1997-2

Historische beschrijving van Losser (1)

Soms kom je in oude boeken een beschrijving van de gemeente Losser tegen. In historisch opzicht, met name wat betreft de jaartallen, zijn de teksten niet altijd juist. Ook is er sindsdien door onderzoek allerlei kennis toegevoegd en soms is men ook tot andere inzichten gekomen. Maar de beschrijvingen zijn vaak bijzonder aardig, geven een leuk tijdsbeeld en bieden ook nu nog diverse aanknopingspunten.

De tekst van deze negentiende-eeuwse uitgaven is in de onderstaande beschrijvingen letterlijk overgenomen. De afkortingen zijn in de regel aangevuld om het geheel beter leesbaar te maken en hier en daar zijn enkele verklaringen toegevoegd.

Voor een juist begrip van de situatie, met name wat betreft de aanwezige industrie, is het goed om te bedenken, dat de gemeente Losser in die tijd gesitueerd was om de stad Oldenzaal heen.

 

Thea Evers

 

Het reisdagboek van Van Hogendorp en Van Lennep

In 1823 maakten twee Leidse studenten, Jacob van Lennep (de latere schrijver) en zijn vriend Dirk graaf van Hogendorp, zoon van de bekende Nederlandse staatsman Gijsbert Karel van Hogendorp, een reis te voet, per trekschuit en per diligence door de Noord-Nederlandse provincies. Zij hielden een dagboek bij dat, in 1942 volgens het nagelaten manuscript van J. van Lennep werd uitgegeven. 

Op woensdag 16 juli komen ze aan te Oldenzaal en de volgende dag trachten ze een rijtuig te huren voor de reis naar Bentheim.

Maar "helaas, er was in geheel Oldenzaal maar één fargon (reiswagen) met twee paarden, welke een ander tot ons ongeluk besproken had. Van Hogendorp kon echter niet te voet gaan (de vorige dag was zijn linker voet zo gezwollen dat hij geen schoen aan kon), en tot blijven waren wij niet genegen: ik wandelde dus rond en schommelde een mistkar op, welke ik voor twee gulden huurde. Van Hogendorp plaatste zich er in met de bagage, doch ik verkoos er naast te wandelen, daar de weg schoon en de knol het draven ontwend was. 

Onze weg liep over bergen en dalen, de schoonste gezichten opleverende: slechts eene kleine heide van een vierde uur gaans trokken wij over. Na twee en een half uur wandelens toog ik een vrij hoogen heuvel op, tegen wiens helling en op wiens top het dorp Gildenhuis, of hauss, gebouwd is, eene fraaie plaats, rijk in steengroeven en korenvelden. 

1997 2 1 eOp de hoogte staan twee molens, welke een zonderling landgezicht vertoonden. Want aan de linkerzijde zagen wij enkel koren, rotsen en gebouwen terwijl de vlakte, die zich ter rechterzijde opendeed, uit veenderijen en heidevelden bestond. Nu daalden wij den berg af en kwamen na een half uur gaans aan de stad Bentheim, welke op een zware rots gelegen, de gansche omstreek overziet. Trotsch en treffend rust het oud en heerlijk slot op den hoogsten top". 

Het doel van de twee studenten is echter het badhuis, het tegenwoordige Kurhaus, waar zij enkele dagen doorbrengen. Zij geven een kostelijke beschrijving van het doen en laten van de aanwezig badgasten, bijna allemaal Nederlanders.
Uit hun verhaal blijkt, dat er ook toen al sprake was van een speelbank: "Ook ik ging van tijd tot tijd naar de bank en verloor er behalve mijn gedane winsten, een goede honderd gulden zonder een gezicht te vertrekken"

Ze maken nog een uitstapje naar Burgsteinfurt, met het kasteel en het bijbehorende park of bagno, vroeger een beroemde bezienswaardigheid. Het totale complex is echter volgens hun beschrijving al danig in verval geraakt. Hij noemt het kasteel zelfs een "vervallen barak".

Op maandag 21 juli vertrekken de beide studenten weer uit Bentheim:

"Van Bentheim wandelden wij weer naar Gildenhaus terug en sloegen daar rechts af door 't koren: op eens bevonden wij ons aan den steilen kant der steengroeve, die door de zwaarte en stoutheid der hangende rotsklompen een treffend schouwspel oplevert. De steen is van binnen zacht en brokkelig, doch wordt door de lucht spoedig verhard. Boven op een rots van ruim honderd voeten hoogte staande voelde ik den grond wijken, terwijl Van Hogendorp mij angstig toeriep en de werklieden schreeuwden dat ik daar zeer gevaarlijk stond: dan was ik zoo wijs de klompen zand en steen alleen in den afgrond te laten tuimelen en zelve boven te blijven.

Bij de hooge molens van Gildehaus gekeerd, sloegen wij links af naar beneden en zagen ons ras in de heide. Echter viel ons de weg zeer toe als zijnde dezelve met graanvelden en boomen zeer aangenaam afgewisseld. 

Losser, het eerste Hollandsche dorp was zindelijk en fraai. Wij dronken er goede koffie en wandelden voort naar Enschede ... " 

Het dorp Losser komt in deze beschrijving dus maar zijdelings voor. De omgeving is echter ook nu nog duidelijk herkenbaar.

Het Aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa

De toen nog jonge gemeente Losser staat vermeld in het Aardrijkskundig woordenboek van A.J. van der Aa uit 1839.

Abraham Jacob van der Aa (geb. te Amsterdam 1792, overl. te Gorinchem 1857), was o.a. boekhandelaar te Leuven, onderwijzer te Brussel en verbonden aan de militaire gouverneur van Breda. Hij heeft diverse werken op zijn naam staan, maar is vooral bekend gebleven door zijn twee grote woordenboeken: het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, 1836-1851 en het Biographisch woordenboek der Nederlanden, 1852-1878.
Uit het eerste woordenboek komt dus de volgende beschrijving: 

"LOSSER, gemeente in Twenthe, provincie Overijssel, arrondissement Almelo, kanton Oldenzaal (l k. d., 8 m.k.,3 s.d.); palende Noord aan Denekamp, Oost aan het Koninkrijk Hannover, Zuid aan de Pruissische provincie Rijnland, West aan Lonneker en Weerselo.
Deze gemeente bestaat uit het dorp Losser, de marken Losser, de Poppen, Punte, Lutte, Beuningen en Berghuizen. 

Voor het jaar 1811 behoorde de geheele gemeente tot het landregterschap Oldenzaal, in dat jaar werd het dorp en de marke Losser tot een mairie (gemeente) gemaakt, waarbij, nadat zij in 1814 eene gemeente geworden was, in het jaar 1817 de marken Lutte, Beuningen en Berghuizen gevoegd werden. De gemeente Losser beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 11,265 bunder.
Men telt er 752 huizen, bewoond door 782 huisgezinnen, uitmakende eene bevolking van ongeveer 4700 inwoners, die meest hun bestaan vinden in den landbouw en weverij.

Ook heeft men er de volgende fabrijken: drie calicotsweverijen (katoen), welke echter thans zeer weinig werken. In het jaar 1840, was het getal calicotswevers 620, thans zijn er geen derde gedeelte meer werkende. Overigens worden er bombazijn ( een sterke katoenen stof voor arbeiders-kleding), marseilles (een gestreept weefsel uit katoen of halflinnen in lengte-keperverbinding), pilows (gekeperde grove bruine stof, halflinnen, halfkatoen, o.a. voor werkbroeken) enz. voor fabrijkanten uit Enschede en Oldenzaal geweven: ook zijn er: eene azijnfabriek en een korenmolen. Vroeger bloeiden er de katoenspinnerijen, welke thans geheel hebben opgehouden.  

De Hervormden, van welke men er 270 telt, maken gedeeltelijk de gemeente van Losser uit, en behooren gedeeltelijk tot de gemeente van Denekamp, gedeeltelijk tot die van Oldenzaal.
De R.K., van welke men er ongeveer 4400 aantreft, maken gedeeltelijk de statie (parochie) van Losser en Lutte uit, en behooren gedeeltelijk tot de statie van Denekamp, gedeeltelijk tot de statie van Oldenzaal. 

Men heeft in deze gemeente twee scholen, als: eene te Losser en eene te Lutte, welke gemiddeld door een getal van 600 leerlingen bezocht worden. 

Het dorp Losser ligt 6 1/2 uur OostZuidOost van Almelo, 2 uur ZuidOost van Oldenzaal aan de Dinkel.
Men telt er in de kom van het dorp 101 huizen en 640 inwoners en met de kerkelijk daartoe behoorende marke Losser 250 huizen en 1600 inwoners. 

De R.K. die ongeveer 1400 in getal zijn, onder welke 1050 Communicanten, maken eene statie uit, welke tot het aartspriesterschap (de aartspriester was de plaatsvervanger van de bisschop in een dekenaat, na 1853 deken geheten) van Twenthe behoort en door eenen Pastoor en eenen Kapellaan bediend wordt.
De kerk, aan O.L.V. Geboorte toegewijd, is in het jaar 1777 gebouwd, voor dien tijd gingen de R.K. ingezetenen, ter kerke naar het klooster Glane.
(Deze vermelding is nogal verwarrend, want ook daarvoor was er al een kerk. Vermoedelijk slaat dit jaartal op de bouw van de z.g. Schuurkerk).
Deze kerk (O.L.V. Geboorte) is in het jaar 1845 vergroot.

De Hervormden, van welke men er 210 aantreft, maken, met die van de marke Lutte, eene gemeente uit, welke tot de klassis (onderdeel van een provincie in de organisatie van het kerkbestuur bij de Protestantse kerken) van Deventer, kring (een klassis is verdeeld in kringen en een kring in gemeenten) van Enschede, behoort en 220 zielen en daaronder 120 Ledematen telt.

De eerste, die in deze gemeente het leerambt heeft waargenomen, is geweest Gerhardus Stokman, die in het jaar 1637 herwaarts kwam en in het jaar 1638 naar Enschede vertrok.
Het beroep geschiedt door den kerkeraad.

2017 2 01De kerk (R.K.) is ene dochter van de Moederkerk van Oldenzaal, zoodat het kapittel (geestelijken van een dom- of kapittelkerk) der laatste kerk de pastorij van Losser begaf.
In de kerk van Losser was ene vikarij van de H.H. Anna en Martinus, die door den Deken van Oldenzaal begeven werd.

Deze kerk, welke in den oorlog van het jaar 1672 afgebrand is, doch later weder opgebouwd, heeft een klein torentje en is van een orgel voorzien. (De samenstellers zijn hier duidelijk abuis: zij geven een beschrijving van de N.H. kerk terwijl ze de oude kerk bedoelen). Men heeft haar op Koninklijk besluit, den 4 Januarij 1810 aan de Rooms Katholijken moeten afstaan, en de Hervormde gemeente zich daarna langen tijd met eene kamer in een particulier huis (de huidige Teylersapotheek), beholpen, tot dat zij met behulp van vele geloofsgenooten zich in 1822 (dit moet zijn: 1810) eindelijk weder verheugen mogt over het bezit van een nieuwe kerk en toren met klokken en uurwerk voorzien. (Het jaartal 1822 wordt later ook overgenomen in de "Gids voor Enschede en omstreken" uit 1889).

In het jaar 1352 verbond Johan van Arkel, de zeven en veertigste bisschop van Utrecht den hof te Warwik en den Hof te Losser aan Graaf Hendrik Solmisse.

Het expeditiekantoor, dat hier bij Zijne Majesteits besluit van 12 December 1824, was opengesteld voor den in- en uitvoer van goederen te lande, is bij besluit van 9 September 1836, ingetrokken.

Den 21 September 1665, werd Losser in brand gestoken door den Bisschop van Munster, die zeer onverwacht met eene groote krijgsmagt in Twenthe was gevallen.

In het jaar 1794, daags voor Kersdag, trok eene troep krijgsvolk door Losser, die vele wagens met zieke en gekwetste Hannoveranen bij zich had, welke uit het leger in Braband kwamen. De ingezetenen waren gelast deze menschen warme drank, als warm bier, melk, koffij enz. te brengen.

Maandag na Nieuwejaar van het jaar 1795, kwamen vele Hessische Huzaren in dit dorp, welke aldaar veertien dagen verbleven.

Kort daarop trok er eene menigte Fransch krijgsvolk, onder den Generaal van Damme, door om het kasteel van Bentheim in te nemen, hetwelk hem ook den 13 Maart 1795 gelukte. Zij maakte de Hervormde kerk (dus de oude kerk op de markt) tot een magazijn van hooi en stroo.
Na het innemen van dit kasteel, werd hier een piket van 8 of 9 man Fransch paardenvolk geplaatst, hetwelk er tot den 24 Junij 1795 bleef.

Geschied- en aardrijkskundige beschrijving van het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg

In 1841 vermeldt dezelfde A.J. van der Aa in zijn "Geschied- en aardrijkskundige beschrijving van het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg" het volgende: 

ARRONDISSEMENT ALMELO

1997 2 3 eHet kanton Oldenzaal, 22,275 bunder groot, telt 3 gemeenten en daarin 12536 inwoners, die vele fabrijken hebben.
De hoofdplaats van dit kanton, is de door eene gracht omgeven plattelandstad Oldenzaal, met 2862 inwoners.

Er bestaan aldaar onderscheiden fabrijken als: 1 gekleurde linnenfabrijk; 1 fabrijk van koffijzakken; 1 fabrijk van zijde en halfzijde; 1 fabrijk uit geheel inlandsche grondstof, bestaande in wolkammerij, weverij en spinnerij, alsmede weverij van gestreepte baai en Friesch bont; 1 calicotsfabrijk; 1 katoenspinnerij; enz. 

De Herv. en de R.K. hebben hier elk eene kerk, welke laatste, wegens haren ouderdom, bouworde en versierselen, zeer merkwaardig is.
Voorts is er eene synagoge; eene bloeijende Latijnsche school, en eene armenfabrijk. 

Oldenzaal is vermaard in de geschiedenis door de belegeringen van 1580, 1597 en 1605.

De overige gemeenten van dit kanton zijn: Weerselo, dorp met 1 calicotsfabrijk en 5135 inwoners. Losser, klein dorp aan de Hannoversche grenzen, met 2 weefscholen; 1 calicotsfabrijk; 1 azijnfabrijk, en 4539 inwoners.

 

Mijne Reisportefeuille van Harm Boom

Een van de bekendste en meest geciteerde beschrijvingen stamt uit 1846, van de hand van de journalist en schoolopziener Harm Boom uit zijn verslag "Mijne Reisportefeuille".

Harm Boom (geb. 1810 te Gramsbergen) was in het jaar 1846 redacteur van de Overijsselsche en Zwolsche Courant. Na een loopbaan in de journalistiek keerde hij in 1860 terug bij zijn oude liefde: het onderwijs. Hij werd schoolopziener in de provincie Drenthe en zou dit 20 jaar blijven.
Meer over Harm Boom is te vinden in "Jaarboek Twente" 1984.

We pakken zijn verslag op als hij op weg is van Oldenzaal naar Losser, samen met een reisgenoot, een Twentenaar:

" ... zweeg hij (de reisgenoot) een oogenblik, en hiervan maakten wij gebruik, om hem te vragen of te Oldenzaal nog al vermogende burgers woonden?
Hierop antwoordde hij zeer beslissend: ja, maar toen we wilden weten of de meeste kapitalen aldaar door 't fabrijkwezen waren gewonnen, wees hij ons een klein herbergje te Losser- want hier waren we reeds! - alwaar in een klein huisje gebrande wateren te koop en eene extra dikke vrouw te zien was.

We lieten 't paard op stal zetten, traden binnen, en zagen de weduwe Blokhof, die onlangs ziek was geweest, en daardoor een weinigje vermagerde, aan de koffijtafel zitten. Zij bevond zich nu vrij wel en leefde zeer tevreden, woog nog 278 oude ponden en was in druk gesprek met een man, die een gedrukten staat invulde en daarom een ambtenaar scheen en heel mager was.
De weduwe Blokhof lachte welwillend tegen hem, maar de vermoedelijke ambtenaar zag spits, nijdig en jaloersch - en te onregte, want men verbeelde zich een 278 pondigen liniecommies!

Na ons even verfrischt te hebben, wandelden wij naar den esch, alwaar boringen waren bewerkstelligd, tot onderzoek, in hoeverre Dr. Staring's vermoeden dat hier Bentheimer steen zou zitten, waarheid was. De "Overijsselsche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart", die zich deze taak had aangetrokken, ontving eene rijkssubsidie van f 600 tot tegemoetkoming in de kosten der opgravingen en boring, en benoemde voor de regeling dier werkzaamheden eene commissie, bestaande uit de Heeren C.W. Eekhout Jr. te Oldenzaal (de burgemeester), C. ter Kuile te Enschede en Dr. Staring.

Op eene diepte van 10 voet, stuitte men reeds op eene laag verbrijzelde steen. Die ontdekking bevestigt de veronderstelling der geologen, dat deze heuvelen ontstaan zijn door onderaardsche opheffing. Als in de diepte van de aardkorst eene steenlaag zit, die door de geweldige kracht naar hoven gedrukt werd, moet verbrijzeling der bovenste laag daarvan wel het gevolg zijn geweest.
In dat bovenste gruis vond men versteeningen, die in 't museum te Zwolle worden bewaard, en een groote ammoniet verraadt, dat de Lossersche esch tot dezelfde formatie behoort, als die te Bentheim en Gildehaus.
Op 28 voet diepte bereikte men eindelijk de vaste steenlaag, waarvan ook een stuk in 't Zwolsch kabinet is te zien, en nu erkende men de identiteit van deze groeve met die bij Gildehaus.
Dr. Staring's geologische voorspelling had dus niet gefaald.
Daarom zeide Mr. B.W.A.E. Baron Sloet tot Oldhuis op den 8 Januarij dezes jaars naar waarheid: "Zij is schoon, de taal der wetenschap!"

Te veel water en te weinig geld, deden de spade rusten en de boor verlammen, en 't blijft nu de ondernemenden geest der kapitalisten in Nederland aanbevolen, om de ontdekte en gedeeltelijk ontbloote groeve te ontginnen. 
't Aankoopen van den esch zal echter niet gemakkelijk gaan, want men verhaalt, dat, terwijl de Heeren der "Overijsselsche Vereeniging" te Losser, in de schoone taal der wetenschap over de aan te vangen ontginningen spraken, de boeren in een vertrek er naast, bezig waren, om op speculatie te koopen en te verkoopen. 

De R.C. kerk te Losser werd vernieuwd, en beloofde er goed uit te zien.; zij heeft een slecht orgel dat door een bekwaam organist wordt bespeeld. In Twenthe zijn zelden kunstenaars en instrument voor elkaar berekend. 

De nette Hervormde kerk met het jaartal 1810, ligt romantisch in jeugdig geboomte, waaruit een lief snoeperig torentje kijkt. Haar orgel is net, maar de kleur der banken ook hier weer te donker.
De Heer J .H. Hulsken, emeritus predikant dezer gemeente en aldaar nog woonachtig, heeft zich een naam gemaakt, door zijne grondige kennis van alles wat orgels en orgelmuzijk betreft. 

Losser heeft eene zeer goede school, die in den zomer door 200 en des winters door 280 kinderen wordt bezocht.

De inwoners bestaan van den landbouw, en calicots- bombazijn- marseille- pilouw-weverijen, enz., terwijl de katoenspinnerijen ophielden te werken. 

We maakten eenige haast om Losser vaarwel te zeggen, ten einde nog even Lonneker te zien en voor de schemering Enschede te bereiken.

(Wordt vervolgd)

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.