Oet Dorp & Marke 1996-4

Uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente

Zoals ik in mijn vorige bijdrage voor "Oet dorp en marke Losser" schreef, waren er van 1638 tot 1863 dus gedurende twee en een kwart eeuw, drie koppels "vader en zoon" die praktisch onafgebroken de predikantsplaats bij de Hervormde gemeente Losser bezetten. Steeds is het de oudere geweest die de belangrijkste rol heeft gespeeld. Het eerste van die koppels werd gevormd door vader Theodorus en zoon Henricus Froen. Overigens wordt de naam ook wel geschreven : Vroen, Fran, Frohn, Froon. Ik schrijf de thans in Losser gebruikelijke naam Froen, die ook voorkomt op de brandklok in de Martinustoren.

Georg van Slageren

Dominee Froen
Theodorus Froen was afkomstig van Steinfurt. Hij studeerde in Steinfurt en in Groningen. Nadat hij zijn studies met goed gevolg afgesloten had keerde hij in 1635 terug naar Steinfurt om er praeceptor van de vijfde klas van het Arnoldinum te worden. In september 1637, hij was toen inmiddels rector van de Latijnse school in Oldenzaal geworden, verzocht hij de Deventer classis het preparatoir examen te mogen doen. Op 22 oktober 1638 werd hij door de classis aangesteld als predikant van Losser. Theodorus Froen was daarmee al de vijfde predikant van onze gemeente sinds de Reformatie in het jaar 1598 in Losser haar intrede deed. Met Froen brak echter een periode van stabilisatie aan.

Theodorus Froen trouwde in 1639 met Marijken Vos uit Bathmen. Er werden (tenminste) twee zonen geboren:
- Derk; koster en schoolmeester te Losser.
- Henricus; opvolger van zijn vader als predikant.

Als predikant maakte Theodorus Freen beide Munsterse invallen (1665 en 1672) mee. Vooral de eerste trof Losser zwaar. Troepen van Bisschop Chistoph Bernard van Galen staken in 1665 zowel de kerk als 40 a 50 woonhuizen in brand.

Over deze gebeurtenis en over de persoon Dominee Froen laat ik nu eerst ds. V.E. Schaefer aan het woord ("Ons Blaadje" van 27 mei 1938).

"Van 1638 tot 1676 dus gedurende 38 jaren heeft hier gestaan ds. Theodorus Froon, uit Steinfort overgekomen. Uit alles krijgen we de indruk dat dit geslacht Froon een kloek en volhardend geslacht is geweest. Ds. Theod. Froon heeft den inval meegemaakt van Bernard van Galen, bisschop van Munster. In een oud handschrift, door ds. Hulsken Sr. in het huis van Herm. Lippinkhof gevonden ·was het volgende opgetekend: "Anno 1665 in den nacht van goedensdag op donderdag na Losser kermisse is die Vorst of Bisschop van Munster (Komende van Brandlecht) in Losser gevallen und tusschen 40 und 50 huizer verbrand und die kerke und toren verbrand, die klokken gesmolten, de Twenthe und Drenthe biss tot Wijnschotten in Groningerland offgeruvet ( geroofd) und geplundert, namen Oldenzel, Ootmarsum und alle kleine stedekens in und musten zwaare kontribuytien geven. De marke of kerspel Losser moste geven alle weken van de maent Desember 1665 tot den April 1666 40 rijksdallers 35 stuv. twintig mudde und 7 spint haver, 2426 pond hoy alle weken buten koekenstuer (keukenbelasting) und schadengeld. De kerke was full gebracht van kisten und kasten, kettel und patten, linnen und wollen, beddinghe, uthgeplundert und verbrand, alle beesten und peerden weggevueret, behalve de in de graefschap Bentheim gevluchtet."

Voor die tijden was dit wel een ontzaglijke ramp. Daarom worden wij stil, wanneer datzelfde handschrift doorgaat, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was:

"Anno 1666 den 20 September is onse Losser Clocke de eerste weder gegoten up donderdag."

Is het niet geweldig? Vijf maanden na het vertrek der benden van Bernard van Galen - terwijl de menschen zooveel huizen hadden op te bouwen en zooveel schade hadden geleden, is blijkbaar de kerk en de toren weer hersteld en wil men weer een klok in de toren hebben! Het is wel een geslacht geweest van aanpakken en doorzetten. Want wij lezen verder in het handschrift:

"Anno 1667 den 31 August is de andere und groteste clocke up Saterdag in den toren gewonden welker eerste gotte den meister mislukkede; doch is na dezelfde vorme gegoothen en up Sundag den I September de eerste reize up den toren, met gelueth. Den 5 September up donderdag sloeg de clocke ĖĖne met het nije uurwerk de eerste reize. Op den 10 Sundag na Trinitatis ( elfden zondag na Pinksteren) op Sunt Michelydag is de eerste predige gedaan op den nije predichstoel. Voort daarna is de kleinste clocke gegoten."

Wij meenen, dat wij het tegenwoordig heel wat vlugger afkunnen dan vroeger; maar zulke simpele feiten maken ons toch wel stil en bewonderen wij de voortvarendheid en doortastendheid van het voorgesla cht in moeilljke en gevaarvolle tijden ". Het herstel van kerk en klokken ging de financiele draagkracht van de kleine en arme Hervormde gemeente Losser overigens verre te boven en daarom werd in de gehele provincie Overijssel en in de graafschap Bentheim een collecte gehouden. Het is erg jammer dat het archief van de Hervormde gemeente op dit punt niet volledig is. Zoals ik in "Oet dorp en marke Losser" 1994/1 schreef is de verantwoording van de opbrengst van de collecte verdwenen. Uit de stukken van de in het begin van de 19e eeuw gevoerde processen om de kerkegoederen blijkt dat die verantwoording er toen nog wel was. Het was een in een bruin lederen band gebonden boekje. Mocht u dit boekje op zolder hebben liggen dan weet u wie u er een plezier mee kunt doen .. .. ! Ook de rekeningen van de herbouw van de kerk zijn verdwenen. Hoe men in Losser en bijvoorbeeld in Groningen (na het bombardement tijdens de tweede inval in 1672) over Bisschop van Galen dacht blijkt uit de bijnamen die hij verwierf ("Bommen Berend", "Berendke de koedief"), maar ook uit onderstaande spotprent. Draait men de afbeelding om dan ziet men een varkenskop.

1996 4 011996 4 02

Dat je precies dezelfde gebeurtenis ook met heel andere ogen kunt zien, blijkt uit Losser voorheen en thans", deel II (Losser 1981; nog verkrijgbaar bij de Historische Kring!). Op blz. 57 e.v. bespreekt C.J.A. van Helvoort daar de moeilijke positie van de katholieken na de in voering van de Reformatie in Twente. Hij schrijft:

Maar het was vooral de bisschop van Munster, Graaf Bernard van Galen waaraan onze Twentse katholieken zulk een grote steun hadden. In 1656 diende hij aan velen het vormsel toe. In 1660 bracht hij aan de Paus verslag uit, waarin hij over onze grensstreek zegt, dat zijn zegenrijk werkt, dat vele a.fvalligen zich bekeren en vele wankelen niet tot de afval komen, dat duizen- den uit de Nederlanden in de grensstaties de godsdienstoefeningen bijwonen en er de processies volgen. In 1665 valt deze prinsbisschop, die tevens wereldlijk heerser van de Munsterlanden is, de Achterhoek alhier binnen, naar men zegt om zijn oude rechten op Borculo en Lichtenvoorde te doen gelden. Hij heeft hierbij ook oog gehad voor de slechte godsdiensttoestanden in Twente, dat hij meent dat door de Paus aan zijn goede zorgen is toevertrouwd, nu het aartsbisdom Utrecht is opgeheven en de door Philips II aangestelde bisschoppen door de Paus niet zijn erkend.

Bij de inname van Losser op 24 September 1665 springen zijn soldaten uit de band. Zij stichten brand in toren en kerk en plunderen daar wat door particulieren ter beveiliging van hun bezit er is bijeen gebracht. Een aantal huizen wordt voorts nog door brand vernield. Het is niet op bevel, zelfs niet met instemming van de veldheer geschied, maar voor de calvinistische reclame is het te mooi om niet tot een drama te worden opgeschroefd. Men moet zoiets op de schouders van de bisschop van Munster schuiven. Berendke de Koedief heeft een ramp over het kleine dorp gebracht en dit zal tegenover de katholieken worden uitgebuit.
De overlevering heeft er ons het volgende rijmpje van nagelaten:

"Berendke van Gaolen stak Loster in braand,
Jaag den schelm noar 't Munsterlaand."

Een oud handschrift van Hermanus Lippinkhof, die in 1743 stierf en dus niet uit eigen waarneming de voorvallen van 1665 kan weten, maar die ze toch zeker uit de eerste hand van zijn ouders zal hebben vernomen, geeft de grondslag aan van deze overlevering als we daar lezen: (zie hiervoor in de van ds. Schaefer geciteerde tekst, die hetzelfde handschrift aanhaalt)

In Mei 1666 wordt de vrede van Kleef gesloten en Twente treedt weer voor de zoveelste maal onder het Staatsbewind. De vervolging der katholieken kan weer voortgaan.

De ramp van Losser moge voor de betrokkenen dan al ernstig zijn geweest, men moet zich in deze toch wel voor overdrijving hoeden en er niets anders in zien dan een gewoon oorlogsverschijnsel dier dagen. Uit het aangehaalde handschrift van Lippinkhof blijkt verder dat op 31 Augustus 1666 (het jaartal moet zijn 1667! GvS) te Losser de torenklok aam de voet van de toren is gegoten en dat alle klokken op zaterdag 1 September voor de eerste maal in de toren weer geluid hebben. Het nieuwe uurwerk was toen ook al aanwezig. Op St. Michilydag 1667 is op de nieuwe preekstoel in de kerk de eerste preek gehouden. Het verbranden van toren en kerk kan dus niet zo groot geweest zijn als men alles binnen een jaar (moet zijn twee jaar! GvS ) weer heeft hersteld, te meer als men er rekening mee moet houden, dat in dit tijdsbestek de overgang van katholiek naar protestant weer moest plaats vinden.
Bij de vergelijking van de teksten van de Hervormde dominee Schaefer en de rooms-katholieke burgemeester Van Helvoort moeten we wel bedenken dat ze beide stammen uit de jaren vóór 1940. Een tijd waarin katholieken en protestanten heel anders over elkaar dachten en met elkaar omgingen dan in de tegenwoordige tijd. Ik ben van de verhouding tussen protestanten en katholieken in Losser (door de eeuwen heen!) al vele "aardige" voorbeelden tegengekomen en hoop daarover ook nog eens wat te schrijven. Dat zal dan zeker gebeuren vanuit de achtergrond van de huidige verhoudingen.
Aan ds. Theodorus Froen herinneren ons dus allereerst de klokken in de Martinustoren en verder de preekstoel, waarop hij in 1667 (in de oude Kerk) het eerste heeft gepreekt en die nu in de kerk aan het Raadhuisplein staat.

Op de zgn. brandklok, die oorspronkelijk in 1666 gegoten is, staat zelfs zijn naam te lezen: "TheoDorVs froen Minister Jes V Christl est in Losser 1666 " (Theodorus Froen is dienaar van Jezus Christus in Losser 1666).

Aan dominee Froen herinnert ook het kerkzegel van de Hervormde Gemeente Losser dat voorkomt op de grote klok in de Martinustoren en dat wellicht door de oude predikant zelf is ontworpen. Op die grote klok staat: "Jan Fremy me fecit", dat is: Jan Fremy (een bekende klokkengieter) heeft mij gemaakt en daaronder Ao 1676.

1996 4 03

Dit jaartal is volgens sommigen een vergissing: de klok is immers volgens het eerder aangehaalde handschrift op 31 augustus 1667 gegoten. Een opvatting die door Jan Poorthuis - en wie zou bet beter weten dan hij - wordt bevestigd in Oet dorp en marke Losser, jaargang 1992 no 1.

Op deze klok bevindt zich aan de andere zijde het zegel van de Hervormde Gemeente. Van dit zegel heeft mej. J.E. Evelein te 's-Gravenhage, een nicht van ds. Schaefer, omstreeks 1930 een tekening gemaakt en het omgewerkt tot een stempel waarvan u hiernaast een afbeelding ziet.

Dominee Schaefer schrijft over dit zegel in 1935 in Ons Blaadje het volgende: "Het zegel vertoont de vorm van een kruis, met in het midden een engelenhoofd. Dat engelenhoofd zegt, dat de klok het Evangelie, de blijde boodschap van het Kruis moet uitroepen (Engel is in het Grieks boodschapper). De boodschap van het Kruis of liever van de Gekruisigde, die de enige Losser of Verlosser der wereld is.
Rondom op de vier armen staan vier engelenfiguren, die waarschijnlijk de vier Evangelisten aanduiden, die dezelfde boodschap van het Kruis of de Gekruisigde brengen en deze met schalmeien, het instrument, dat de vrede uitroept, verkondigen. De vier engelen zijn omrankt met wijnranken en korenhalmen; dit zijn de zinnebeelden van Brood en Wijn of van het Heilig Avondmaal. Wanneer wij zo dat oude zegel bezien van de Enige Losser der Wereld dan treft ons niet alleen de mooie uitwerking der gedachte maar bovenal de diepe, echte vrome zin, die in dat zegel is gelegd.
Van die vrome zin getuigen ook de verdere opschriften op de klok aan dezelfde zijde, waar staat: Mortuus et vivus sum maneoque tuus: Esto memor vitae moriens bene sic morieris dat is: "In leven en sterven ben en blijf ik de Uwe: Wees stervende gedachtig het eeuwige leven, zo zult gij in vrede sterven".
Laat ons het oude zegel niet aileen als een mooi overblijfsel uit oude dagen beschouwen, maar laat ons trachten ook in diezelfde vroomheid te staan en te leven en te sterven", zo besluit ds. Schaefer zijn artikel.

Theodorus Froen is overleden in Losser op 7 september 1679. Zijn zoon Henricus Froen werd ongetwijfeld in Losser geboren, maar diens geboorte- of doopdatum heb ik niet kunnen achterhalen omdat het oudste doopboek "pas" van 1685 (de tijd dat Henricus zelf al predikant in Losser was) dateert. Wel is bekend dat Henricus studeerde in Deventer en in Groningen. Deze studie werd in het begin mede mogelijk gemaakt door de inkomsten die hij genoot uit de Vicarie(goederen). Aan deze inkomsten kwam, volgens een in het archief bewaard gebleven brief uit 1668 een einde toen de kerkmeesters van Oldenzaal (!) aan vader Theodorus berichtten dat zij de vicarie nu hadden geconfereerd (begeven) aan zoon Hermannus van hun predikant Gerlacus Gerlaci.
Deze Hermannus ving zijn studie aan de Illustre School te Deventer aan op 17 augustus 1668.

Omdat de oude Froen het werk als predikant "wegen de swackheidt sijnes lichaems" nog slechts moeizaam kon verrichten, benoemde de gemeente van Losser Henricus op 30 maart 1676 als adjunct. De classis stemde hiermee op 4 april in en na een peremptoir examen op 17 mei kon Henricus in juni 1676 door ds. Condewijn uit Hengelo worden bevestigd.
Voorlopig moest Henricus het nog met een zeer bescheiden traktement zien te rooien. Na het overlijden van zijn vader in 1679 genoot hij het volledige traktement.
Misschien dat hij door die twee feiten in staat was een huis te bouwen?

Vermoed wordt namelijk dat in zijn opdracht het zgn. Froenshuis gebouwd werd. In deze woning, gelegen tussen het Aleida Leurinkhuis en het Teylershuis, is nu het makelaarskantoor van de Hakenberggroep gehuisvest.

Henricus Froen overleed op 5 maart 1696. Hij liet Aaltje Kerkhoff als weduwe achter.

Salon voor scheeren en haarsnijden

Jan Brilman

Het was in de dartiger joar'n van de twintigste eeuw, toen 'n kapsalon nog "Salon voor scheeren en haarsnijden" weur neumd. De leu leut'n zich de hoar nich knipp'n, nee, zee gung'n hen hoarsnie'n. Dat gung gewoon met nen kam, nen scheer en 'n scheermes, en later ok met nen 'handtondeuze'. D'r weur zo völ mogluk ofdoan, want dan hoom'n dat nich zo vaak. 't Kost'n ait nog 'n dubbelke tot viefteen ceant en dat was toenmoals nog wa 'n hoap geald. Toch waar'n d'r ok wa leu dee 't er nich zo kaal of woll'n hebb'n. Dan weur d'r gewoon 'n wat grov're kam oonder de scheer hoald'n. 

Wat noe nen kapper is, was toenmoals 'de scheerbaas' of 'de barbier'. De "salon" weur 'scheerkamer' neumd. En in de scheerkamer was 't ait gezellig. Het was 't er woarm, want 't kachelke braand'n egoal en 't kettelke met water wat 't er op stun zung gesteug zien eentonig leedke ... Mangs heul 't zing'n efkes op, want dan weur 't deksel opbeurd om 't scheermes in 't kokkende water te stipp'n. Dan snee 't mes better en 't ontsmett'n meteen.
't Scheer'n was veur de scheerbaas zien hoofdinkomm'n.
Hoarsnie'n weur nich zo vaak doan: dat kon nog wa zitt'n! D'r warr'n ok wa leu dee 't zulm dead'n. Veural bie de keender, want doar kwam 't er nich zoa slim op ,n, dat stak nich zo net.

Het verhaal gung toenmoals, dat 'n oal'n Eksterkate de leu ne bloompot op 'n kop zett'n en al de hoar dee d'r oonder oet kwam d'r gladweg ofknipp'n. Zoa ak al zegd heb: 't scheer'n doar kwam 't bie de barbier op an. 'n Board mös d'r vol vaker of. Eén moal in de wek was wa 't minste. 'n Scheerbaas had meestal dree soort'n scheerklaant'n. Gewone arbeidersleu, dee nauwluks 't zoalt in de pap konn'n verdeenen en dee zich mer eenmoal in de wek leut'n scheer'n. Dat gebeurd'n aait op zoaterdag, want dan konn'n ze zundaags glad noar de keark.

Mölnbrooks Beernd dee met kuiern ietskes anstött'n zèèr ait: “D dan is d de p pastoor mie nich te g glad of!" Dat scheer'n kost'n in dee daag'n zes ceant en dat weur meestal direct betaald. Mer 't kwam ok nog wal is veur, dat d'r weur vroagd: "Jan is 't wa good, dat ik 't diej de volgende wek d'r biej doo? 't Koomp mie disse wek naar slecht oet." 't Was de scheerbaas ok wa good oetkomm'n as hee 't geald wa had kreng'n, mer hee zeer dan heel gootmeurig:"Ie doot mer jong, dat koomp wa good!" Dan waar'n d'r ok klaant'n dee tweemoal in de wek kwam'n: op woensdag en zoaterdag. Dat was de zg. 'kleine middenstand': de petroleumventer, de bakker, de melkboer, de portier van 't fabriek, 'n gepensioneerde koloniaal, 'n kruidenier enz. En dan waar'n d'r nog leu dee zich dreemoal in de wek de board leut'n ofkrabb'n. Dat weur dan op dinsdag, donderdag en zoaterdag doan, zodat ze de hele wek glad um 'n snoet'n waar'n. Dat waar'n de zg. gegoode leu, ok wade leu-in-better'n-doon neumd, de grote middenstand: de boaven-measter, de bookhoalder van 't fabriek, de notaris, de hotelhoalder en 'n stuk of wat grote boer'n. Meestal wa leu met oetstoand geald.

Zoaterdags was 't 'n drokk'n dag, want dan kwam'n ze allemoal.
Dan weur d'r wearkt van 's morg'ns zes uur tot 's oam'ns twaalf uur. Dan was d'r hoast gin tied urn te ett'n: dat gebeurd'n mer zoa efkes tuskedeur en um de beurt. Hoarsnie'n deed'n wie op zoaterdag nich: d'r weur aileen mer scheur'n, zon paar hoonderd man. Dan wus ie ok good da'j wat te doon had'n. En aw dan 's nachens de teggelvloor hadd'n schrobd en 't scheergerei wier netjes kloar haad'n maakt en oppoetst, dan kreeg'n wie van oos mooder 'n lekker gebakk'n biefstukske op 'n plak stoet en dat gung d'r mer wat good in!

'n Moal kwam Brilmans Fritske op 'n zoaterdag vroag'n wat of 't hoarsnie'n kost'n. "Zoaterdags wordt 'dr gin hoarsnedd'n", zee de scheerbaas. "Nee", zee Fritske, "dat week wa, mer ik wol alleen mer vroag'n wat of 't kost'n?" "Hoarsnie'n kost 'n dubbelke", zee de scheerbaas. "En wat kost 't scheer'n dan?" vreug Fritske stug vedan. "Zes ceant", zee de scheerbaas nich al te vreend'lijk. "o" zee Fritske, "dan scheer mie de kop mer kaal!" 

Ik proat noe oawer de scheerzaak van Brilmans Herman in 'n Esche in Loster, woar ik as zoon Jan, op mien elfde, twaalfde joar, wör inwied in 't barbiersvak. Mien groatvaar har ok a grote bekeandheid as scheerbaas in 't doorp Loster, in de Teylersstroat en mien vaa dach'n dat in mie ok wa 'n goode scheerbaas stak. Zo good gung 't leer'n op school noe ok wier nich. Ik begun met inzeep'n en 't schoon hoald'n van de zaak.

En 't veurnaamste was daj 'n moond dich mos'n hoaln oawer aln's waj zo te heurn kreeg'n en dat was nogal wat! Veural veur 'n jong van twaalf joar. Doar weur ie vroog riep van. D'r weur heel wat terecht kuierd oawer allerhande zaak'n; de leu hadd'n de tied ja wa. En as ze kloar waar'n gung'n ze nog mer efkes geneuglijk bie 't kächelke zitt'n noaproat'n. Doar kwam Brilmans Fritske weer an. Ze zaag'n 'mal ankomm'n van de wiet'n, want ze hadd"n 'm spits. Hee kreeg d'r ait wa een te pakk'n. Met zien eig'ngemaakte goastok en zoa gebrekkig as hee leup, kleaen hee met meuite oawer 'n hoog'n deurstoep. Dat doer'n ait 'n heel'n zet veur dat hee binn'n was. Iedereen zat te kiek'n en 't veul stil, totda! Fri!ske de stilte verbrak en heel duudelijk en helder zee:"HE, hE, doar kom ik dan ansoez'n!" en zonder verder op of urn te kiek'n leut hee zich op 'n stool vall'n, ziene goastok vast tussche de knee. Dan haal'n hee zien'n road'n tukdook veur de dag en begun-e oetgebreid zien'n bril schoon te poets'n. Hee mos d'r wa 'n paar moal flink achter oet de kel oawer hen bloaz'n, want 't zatt'r vast op! 't Smakwit zat 'n luk schuun met de ruw noar 'm hen, dreai'n ietske bie en zee:"Wat hes doe doar 'n mooi'n goastok Fritske, hes den zulm maakt?'' "Joa", zee Frits, "Dat is 'n heel'n biezundern, dat za'k diej is vertell'n. Toen ik d'r lestmoal met in 't veald leup, sprang d'r 'n haaz'n veur mie vot en toen dach'n ik: as disse stok noe is 'n jachtgeweer was west en zonder d'r biej te deanke'n heul ik den stok net as 'n jachtgeweer liek op 'n haaz'n an. En noe kaanst gleum'n of nich: op 't zolfde oag'nblik nam 'n haaz'n 'n spronk in de locht en vol toen doad neer veur miene veut" 't Smakwit, Tell'n Drieks, Moll'nbrooks Beernd en nog 'n stuk of wat meer knipoagd'n mekaar 'ns too en lach'n 'n luk veur zich hen. Mer Fritske dee net offe d'r niks van in de gaat har en kuiern gewoon vedan. "Ik heb den haaz'n in de nek houw'n en bin wier vedan goan. Efkes later zag ik 'n stuk of wat weelde eend'n vleeg'n en weer heul ik den stok d'r op an en ie zolt 't wa nich will'n gleum'n, mer een van die eend'n kwam recht oet de locht vall'n en pleerd'n mie weer vlak veur de veut.'; Fritske heul de stok liek veur zik oet, recht omhoog, en zee heel spietig:" Ik heb 't later nog wa vaak \vier probeerd, mer hee hef 't nooit weer doan, de kracht was d'r oet, 't was d'r al oet wat d'r in hef zett'n."

Ik had 't verhaal a wa vaker heurd en doarum zee ik gauw:"Wel is d'r an de beurt?" 't Smakwit kwam meuizaam in de been'n en zett'n zich terecht in 'n scheerstool, terwiel hee wiesgeerig met 'n kop schudd'n. lk deur 'm 'n papier'n servet achter 'n halsboord van 't boezeroen en begun 'm in te zeep'n: 'n luk warm water an de kwast, efkes oawer de pot met zeep hen, dan al dreaiend rondum de kin, veur de oor'n langs en veurzichtig oonder 'n nus deur; nich te dreug en nich te nat, precies zoas mien vaar mie dat had leerd. Toen ik bienoa kloar was en d'r genog schoem op zat, nam mien va 't scheermes in de haa'n en streek zich d'r veurzichtig met oawer 't muuske van 'n doem urn te veul'n of de sner van 't mes nog wa good was. Mangs gung hee ok wa met de top van 'n doern oawer de sner van 't mes hen. As 't rnes dan heel ietske an 't vel bleef pikk'n, dan was 't good. Dan gung hee d'r hen en weer met oawer 'n leer'n reem dee achter an de scheerstool hung, terwiel hee 't rnes slagmoals vlug urndreai'n oawer de rugkaant. Doarnoa weur d'r nog efkes met 't mes oawer de binn'nkaant van de haand strekk'n, veurnamelijk oawer 't rnuuske van de pink, veermoal op zik an en veerrnoal van zik of, dan nog 'n rnoal met 't mes in 't kettelke kokkend water en as de vaa dan "ja" zee mös ik vot wêên, kloar of nich kloar. In de rappigheid streek ik dan met doem en wiesvinger an weerskaant'n van 'n nus hen um 't schoem oet de nusgaat te haal'n en woar 'n wrat zat of 'n puuske doar stipp'n ik efkes op met 'n vinger, zodat de va dat kon zeen, anders sneer-e dat d'r kaant of.

0 jee, ak dat mangs nich good har doan, dan weur d'r earn flink vleukt, want doar was bee nich zeunig met. Ik keek 'm de kunst good of en zo noe en dan probeer'n ik ok wal 'ns of ik kon veul'n of 't mes schearp was. Op 'n keer zee mien oom Gerard, ze neum'n 'm Gerard van de kol'npitte, want hee verkoch'n kol'n, turf en brikett'n. hee zee:" Jan, noe hes mie a zo vaak inzeept, noe mos mie ok mer is 'n meal scheer'n". Ik schroK mie 'n pokkel, mer ik wol 't eigenlijk wa geern. Mien vaa kwam d'r bie 'm mie nog 's good te vertel'n hoo of ik 't mes meus hoal'n en doar gung 't hen. lk red'n mie d'r oarig met, aileen met den onwies groot'n snor wus ik mie nich good road en dat hef mien vaa later ofwearkt, mer met de rest gung 't nog nich zo slecht.
Mien vaa zee heel trots:" Dat wus ik wa! 't Eerste moal snie't ze d'r nooit een; dat doot ze pas later, at ze meant dat ze 't kunt!"

Toen ik in Loster kwam, bie mien grootvaa in de scheerzaak en 'm dat avontuurr verteld'n, gung dee in de scheerstool zitt'n en zee:" Dat hes dan good do an mien jong en dan mag ie mie noe de kop wal 's kaal scheer'n. Dat was mie wat! Zoiets gebeeurd'n nich zo vaak, mer hee was geweand um dat te loat'n doon. Zo nen gladd'n, roond'n kop, met zien harde ribbels en knobbels, dat was veurzichtig weark'n. 't Zweet brak mie d'r bie oet. Mer, al doer'n dan ok wat lang, ik heb 't wa kloar krang'n, dat hek, en zonder dat mie 't mes is oetschott'n. Mien grootvaa keek van kotbee in 't spegel, wreef zich van aile kaant'n met de ha’n oawer 'n kop en zee:" Dat hes good doan jong, pak an, jier hes ne guld'n". Dat was 'n kapitaal geald. 

En zo heb ik, Brilmans Jan, 't scheer'n leerd; ik was nog ginne veerteen joar. En mien vaa kreeg geliek. Toen ik mean' dat ik 't wa kon, hek d'r toch mangs een 'n jaap gemm', woar 'n operatiedokter jaloers op zol wenn'. Met 't hoarsnied'n gung 't aanders. lk har a wa vaak de jongs de kop kaal knipt, en ok a wa kaal op 'n tuufke noa, mer dat tuufke weur dan deur mien vaa vakkundig ofwearkt. Ik har ondertussche a 'n kot wit jeske kreng'n en ik begun ok a wat lef te krieg'n En toen d'r 'n moal een vrumde snoeshaan in de zaak kwam en vreug:" Kunt u mij even 't haar knippen?", toen heb 'k zegd:" Zeker wel mijnheer, gaat u maar zitten!". En ik bin d'r gewoon an begunn' .. tot de vaa binn' kwarn, dee wus nich wat e zag. Hee keek mie van onder ziene oag'nbussels strak an, gaf mie stiekum 'n por in de ruw en zee heel vreendelijk:" Doe mus emm' bie oos mooder in de kokk'n komm', ik zal 't wa effn oawer nemn'". En toen 't vrurnde volk vot was hef e mie de board d'r of doan, zonder kwast of zeep. 

Ja leu. noe mag ie wa deank'n, dar scheerbaas wodd'n zo gemakkelijk gung, mer d'r kwam nog wa meer bie kiek'n as wat ik oe tot noe too heb verteald. Zo waar'n d'r ok klaant'n dee 'n abonnement hadd'n. Dat bestun oet én, twee of dree moal scheer'n in de wek en eenmoal hoarsnie'n in de moand. Dat weur dan per moand ofrekkend teng 'n iets goodkoaper tarief as wat ze betaald zol'n hebb'n at ze gin abonnernent had'n had. Het duurste tarief kwam neer op een bedrag van een guld'n en viefteen ceant. De leu betaald'n dan meestal met 'n guld'n en 'n kwatje en zeed'n dan heel grootsmechtig:" Loat mer zitt'n Jan!" En dat beteekend'n dus: eenmoal in de moand 'n dubbelke fooi en doar mos ik dan veur zegg'n:" Dank U beleefd meneer!" Ik kreeg d'r altied 'n road'n kop bie, want ik was bang dat ze an de boet'nkaant kond'n zeen wat of dat ik d'r van binn' bie dach'n! Dee abonnementsklaant'n hadd'n eer eig'n scheerspulleke bie oos in de la van de scheertoafel met eer eig'n nummer d'r op. Dat scheerspulleke bestun oet 'n kwast, 'n mes, 'n pot met zeep, woar 't deksel van gebreokt weur as waterbekske en 'n aloensteen.
Dee aloensteen gebreokt'n wie ait veur de ontsmetting en ok wa as 't gezicht er noa 't scheer'n wat bloderig oet zag, aj d'r 'n luk stram oawer hen hadd'n trokk'n. Noa 't scheer'n weur dan met 'n spuit met zo ne kniepbal an 'n slengske, water in 't gezicht van de patient spoot'n en weur d'r flink met de aloensteen urn hen vremm'. Dan trokk'n de bloodveatkes dicht en dan kneep'n de leu meestal de oag'n too, want dat beet as de hel! De spuit broek'n mien vaa ok ait met kesmis bie 'n kesboam, urn de keerskes oet te spuit'n of at d'r 'n tak in braand stun! In Laster wol 't wa braan'n. Het was ok an de scheerbaas um te zorg'n, dat d'r ait zeep in de pot zat. Doar hadd'n wie van dee veerkaante, laankwearpige staav'n zeep veur. Dee waar'n knoerhard. Doar weur dan 'n stuk ofsnedd'n en dat weur net zo laank met de ha’n knedd'n totdaj't good in de pot kond'n drukk'n. Hee mos good vol, ok in den oondersten raand, zoa ietskes met 'n kop d'r op en dan weur e met 'n hoarkam mooi opmaakt met stipkes en streepkes. En aj 'm dan veur 't eerste moal weer broekt'n leut ie wa eerst efkes an de klaant zeen, dat wa. De zeep was van 't merk "De Vergulde Hand" en dat keand'n iedereen. 't Sprekwoord oet dee daag'n zee dan ok:" Wie scheert met verstand, zeept in met...Vergulde Hand!'' Het mes weur ok regelmoatig anzet op de olliesteen. Dat was secuur weark en ie moss'n d'r wa slag van hebb'n. Ik mog dat wa geern doon, tenminste as 't mes nich al te bot was, want dan haj d'r vol en laank weark an. Zo waar'n d'r wa boer’n dee zich alleen mer bie de scheerbaas leut'n scheer'n at ze stikstof hadd'n zeajt. Deur dag en tid scheerrd'n ze zich zulm wa, mer at den kunstmest zo vast in 't zweterige vel was trokk'n, en met 'n board van 'n hele wek, .. . dan wol'n ze eer eig'n mes nich an woag'n veur dee zes ceant dee 't scheer'n bie de scheerbaas koss'n. At ze 't mes stoomp hadd'n en de scheerbaas mös ’t veur eer weer schearp maak'n, dan koos'n dat 'n kwatje.

1996 4 04Praatjes bij de kapper. Kapperszaken fungeerden als een soort mannenclub. Mannen bleven er hangen om de laatste geruchten en schandaaltjes te vernemen. Maar niet iedereen was positief over de ijzeren scharen of scheermessen, getuige de volgende tekst van Martialis: .,Als je nog niet dood wilt, moet je niet naar de kapper Antiochus gaan". 

Op 'n moal kwam Haarmans Jan um zich de hoar te loat'n snied'n. Scheer'n deer-e ait zulm, zeunig at e was. Toen hee kloar was betaaln'e en hee gaf mien zien scheermes. "Dat mos doe mie wa good schearp maak'n", zee Jan, "ik kan de board d'r nich meer met ofkrieg'n. Ik zee:" Oat koomp wa good; kom oawer 'n paar daag'n mer efkes langs, dan is 't wa kloar" . Mer. o jee, doar had ik mie wat anhaald. 't Mes was zo stoomp. daj d'r wa op 't blote gat met noar Koln konn' riej'n, dan haj 't 'r nog nich deur! 't Leek wa 'n zaag, de stukke waar'n d'r oet. Ik gung d'r eerst met op 'n watersteen, dat trok d'r better bie. Toen ik de sniejkaant van 't mes weer 'n luk egoal had, begun ik met anzett'n op de olliesteen. 't Duur'n uur'n en uur'n veur dat ik d'r weer 'n good sner an had, mer toen koj d'r ok 'n hoar op mill'n duur bloaz'n. n Paar daag'n later doar kwam de boer weer an.

"Is 't mes kloar, Jan?", vreug e. Ik zee:" Joa, dat wa, mer wat hes doe d'r toch in Godsnaam met oetvrett'n, daj 't zo stoomp konn' krieg'n?" Ik zal 't oe wa eerlijk vertell'n, zee de boer. Mien knecht en ik hebt 't mes broekt um d'r bigg'n met te sniej'n!" En zo mos'n wie in dee tied veur 'n kwatje mangs nog heel wat doon! 

As d'r 'n klaant'n zeek was, dan weur dee bie 'm in hoes holp'n. Dat was ie an vaste klaant'n ja wa verplicht um te doon. Hoo mos dee anders de board d'r of krieg'n? En dat koss'n ok niks meer as aanders., want zeek wean was a slim genog en in dee daag'n mos 't ok a wa heel slim wean veur dat de leu in berre bleaw'n. 't Was nich altied effn gemakkelijk, dat scheer'n bie de leu an hoes. Zoa stunn' wie bie 't scheer'n ait an de rechterkaant van 'n klaant'n. Tenminste aj zulm ok rechtshaandig waar'n. Noe, dat waar'n de meeste leu in dee daag'n nog wa. Links schriem' op school , of met 't ett'n de voark vast hoaln in de leenkerhaand, dat was d'r geels nich bie. Aj good wat te ett'n kreeg'n haj hoog oet 'n stuk van 't veark'n in de leenker voest! Mer um op dat scheer'n terug te komm', mangs lag 'n zeek'n zoa in 't berre, daj d'r aleen mer van de Ieenker kaant bie konn'. As 't ’n roeme kamer was en 'n zeek'n lag in 'n groat berre, dan koj d'r nog wa bie in kroep'n, zodaj d'r an de rechterkaant op de knees biej konn' ligg'n. Mer vaak lag 'n zeek'n in 'n heel klean opkeamerke. Dat was 't kaemerke dat boam'n de kaelder was maakt en woar j met ’n trepke op konn'n komm'n, meestal veer of vief tree. Aj 't trepke omhoag zett'n koj nich meer in 't opkaemerke komm'n, mer dan koj wa 'n kaelder in, woar aj dan rechtop in konn'n stoan. 'n Kaelder hoom'n dan nich zo deep te waen, wat weer 'n veurdeel was met 't oag op 't groondwater. 't Veul in die tied nich met 'n kaelder good dicht te krieg'n en zonder kaelder koj oe vrogger nich redd'n in hoes. Mer ja, op zo'n opkaemerke kon meestal mer 'n klaen eenpersoons berre stoan. Aj dan bie 't trepke omhoag gung'n, was d'r veur 't berre nog mer 'n klaen stukske oawer woar aj stoan konn'n. En toen weur Smakwit zeek, good zeek, oose trouw'n en vaste'n klaat'n. Hee kon nich meer loop'n of fiets'n en kwam lesten aendes de deur nich meeroet. 't Opkaemerke was zien langdurig verb!ief, mer met de deur van de kökk'n lös lag e nich zo alleen en kon e noch 'n luk met luuster'n en met kuier'n ... mer om te scheer'n lag wa de verkeerde kaant op. Dat was lastig, mer d'r was niks an te doon. Wie hadd'n wa leerd um oos an te pass'n en dat lukk'n umsgelieks nog wa. Op 't smalle stukske vloor stoande, dat d'r nog oawer bleef noast 't bere, met de knees teng'n de berreplaank an drukt, koj oe wa zo wied veuroawer beug'n, daj d'r ok an de oawerkaant nog wa bie konn'n komm'n, al koss'n 't dan ok wat meer meuite. Wekk'n laank gung 't good, tot de hoesvrouw 't neudig har oordeeld 'n klaen kleedke veur 't berre te legg'n ... dan hoom'n 'n kraank'n 's-mons nich met de bloate veut op 't koale zeil te stoan at e zich wasker'n. Mer o schrik en elend, dat weur ’n raamp! lk har d'r gin earg in da'k op dat metke stun. 't Inzeep'n was gebeurd en ik zett'n mie good terechte um met 't scheern te beginn'n: de kaant dee op mie aanzat 't eerst; dat gung net as aanders, niks biezunders, mer toen de oawerkaant. Met de pokkel wat krom en de iets deurgezakte knees vast teng'n de berreplaank, beug ik mie wied oawer 't Smakwit hen .... en toen is 't gebeurd!

Miene veut scheut'en met metke en al achteroet en ik smakk'n laankoet veuroawer bie 'n zeek'n in 't berre, dwers oawer um hen . Um gin al te grote brokk'n te maken met dat schaerpe scheermes, heul ik dat hoag in de locht, mer doar deur smakk'n ik wa daal as 'n zak bevroor'n tuffel. 't Smakwit was glad en al verbiesterd en dat was ja ok gin woonder. In zien veraltereerdheid schreeuw'n e:" O jong wat dös dan toch nu, wat maak ie toch?" en ik wus niks betters te zegg'n dan:" Dat zos ja wa, ik kom d'r eam bie in ligg'n". Toen de eerste schrik veurbie was hew d'r mer um lach'n en toen ik kloar was met scheern zee ziene vrouw net as altied:" Jan, wos ne vlakke stoet hemm'n?" Ik heb d'r joar'n loop'n en ik gung d'r geern hen. 

Zo leu, noe weet ie um ende bie, hoo of d'r zestig joar ledd’n an toogung in de scheerzaak van de Brilmannen in Loster. D'r is nog völ aawer te schriem'n, mer ik wil ok nag wat bewaar'n veur 'n aander maal.

De groet'n van Jan Brilman oet Old'nzel.

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.