Een boerderij uit ca 200 voor Christus

OPGEGRAVEN TE LOSSER-ZOEKER ESCH

A.D. Verlinde

In maart 1996 werden bij de eerste grondverzet werkzaamheden voor het nieuwe industrieterrein aan de Broekhoekweg (Zoeker esch) sporen gevonden van bebouwing daterend uit de ijzertijd. Drs. A. Verlinde, als archeoloog verbonden aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, had voorafgaande aan deze eerste werkzaamheden de gemeente reeds attent gemaakt op de mogelijkheid van interessante bodemvondsten. Heel terecht, zoals al gauw bleek toen de werkzaamheden waren begonnen. Graag betuigen wij de heer Verlinde onze dank voor het interessante verslag van deze opgraving, dat hij zo vriendelijk was om aan ons op te sturen en dat wij onderstaand graag voor onze belangstellende lezers laten volgen. Ongetwijfeld heeft het de heer Verlinde de nodige moeite gekost er tijd voor in te ruimen binnen de werkzaamheden van zijn ongetwijfeld stevig bezette dienstrooster. 

De redactie 

Inleiding
In overleg met de heer T. Meyer, contactpersoon voor de archeologie bij de gemeente Losser, werd de bebouwing van de Zoeker esch aan de zuidwest zijde van Losser afgewacht.
Daardoor kon op een redelijk goed tijdstip een verkenning in de net uitgegraven wegcunetten plaats vinden. In de cunetten werd onder het dunne esdek, in het onder liggende dekzand, een beperkt aantal grondsporen en vondsten uit de ijzertijd vastgesteld. Op een plek in de cunetten leek een structuur aanwijsbaar, wat bevestigd werd bij het opschaven van de plek.
Een acuut nood opgravinkje volgde, waarbij dankzij plaatselijke verbreding van het cunet een vrijwel complete huisplattegrond kon worden vrij gelegd, zijnde de eerste uit de gemeente Losser.
De opgraving vond plaats op 21-22 maart 1996 en was niet mogelijk geweest zonder de inzet van een groepje amateurarcheologen van de AWN en van de Historische Kring Losser, alsmede door de goede samenwerking met de gemeente en (personeel) van aannemer Temmink. Bijna al de grondsporen behoorden tot de voormalige boerderij; er hoefde dus geen moeizame reconstructie uit een overmaat aan grondsporen te worden uitgevoerd, wat de betrouwbaarheid van de plattegrond alleen maar ten goede komt. Alleen een gelukkig zeer ondiepe Middeleeuwse greppel, die dwars door de plattegrond heen liep, zorgde voor enig 'ongemak'. Gevonden zijn de grondverkleuringen, die in het zand achter bleven op de plekken, waar de wandpalen en dragende palen van de prehistorische boerderij destijds zijn ingegraven. Voor een goede voorstelling van zaken is het goed te weten, dat de gevonden grondsporen in het schaafvlak, direct onder het esdek lagen, dat is 20-25 cm onder het prehistorische loopvlak. Alle ingravingen, die destijds minder diep waren, zijn dus niet gevonden, omdat zij tijdens het ploegen in de Middeleeuwen zijn verdwenen. 

De boerderij-plattegrond: woongedeelte en stal
De plattegrond, dus ook de prehistorische boerderij, heeft zoals gebruikelijk een rechthoekige omtrek. De lengte bedraagt 22 m, de breedte 6 m. Deze afmetingen mogen normaal worden genoemd voor de betreffende periode. De boerderij lag oost-west  georiënteerd. De plattegrond valt heel duidelijk in twee helften uiteen, hetgeen dus wijst op twee verschillende bouwwijzen van de boerderij. In de west helft is een (soms onderbroken) vrij diepe wandgreppel aanwezig, waarin of waartussen soms dieper ingegraven paalkuilen aanwijsbaar waren. Binnen deze helft zijn niet of nauwelijks verkleuringen van dragende binnenpalen gevonden. Die zullen er dan ook niet geweest zijn, anders hadden ze in de opgraving niet gemist kunnen worden. Kort buiten de wand hebben hier en daar ook palen gestaan, kennelijk steunpalen voor de wandpartij. De westelijke boerderij-helft stelt ongetwijfeld het woongedeelte voor, omdat in huisplattegronden heel vaak het woongedeelte de minste binnenpalen heeft. Er is binnen de boerderij op de Zoeker esch geen haardplek gevonden, die deze conclusie zou kunnen bewijzen. Helaas werden prehistorische haardplekken slechts zelden voldoende diep ingegraven, zodat archeologen ze ook maar zelden kunnen ontdekken. De wand van de oosthelft van de boerderij-plattegrond bestaat uit los van elkaar staande paalkuilen, waardoor in deze boerderij-helft de precieze plaatsing van de wandpalen te achterhalen is. Ze blijken dus dicht opeen te hebben gestaan. Soms stonden twee palen zo dicht bijeen, dat de voor hun plaatsing gegraven kuilen, tezamen een grotere kuil vormden. In deze boerderij-helft zijn duidelijk drie rijen kuilen voor binnenpalen te onderscheiden. Een rij paalkuilen ligt precies op de midden-as van de boerderij; deze palen stonden dus onder de nok(balk) en zij stonden 3 m uit elkaar (hart tot hart). 1-1,5 m binnen de beide lange wanden ligt eveneens een rij paalkuilen; zij liggen 1,5-2 m uit elkaar. De palen van deze beide rijen stonden tegenover elkaar. Zij zijn bovengronds zeer waarschijnlijk door dwarsbalken . verbonden geweest om stevigheid aan de constructie te geven eni wellicht ook om een zoldervloer te dragen.
Het patroon van de gebinten levert dus een behoorlijk regelmatig beeld op. De beide laatst genoemde paalrijen van het 'veerkante werk' verdelen dit boerderij-gedeelte in drie lange stroken. Daarom spreken we van een drieschepige boerderij.

Als de nokpalenrij ook wordt meegerekend. wat men niet altijd doet, dan is er zelfs sprake van een vierschepig boerderij-gedeelte. Deze drie- of vierschepige oostelijke boerderij-helft stelt ongetwijfeld het stalgedeelte voor, waarbij het midden-schip dan is aan te duiden als de deel. In de beide zijschepen moet dan het vee hebben gestaan, net als in min of meer recente boerderijen. De functie van het stalgedeelte wordt onderschreven door twee sleufvormige grondsporen dwars op en in het zuidelijke zijschip. Dit soort grondsporen wordt algemeen verklaard als ingegraven houten schotten van veeboxen.

Kennelijk zijn de schotten van deze ene vee box van 1-1,5 m breedte, dieper ingegraven dan de overigen. Middenin de lange zijden van de boerderij, tussen het woon- en stalgedeelte liggen twee toegangen van 2 m breedte tegenover elkaar. Aan de grote paalkuilen ter weerszijden van deze toegangen is duidelijk te zien, dat zij een versterkt element in de constructie vormen. In de langwerpige kuilen hebben tenminste twee palen gestaan. Het is heel goed mogelijk, dat elders in de wanden ook nog deuren hebben gezeten, maar dat is van de plattegrond niet af te lezen.

1996 3 1

Losser-Zoeker es. Getekende boerderij-plattegrond, schaal 1:200.
Zwart= ingqraven grondsoorten van de boerderij.
Wit= overige grondsporen of paalgaten binnen paalkuilen van de boerderij.
Dunne lijn = begrenzing schaafvlak. 

In dat geval zal her gaan om zogenaamde mandeurtjes. Over de bovengrondse bouw van de boerderij zijn geen directe aanwijzingen gevonden. De wanden zijn het meest waarschijnlijk opgebouwd van vlechtwerk tegen/tussen de dragende palen, die bestreken waren met aan de lucht gedroogde leem. Misschien zijn die lemen wanden zelfs voorzien geweest van balkjes, in welk geval men van vakwerkbouw kan spreken. Ook is het niet uit te sluiten, dat althans een deel van de boerderijwand is opgebouwd van planken. Het dak moet gedekt zijn geweest met stro of riet, minder waarschijnlijk met plaggen, die merkbaar zwaarder zijn. 

Datering en ligging van de boerderij
De datering -van de boerderij is niet te bepalen met de C-14 methode of een andere natuurwetenschappelijke methode bij gebrek aan uitgangsmateriaal, zoals houtskool. Op grond van de scherven van aardewerk uit en bij de grondsporen is een  datering uit de IJzertijd zeker, dat is tussen ca 800 v. Chr. en 0. Het is de structuur van de boerderij(plattegrond) zelf, die de beste datering levert, en wei in de late IJzertijd, dat is in de laatste twee eeuwen voor het begin van onze jaartelling. De Losserse boerderij komt, althans binnen Twente, nog het beste overeen met de oudste boerderij, die in 1972 in Denekamp de Borchert is opgegraven dus eveneens gelegen aan de Dinkel.
Die boerderij is toen gedateerd in de midden of late IJzertijd.

De vondsten bij de boerderij uit Losser zijn nogal schaars. Behalve een beperkt aantal scherven van aardewerk (vaak met besmeten oppervlak) en steenfragmenten, leverde de noordelijke ingangspartij een flink brokstuk op van een maalsteen van bazaltlava (officiële aanduiding: tephriet). De betreffende maalsteen is destijds aangevoerd uit het Midden Rijngebied, waar deze steensoort vanwege zijn goede eigenschappen al vanaf de latere prehistorie werd geëxploiteerd. Het resterende deel van de Zoeker esch. pal ten zuiden van de Broekhoekweg gelegen, leverde dus (slechts) een huisplattegrond op. Die zal naar schatting 20-30 jaar, gedurende een generatie, hebben gestaan volgens de geschatte levensduur van een boerderij van deze constructie. De vraag rijst of deze boerderij hier alleen heeft gestaan dan wel deel uitmaakte van een grotere nederzetting. En werd deze boerderij vervangen door een opvolger in de buurt of had hij al een voorganger? Deze vragen zijn niet met zekerheid te beantwoorden, daarvoor is het onderzochte areaal te beperkt geweest. Wel was vast te stellen. dat er onder het westelijk deel van het es-restant, nauwelijks grondsporen en vondsten aanwezig waren. In oostelijke richting is dat minder zeker, daar kunnen best meer, maar niet veel bewoningssporen aanwezig zijn. De indruk is dan ook, dat we hier onder de Zoeker esch te doen hebben met een vrij incidentele en kleinschalige bewoning. Dat kan zijn oorzaak vinden in het feit, dat deze es, deze boerderij , toch een kleine kilometer van de Dinkel af ligt. De meeste prehistorische bewoning in het Losserse moet dicht langs het Dinkeldal zijn voorgekomen (vooral onder het essenlint langs de Dinkel), zodat de nu aangetroffen boerderij in die tijd een ietwat afzijdige ligging vertoonde. Over het fijne ervan, want we blijven 'doorvragen', kunnen we echter alleen maar speculeren.

 

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.