinig, zo hebben we gezien, en daarom benut hij in notulen- en dergelijke boeken werkelijk alle "wit" gebleven ruimten om daarop aantekeningen te maken. Een voorbeeld daarvan is een bij dit artikel uit het boek met de "handelingen" van de kerkeraad. Als u uw best doet zult u vee] van de informatie, die u in het voorgaande ge1ezen hebt terugvinden. Om de aantekening over de inbraak uit 1834 te vinden en ook te kunnen lezen heeft u echter wel een vergrootglas nodig !

Behalve theoloog en geschiedkundige was ds. Hulsken ook nog musicoloog. Zo had hij een bewerking van de Psalmen en gezangen gemaakt, die door de beide laatste Bonkes, die organist in onze kerk waren, regelmatig werd gebruikt. In de Overijsselsche Almanak van het jaar 1841 wordt zijn naam genoemd bij een beschrijving van het 16e eeuwse orgel van Oldenzaal als iemand met "grondige kennis van alles wat de orgels en derzelver muziek   betreft". 

Dominee Jan Hendrik Hulsken overleed op 19 april 1876 op bijna 90-jarige leeftijd.

 

Georg van Slageren

Klootschieten in de twintiger en dertiger jaren (2)

Door een schenking kwam de Historische Kring in het bezit van een boek over de geschiedenis van het klootschieten getiteld: "Die Klootschiesser- und Bosslerbewegung in Wort und Bild; von Georg Coldewey,' Nordenham." uit 1938.
De uitvoerige bijdrage die de bekende Losserse klootschieters propagandist en klotenmaker wijlen Joh. P. Poonhuis aan dit unieke boek leverde , kon u in de vorige aflevering van "Oet dorp en marke Losser" lezen.
De Nederlandse bijdrage wordt besloten met een verhaal in Twents dialect, dat hier onverkort wordt weergegeven. 

't KLAOTSCHAETERSMAöLKEN; deur B. Kuipers

Klaotschaeten ... dat konn'n de Schurenkaampers ... Ai eer lèw'n hadd'n ze dat könt. 't zat eer, um zao te zegg'n in 't blood. De boerschopp'n, dee tegg'n eer in 't veld trokk'n, moss'n in 'n reggel ne veer laoten, dee gung'n dan ok vaak met ne luuge knip wier nao hoes.
Geld was t'r zat in de Schurenkaamperkloatschaeterspot, mennigmaol zao völ, dat ze 't mangs nig ee's opkonn'n.
Op Vasselaow'nd was 't maölk'n en wel bi 'j dat woord an ett'n mog denk'n. dee ha'r t' glad mis, want gett'n wor d'r, klaor’n en braan'wien en de leste jaor'n ok bier veur 't jonge volk. dar egn foezel meer verdregg'n kan rechtevoort.
Hessenkaampschaeper, ie wet 't wal, den kromm'n met al dee praötkes, mos twè dage van te veur'n op de fietse de heele boerschop roond um 't klaotschaetersmaölk’n an te zegg'n.
"Goonsdagmiddag um vief uur bie de Boschschoolt" was ziene bosschop dee aoweral met plezeer wör ontvang'n en met lachende gezichte.
Gen huusk'n slaög de schaeper aower, al man in de boerschop, wör naögt, allen de Pastoor nig en oet ieder hoes man en vrouw en de jong' kael's. Jonge vrollen kwamm'n d'r nig, dat was nooit gebroek west, al wadd'n ze d'r ok na nij nao.
De groot'n boer'n laöt'n zich umgaon; ze wadden met eer vieftaen'n, zaodat 'n ieder mea'n paar maol an bod was in 'n menskenlèw'n.
Vrooger lange, lange jaor'n leed'n was dat anne's west, too was't klaotschaetersmaölk'naait op Rikpaolenplaatse, men Naats zien vaar' ha'r d'r 'n end an maakt. Hoo dat komm'n was, wik ow nog effn vetell'n.
't Was aait gebroek um zat foael te dreenk'n. mer RikpaolenBets (Naats zien vaar') kraeg vuurdat 't maolk'n began 'n liter en nen halv'n oord, deer'e vot kon zett'n veur zik zöls. Dat was veur de meuit', veur de knechte en de maagd, dee moss'n  inschenk'n en 's anderdagens de kökk'n en de dell' wier moss'n klaormak'n.
Wat wol 't geval. Op nen aow'nd, nao 't klaotschaetersmaolk'm, too Rikpaolen-Bets met de knechte, de maagd en 'n stuk of wat kunnige leu nog wat zat nao te kuiern, zer de bouwknecht op ee's: "Koman boer, wi'j moss'n dat liter en den halv'n oord ok men in de piep houw'n, ik mog d'r nog wal 'n stuk of wat". Bets spuj d'r ok nig in en veurdat 'r völ weur' aower 'zegd wadd'n, stun de flesche al op taofel en was 't dreenk'n gangs.
Dat gung zao 'n keteerk'n good, tot op ee's de baow'ndeur los gung en 'n paar boschwachters binnenkwamm'n, dee al heel  gaaw ieders 'n stuk of wat börrelkes nao binn'n slaög,n en dat zao fijn vonn'n, dat ze 't 's anderendagens aoweral vetöll'n.
A gaaw gung too 't praötken deur de boerschop, dat RikpaolenBets boeten wat 'm too kwam nog 'n liter of wat meer har achterholl'n.
Bets,dee na op zien stukstun, heur'n dat, en too zöls de groot'n boer'n d'r aower sprakk'n laöt'e wetten an Hessenkaamp-Geert, Benaats zien vaar', dat ze veur 't leste op Rikpaolenplaatse 't klaotschaetersmaolk'n had hadd'n. "Zaolang mi'j de aog'n losstaot kom ie hier nig wier," har bets zegd en hè höl woord. Gen maol is nao de tied, bi'j Bets zien lèw'n, nog seend Naats boer was,het maolk'n meer op Rikpaolenplaatse west.
Goonsmiddag ... Vief uur. Boschschoolten-Dieks is drok gangs de dell' of te keer'n met nen groot'n riessbess'm. De baeste sind voord en 't melk'n is daon. Jans en de knecht voort de vèrk’n of en doot de peer'e haksel in en dan is 't werk an de kaant.
Jannaok'n en de maagd zett' de steul klaor in de kokk'n en zeukt glaeskes zaovol ze men vinn'n könt. Op ee's, heurt! "Verdikkeie daor hej 't hoornmuziek a"' rop Dieks en lop op 'n draf nao de niendeur. 'n Riesbess'm smit e in 'n hook bi'j de peerekrub en dan is e klaor un 't eerste volk drin te laot'n. Jans en de knecht loopt zich't gat oet 'n haak'n met de emmer um klaor te komm'n; en de maagd is de baow'ndeur al oet um toch veral niks te miss'n van 't muziek. "Waldeslust!" kleenkt deur 'n veuraow'nd en de baen van 't jonge volk könt zich haost nig stilholl'n. Ze heurt nig zao vaak muziek, de jonge leu van 'n Schurenkaamp.
Naöger en naöger komt de blaozers en op 't lest staot ze bi'j de Schoolt veur 'n niendeur um dan nog ee's frisch in te zett'n. Zöls Masienenhendrik, dee gen taan meer in 'n moond hef en krom löp van rumtiek en olderdorn zeenk oet valle bost met: "'k Ben nog zao jong". Van alle kaant'n lop 't volk no te haop, vol hep t'r 'n luug foezelglaesk'n in de vinger en de vrolleu draegt nen toet'n met sokker en 'n leppelk'n bi'j zik.
"Tien. twintig .. , dèttig,, vèttig .. vieftig,,negg'ntig, roezt de Schoolt' en nog alverdan komt t'r meer.
"Ik verwoch d'r 'n annerhalf honnerd" zeg Hessenkaamp op de Schoolt zien vraog'n: hoovol of d'r komm'n zolt. "Te duuvel Benaats, dan mot 'tr men wat in 'n potstal! De sterk'n hew d'r  oet daon. daor is wa ruumte". "Wer men nig bang Dieks, wi'j laot ze makk'lik in de kokk'n en op de dell'. I'j mot rekk'n "behelp'n is gen zatett'n!" "En gen zat dreenk'n d'r bi'j" lach'n Dieks.
De vrolleu en de aol'n kae'ls wadd'n in de kokk'n te haop kropp'n en op de dell' zat 't hoornmuziek en de jonge kae'ls, dee  zik te goed dedd'n an 't bier, dat in lange rieg'n van halve literkes in 'n waskehook wör bewaard. 't Gung d'r naa of op de dell', schreeuw'n en zing'n, dat ze daöd'n, 't heur'n en zui'n zol oe vegaon!
De baest' stunn'n te bolln an 'n fessel, ze wuss'n nig, wat eer an kwam, zonne drokte hadd'n ze nog nig eer met maakt.
Schoolten-Dieks was eerst'n luk verkeerd, dat ze 't zao angung'n en he schreeuw'n tegg'n Hoffinks-voorum (paardeknecht): "Dreenk dan toch koffie, a'j gen bier verdregg'n könt, wat doo'j d'r met in de hoed, i'j baandrekkels?" "Ze moss'n di'j de koffiekan um 'n hals binn'n, Dieks", schreeuw'n d'r aen, "en ne metwost d'r bi'j!" "I'j holt toch nog wal van 'n kot gebed en ne lang'n metwost?" raöp 'n anner. "Nee: 'k heb laewer wat in 't glas, want miene tong is zao druug as Sinterklaos zien gat!" "I'j zit 't ok net te kaww'n a's nen knienenram, maak toch wat an!" "D'r zit toch gen butt'n in 't bier, i'j schaet niks op". Zao raop en lach'n 't jonge volk al deur mekaa, 't was 'n lew' a's 'n oordeel.

1996 3 4 

September 1934- ontmoeting van de klootschieters uit Losser met de sporters uit Jever (Ost Friesland, Duitsland). Staande v.l.n.r.: G.J. Schorfhaar, G. Vos. G. ter Linde, H.J. Bachus, R. Tiehuis. Zittend v.l.n.r.: AIb. Lutjeboer, J.A. Stegge, Willem Morshuis, Jochem Damhuis, P. Lutke Veldhuis, J.P. Poorthuis, H. Rietman, G. Eilers en P. Meijerink.

"Bom! Bom!" gung 't op ee's. 't Oole Hessenkaamp-bennats höw met nen aol’n kloomp tegg'n de deur en met raöp'n d'r 'n paa':"Stil wedd'n!" "Kae'ls en vrolleu, ik wol oe effn zegg'n da'm van plan wadd'n um de wiew' dit maol drè stuuwer te laot'n betaal'n, dat zal, hop ik, nig te vol wedd'n; men dit wi'k oe wal zegg'n, took'n jaor zal 't daor nig bie bliev'n, as de jong' kael's wier zao albermliks vol bier in de hoed houwt, ’t schient dat ze genn'n bön in 't lief hept. Wi'j dach'n da'w nog aower zo'm holl'n, men d'r mot d'r now al hals-aower-kop aen nao 't Rao Peerd um bier. 't Is t'r glad bi'j hen' da's gen dreenk'n meer, da's ja zoep'n!"
Hessenkaamp har disse leste weur oetschreeuwt, mer an zien lachend gezicht ko'j wa zui'n, dat 't hem nig zao maent was. Ok de jong' kae'ls zagg'n niks bang oet, veural nig, too Benaats nen nij'n veurroad bier bestell'n.
Opee's sprung'n ze op en veur Hessenkaamp d'r op vedacht was, pakk'n ze'm op en draog'n ze'm op ne taofel de dell' roond. "Lang zallie leven!" raöp al' man.
Too de slepperi'j ofloop'n was, zer 't aole kaelken zoao druug vot: "'t kan 'n menske ok niks help'n, of men ow de woorhaed zeg, i'j trekt oe d'r toch niks van an, i'j zoll'n men better lostern nao mien raod, inplaats d'r ne grap van te maken, i'j bliksemsche aap'n van jong's". Too-re oetpraot was, laöpe op nen sökkeldraf nao de kökk'n, he was bang dat de draegeri'j wier vannijs zol beginn'n. "Iej hept mie daor 'n knap stel jong's op de del'!" raopede vaars en de moors too. "Doo d'r mi'j gaaw aen in, dak 'n luk bekom van 'n schrik, Dieks!" en too laöt e zik in 'n groot'n stool vall'n en hol zik of egladd'ndal op was.
In de kökk'n gugng t'r nig zao of a's op de dell', mer röstig was t'r ok nig heelmaol. An twe lange taofels zatt'n de Schurenkaamper wiew' op eer gemak te preuw'n. Braan'wien met sokker. 'n Oolderwetsch dreenk'n! Rechtevoort geft 'n luk raod van twè kwatjes de flesche, waor gen lak of smak an is, waor'j niks annes van wodt, al zoep i'j d'r ok 'n kookuuw'n vol van.
Nee, 't klaotschaetersmaolk'n gaf nog nen echten aolderwetschen, braan'wien zao a's aait.
De kae'ls zatt'n net a's de vrolleu men de sokker hadd'n ze nig in't glas. Stief an mekaa zatt'n ze en wieders was de heele kokk'n vol daamp. Tabaksdaamp. I'j koon'n em wa snièn. De Langboer met zien zwaoger de Eschboer, zatt'n veur bi'j de baow'ndeur. 't laot'n wal vuierspiende berg' zok raok'n dedd'n ze. Veural Esschinks-Jan met ziene zwokpiep' en zien rao roonde kopken laot merakel völ op zo'n klaen potkechelken. "Foezel en tebak motet wezen". "Foezel en tebak mot er zijn" zung Jan zao 'n lui in zik zöls en of t'r bi'j heur'n bromm'n langen Hein: "Stoet is snaöperi'j en koffie venijn". To 't begin d'r was kwamm'n d'r meer, dee 't op de zingspier'n kregg'n, "Tudeludelmut miem wief is zat" "'t zat bestrien op 't foezelvat" begon Timmer-Jans, men veur dat e wieder kon gaon, raöp Timmer-Sien',ziene vrouw, date zien gemak mos holl'n. "As de moor spreek, mo'k zwieg'n", zae Jans en zien leed was oet.
"Da's di'j ok men te raon!" schreeuw'n Sien. "I'j kont wa zui'n wel op de Timmerplaats de boks'hef!" zae de Eschboer druug', men 't aole Hessenkaamp nom 't veur Jans op en klopp'n em op de rugg': "Groot geliek Jans, better storm op zee a's in hoes gen vree, wat zeg i'j !' "Proost Benaats, dat zeg ik ok!" "Doe hes ze nig all', Jans··, raöp de schaeper, "wees doe dan nig wat 't sprekwoord zeg van vrolleuraod?' "Nee, wat dan?"  "Vrolleuraod en bookweitzaod is men ee's in de zöw'n jaor gaod" "Schaeper, schaeper diedeldad," "Waor hes doe diene gellige schaöpe had". "As ik oe was snieder, zo'k mi'j men stilholl'n, doe snieder wip", snauw'n de schaeper en now kon zöls de Boschschoolt nich laot'n um d'r tusken te komm'n en hè riem'n "Snieder, snieder" "Maak mi'j bokse wieder" "Maak em mi'j nig al te wied" "Dan wor ik de bokse kwiet".
Now begon 't Hessenkaamp toch 'n luk te vervelen en hè raöp dat alman 't heur'n kon: "Alla Dieks! d'r wodt nig meer droonk'n, scheenk ee's in, ze zit al tegg'n mekaa ante kwebbel'n wi'j kriegt n' foezel nig ee's op! Dat laöt'n ze zik gen twèmaol zegg'n, all' draöpkes wodd'n opdroonk'n en de Bosschschoolt met de maagd gung'n wier met de flesche roond.
Op de dell' was ’t ok 'n luk röstiger wodd'n. 't Frisge bier was komm'n en de halve literkes begonn'n al aorig wier op te schaet'n. "Dot 't muziek niks meer, ik heur ze in 't g'eels nig meer blaozen, ' schreeuw'n 't aole Slinderbuurk'n dat annes van zien lèw'n gen stom woor zae, en ok 'n luk mood begon te krieg'n. I'j begriept, dat dit de jongs na aower de hâân was, en 'n aog'nblik later blaoz'n ze, a's of ze d'r 'n hemmel met ve'daen'n moss'n.
't Bier gaf am'zuur genoog en too 'n Duutschen polka wör in'zet, konn'n zols de wiew' in de kökk'n de baen nig meer stillholl'n en veur en nao draej'n d'r stiekum aen nao de dell' um 'n maol te könn'n daans'n. 't Doer'n nig lang of Timmer-Sien draej'n in 't roond' met Boschschooltenjong, Rikpaolen-Na met Bultsboers-Bets en Esch-Hanna met Laokvörschen-Beernd, Mans zien'n zön, 'n veropschaeter oet de boerschop.
De dell' wör haost te klaen, too ok Snieders-Anneke met Naatshoes zienen Geert en 't Rao-Peerd Betsen-Trui met Hessenkaamp-Schaeper d'r tusken woll'n komm'n. Ze trapp'n mekaa iederbod op de taen' en dan schreeuw'n ze 't oet, nig urn de zeerte men urn de ballasteri'j veral. Betsen-Trui dee polka har, gung 't na te keer en 't aole Benaats kon 't nig laot'n um harop te zegg'n: "Vrooger hadd'n de vrolleu laank haor en 'n kot verstaand, men now ze 't haor kot hept is 't verstaand gladd'ndal vot".
"Wat aold is, dat bromt geern, dat ka'm an di'j wal zui'n", vol de Bekboer in, men Benaats, ok nig mis: "Geliek hes en wat joonk is, dat spolt geern, dat zös wal an Bekkinksvrouw". De Bekboer kraeg nen kop a's nen boll'n, want zien wief, het aolste en lillikste vrommes dat d'r bi'j was, was zao oetgelaot'n a's 'n joonk wicht.
't Foezelscheenk'n en 't bier dreenk'n gung deur, d'r kwam hoo langer ho meer wil, ok in de kökk'n waor Schuppen-Konnik, dat was Hessenkaamp ziene voorum, 't grötste woord har. De kae'ls lagg'n mangs laankverrekkend op de vloor et lach'n, a's Schuppen-Konnik an 't vertell'n was aower de tied, dat e nao Hollaand gaon har en grösmaej'n en van vrooger too dewitten wiew'n nog in de Haa wadd'n.
't Daans'n was daon en zweetend a's nen otter kwamm’n de kae'ls en vrolleu de kökk'n wier in urn nog 'n sluksken te nemm'n. "Men kan wal zui'n da'j nog nig behekst sind", raop Schuppen-Konnik lach'nd "annes zweet'n i'j nig zao".
Hessenkaamp wor stiller naodat zienen voorum meer oetlaot'n wor en he zag op 't hollozie, he har nen hekel an donne leu. "lk glaöw, da'w aowerslag maakt urn nao hoes te komm'n, 't is kwat veur elv'n en maanvroo is 't wier vroo dag". Ok Boschschoolten-Dieks was't zat en nog 'n paa aole leu meer woll'n vot. Hessenkaamp nöm de tang', slaög 'n paa maol tegg'n 't kleedsel van de hiel en too zonner völ weur' zaere: "Kae'ls en vrolleu, 'tis good west, wi'j gaot nao hoes". Too straed e met de tang in de voest de kokk'n in en a's nen schaeper de schaöp', draef e joonk en aold veur zik oet, "Hessenkaamp drif oons d'r oet, men jao, he hef d'r 't recht too!" raop d'r nog aen, too Benaats de Niendeur op de pin dae.
'n Half uurk'n later was 'n Schurenkaamp in de röst.

Thea Evers

Uit de krant van 100 jaar geleden

 

J.A. Warnaars 25-06-1870 19-11-1906Losser, 21 juli 1895. Gisteren herdacht onze burgemeester, de heer J.A. Warnaars, zijn 25-jarige ambtsvervulling. J.A. Warnaars, burgemeester van Losser 1870-1906.
De straten waren allerwegen met groen afgezet, terwijl de vlaggen overal wapperden. Te 9 uur des morgens klonk het klokgelui.
Kort daarop reed het muziekkorps der schutterij uit Enschede het Dorp binnen.
Tegen 10 uur was de optocht gereed en ging het met de muziek voorop naar de woning van den jubilaris. De stoet werd gevolgd door de schooljeugd, allen van vlag of vaandel voorzien, het onderwijzend personeel en de leden der feestcommissie.

Op de bestemmingsplaats aangekomen werd door een der meisjes aan de echtgenoote van de jubilaris een fraai boeket aangeboden, terwijl de overige kinderen feestliederen zongen en het muziekkorps onder directie van den beer Roetering Schiinlau eenige stukken speelde. Het hoofd der dorpsschool de heer H.J. Bouwman, wenschte in kernachtige bewoordingen den jubilaris en diens echtgenoote geluk namens de schooljeugd.
Om 11 uur werd op het feestterrein door genoemd muziekkorps een matinee gegeven. Om 11 uur gingen de raadsleden den voorzitter van hun college geluk wenschen en boden hem een fraaie nickel vulkachel ten geschenke.

Om 12 uur werd door een deputatie uit de leden der feestcommissie den jubilaris het geschenk aangeboden, hetwelk hem door de gemeentenaren was vereerd. Het bestaat uit een fraai eikenhout ameublement en schrijfbureau, alles in Vlaamsch - reaissance stijl, afkomstig uit de fabriek van de heeren F.J. Schoemaker & Zonen te Zwolle.

Te 3 uur had de optocht, waaraan alle liefhebbers konden deelnemen, plaats; daarna eenige vermakelijkheden op het feestterrein, waarbij het muziekkorps een concert gaf.
Nadat om 9 uur des avonds een luisterrijke fakkeloptocht was gehouden, werd het feest besloten met een schitterend vuurwerk, hetwelk in alle opzichten een ieders verwachting overtrof.

Aldus de Tubantia van 100 jaar geleden.

Thea Evers

 

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.