1997-3

Historische beschrijving van Losser (II)

Soms kom je in oude boeken een beschrijving van de gemeente Losser tegen. In historisch opzicht, met name wat betreft de jaartallen, zijn de teksten niet altijd juist. Ook is er sindsdien door onderzoek allerlei kennis toegevoegd en soms is men ook tot andere inzichten gekomen.
Maar de beschrijvingen zijn vaak bijzonder aardig, geven een leuk tijdsbeeld en bieden ook nu nog diverse aanknopingspunten.
De tekst van deze negentiende-eeuwse uitgaven is in de onderstaande beschrijvingen letterlijk overgenomen. De afkortingen zijn in de regel aangevuld om het geheel beter leesbaar te maken en hier en daar zijn enkele verklaringen toegevoegd.
Voor een juist begrip van de situatie, met name wat betreft de aanwezige industrie, is het goed om te bedenken, dat de gemeente Losser in die tijd gesitueerd was om de stad Oldenzaal heen. 

In de vorige aflevering van Oet dorp en marke Losser heeft u het eerste deel van deze bloemlezing kunnen lezen. Nu volgt het slot.

Thea Evers

 

De Gids van Enschede en omgeving

In 1889 verschijnt de "Gids van Enschede en Omgeving, behorende bij de Wandelkaart uitgegeven van wege de afdeeling Enschede van het Nederlandsch Onderwijzers genootschap".
De tekst van deze uitgave werd geschreven door S. Bloemendaal, dr. A Benthem Gz. en J.J. van Deinse. Van Benthem zal zeer bekend worden o.a. door zijn standaardwerk over de geschiedenis van Enschede.
De naam Van Deinse hoeft op deze plaats geen verdere toelichting. Zijn verdiensten voor de Twentse historie zijn al veelvuldig gememoreerd en zijn naam is inmiddels ook verbonden aan het "Van Deinse Instituut", het resultaat van de fusie tussen de Oudheidkamer Twente en de Twente Academie. Sander Bloemendaal was een befaamd hoofd van een lagere school in Enschede. De familie was afkomstig uit Deventer. Vanaf 1858 was bij verbonden aan de stadsschool, de zo genoemde Kerkhofschool, die was gelegen op de hoek Markt/Haverstraat, de plaatst van het voormalige kerkhof. Later werd de school herbouwd op de hoek Zuiderhagen/Windbrugsteeg. Het was een door arbeiderskinderen bevolkte school, die de Bloemendaalschool werd genoemd. De heer Bloemendaal bleef hoofd van dit onderwijsinstituut tot 1897. Naar hem is ook een straal genoemd op het Pathmos. 

Bij de omgeving van Enschede hoort in deze historisch-toeristische gids ook een wandeling naar Losser:
"Evenals wij de westelijke grens van de Gemeente Lonneker hebben overschreden om eenige bijzonderheden aangaande Bekkum en Oele mede te deelen, zullen wij ook de noordoostelijke grens overschrijden en ons even naar Losser begeven, hoewel wij ons aan deze zijde binnen de grenzen der wandelkaart zullen houden.

Om van Enschede naar Losser te wandelen kan men twee hoofdwegen volgen: de eerste, de fraaiste, meest gevolgde en meest zandige weg loopt achter de Welle heen, eerst over den ouden Oldenzaalsehen weg langs de Wigger en dan over een voetpad, midden door de Landweren; verder langs den Penningskotten en door den waterrijken Broekhoeken komt vlak bij het dorp uit op den Mac-Adam weg, die het met Oldenzaal verbindt.

De zooeven genoemde Landweren, door de boeren Landewe geheeten, zijn eene soort van opgeworpen wallen met aan weerszijden slooten; zij zijn soms uren lang en doorkruisen in allerlei richtingen Twente en worden zelfs bij Winterswijk aangetroffen. Waartoe die Landweren gediend hebben is moeilijk te beslissen. Sommige geschiedschrijvers houden ze voor verschansingen, die door de Saxers zijn opgeworpen om de invallen van den Frankischen koning Pepijn den Korte te weren. Anderen beweren, dat ze gediend hebben om de invallen der Noormannen of der Geldersehen te keeren.
Weer anderen noemen ze loopgraven uit den tijd van "Berendje van Galen", den Munsterschen Bisschop, die zoo nu en dan strooptochten hield in deze streken en dan trachtte tot Borculo door te dringen, waarop hij beweerde rechten te hebben. Deze laatste meening is echter bepaald onjuist, want we lezen reeds in den "landbrief'' van David van Bourgondië, de 55en bisschop van Utrecht ( 1455-1496), de volgende verordeningen over de landweren:

Art. 4 "Item wie die landweere brecke, schynnende offte daer inne houwe, die sall syn rechterhand ghebrocken hebben, unde off daer enighe beesten ynghevonden worden, sullen aen ons ende onsen naecoemelingen ghecomen ende vervallen wesen"

Art.10 "Ende men sal die lantweren in onsen lande van Twenthe holden ter schouwe ende beryden als in Sallandt. Ende in elken kerspel sall men die alle jaeren schouwen mit twie van den Ridderschap ende twie van den scepenen ut den steden ende Richters in den Kerspel dair dat onder gelegen is op sulke broeken als in Sallandt dair op staen", enz. 

In de 15e eeuw stonden dus de landweren alhier onder toezicht van de Utrechtse bisschoppen, zoodat ze aan een jaarlijkse schouw waren onderworpen.
Een uitstekende kenner der Twentsche oudheden, Mr. B.W.A. baron Sloet tot Oldhuys, veronderstelde, dat de landweren op last van de Romeinen door de Germanen werden opgeworpen om de grenzen tusschen de verschillende volksstammen aan te wijzen. Deze laatste zienswijze houden wij voor het meest waarschijnlijke.

De bovengenoemde landweer in het Lossersche veld wordt door den Losserschen zanddijk doorsneden, en wordt noordelijk hiervan spoedig afgebroken door bebouwd land; naar het zuiden echter ziet men hem zoover het oog reikt. Vroeger liep hij voorbij de tweede spoorbrug, sneed den Gronauschen weg bij van der Kolk, waar hij voor eenige jaren nog aan den overkant van den weg te zien was.
Hier werd hij de Spaansche of Munstersche loopgraven genoemd; de grond is daar nu ge-evend, doch achter het woonhuis is de landweer in het struikgewas nog te zien. (Zie voor een beschrijving van de landweren: L.H.M. Olde Meierink, Monumenten van Losser, dl 1; nog verkrijgbaar bij de Historische Kring Losser). 

De tweede, kortste, meest beschaduwde doch vochtigste weg naar Losser loopt van Enschede uit langs de spoorbaan tot de eerste spoorbrug; verder door den Hoogen Boekel, over het Hooge Veld en langs de Zoeke bijna recht op het dorp Losser aan, dat door bosschen en boamen voortdurend aan het oog blijft onttrokken, zoodat men het dorp eerst ziet, als men er slechts een paar honderd meter af is. Rechts van dezen weg heeft men in de Zoeke verscheidene grafheuvels, door de omwoners hunebelter genoemd. Deze gelijken veel op afgeknotte kegels, wier bovenvlak een paar meter diameter heeft en wier hoogte nog slechts een paar meter bedraagt. Enkel dier heuvels zijn onderzocht: men vond stenen urnen, waarvan een enkele iets versierd was, die asch en verkoolde beenderen bevatteden. Vele dezer hunebelter vind men tusschen Losser en Gildehuis. 

Langs welke der beide wegen men Losser ook binnentreedt, men is na de flinke wandeling prettig gestemd; het wekt bij den wandelaar het gevoel op, alsof hij van eene onbewoonde in de bewoonde wereld komt. Daarbij is de intrede langs beide wegen recht liefelijk en schoon en maakt zij een onverwachten, verrassenden indruk. Aan de westzijde is dan ook het dorp het schoonst en het netst. 

Komt men van den Losserschendijk over den Oldenzaalsehen kunstweg dan treft men zeer spoedig rechts van den weg het Raadhuis aan, dat te herkennen is aan de beide noteboomen, die er voor staan en aan het aanplakbord, want het gebouw zelf heeft in alles het voorkomen van een gewoon huis; door eene telefoon-geleiding is het met het telegraafkantoor in Oldenzaal verbonden.
Schuin tegenover het Raadhuis heeft men de onmisbare herberg (hier Blokhof), waar meestal wordt "bekrachtigd" wat in het Raadhuis wordt "bezegeld". 

Dicht bij heeft men den zeer ouden, stompen toren van het aan Maria gewijde R.C. kerkje, dat tot in 1809 aan de Hervormden behoorde, doch dat in dat jaar bij Koninklijk besluit aan de Roomsch Catholieken werd afgestaan. In de laatse paar jaren is het vergroot en keurig net gerestaureerd. In den toren, die veel heeft van de Romaansche torens in Friesland, hangen drie buitengewoon zware klokken; onderin vindt men nog een hok, dat als passanten-huis dienst doet. 

1997 3 01Dichtbij heeft men de school en hier naast het ruime logement van G. Smit, met stalling, dat zowel in den tuin als binnen de noodige gemakken aanbiedt om uit te rusten en zich tegen billijke prijzen te versterken voor den verderen tocht.
Vervolgt men de straat langs het logement, dan passeert men het Hulppostkantoor. Iets verder vindt men recht voor den weg nog de nieuwe R.C. Pastorie, die uiterlijk veel weg heeft van een klooster. 

Een rondweg voert van hier naar het nette en eenvoudige Protestantsche kerkje, dat in 1822 (dit moet dus zijn 1810) werd gebouwd en bijna geheel tusschen geboomte verscholen ligt. Van 1809 tot 1822 (1810) oefenden de Hervormden hunne kerkedienst uit in de woning van een der ingezetenen. 

Van het ontstaan van Losser is niets met zekerheid bekent. Wij troffen den naam van het plaatsje het eerst aan in 1352 en wel in den beleeningsbrief, waarin Jan van Arkel, Bisschop van Utrecht, den Hof te Varwake  (onder Oldenzaal) en den Hof te Losser beleent aan Hendrik van Solmisse, heer van Ottenstein.
Men wil weten, dat Losser in de 14e en 15e eeuw een toevluchtsoord was voor hen, die van hekserij en tooverij werden beschuldigd of om andere reden door de wereld werden verstooten. Daarom zou het wapen van Losser eene "zeef' zijn. (Deze "zeef' treffen we ook aan bij Kapitein Ort in zijn boek "Oldenzaal tijdens de Salische Franken" uit 1901: "Den kunstweg (vanaf Oldenzaal) naar Losser volgend tot aan de Bethlehemsebeek, zoude men van daar tot Losser in een zeef door de lucht kunnen vliegen, een verhaal dat meer voorkomt, n.l. dat heksen en elven zich zoo van de eene naar de andere plaats kunnen bewegen". Zie voor een beschrijving van het wapen van Losser: G.J.A.van Helvoort, Losser voorheen en thans, 1926).

1997 3 02Niet meer onder den indruk van te worden geschuwd en met den vinger te worden nagewezen, zouden deze bannelingen den heideen veengrond door noeste vlijt en werkzaamheid in vruchtbare akkers hebben herschapen en zoo voor zichzelf in dezen afgelegen hoek eene nieuwe wereld hebben gecreëerd, nadat de oude hen had verstooten. Wat hiervan zij, het eigenlijke dorp heeft een zeer eigenaardig voorkomen; de huizen liggen zeer onregelmatig verspreid, zoodat de meeste dateren van den tijd, toen men nog aan geen ordening dacht; vele staan met de achterdeur naar de straat en hebben eene vergaderplaats van faecaliën aan de straatzijde. Er is weinig vertier;
geen enkele tak van nijverheid vindt men er zoo vertegenwoordigd, dat het der vermelding waard is. Losser mist de hulpbronnen om in een matig bestaan zijner bewoners te voorzien: terwijl deze vroeger bij hun landbouwbedrijf als handwevers in huis werkten en daardoor in hun onderhoud voorzagen gaan thans dagelijks honderden arbeiders naar de fabrieken in Gronau.
Er gaat slechts één kunstweg van Losser uit en wel naar Oldenzaal; alle overige wegen, die op het dorp uitloopen, zijn zandwegen. Van deze laatste loopt die naar Glanerbrug langs de Steenbakkerij naar Muldermansbrug (vanwaar een zijtak loopt naar Gronau) door schoone houtrijke boerenerven en langs de fraaie oevers der Glane, zoodat die weg meerder schoone punten aanbiedt.

ln den Losserschen Esch, dien deze weg doorsnijdt, vindt men, hoogstens 2 M onder den grond, Jagen zandsteen, die niet worden opgedolven, ofschoon reeds voor 3/4 eeuw het plan daartoe bestond. 

De onvermoeide wandelaar, die Losser bezoekt, zal hier zeker zijn tocht niet staken, maar een bezoek brengen aan de heuvels, die den oostelijken oever van den Dinkel omzoomen; deze toch verschillen hemelsbreed van de hoogten, die in de Gemeente Lonneker worden gevonden. De zuidelijke gelijken sprekend op duinen, zijn te deele met helm begroeid, te deele naakte zandhoopen, die de rimpels van den wind vertoonenen waarop geen plantje tiert; men heeft ze dan ook den zeer eigenaardige naam van de Zandhuizen gegeven.
De noordelijke heuvels zijn met kwakkelboschjes versierd, die de meest grillige vormen vertoonen.

Onmiddellijk langs deze heuvels kronkelt de Dinkel, een riviertje, dat in den zomer weinig water afvoert, doch gedurende de wintermaanden dikwijls de breedte heeft van eene vrij groote rivier. Het water heeft dan zulk eene woeste vaart, dat het ongepast zou zijn om alsdan (zooals men in het meergenoemde "Twenther Brul'fteleed" van 1812 deed) een jong bruidspaar toe te roepen: "Zo glidt et leven bly en zacht veby as Dynkelwater". (Het Twenther Brul'fteleed, bestaande uit 28 strofen, werd geschreven door Benjamin Willem Blijdenstein. Het werd als illustratieve bijlage toegevoegd aan het eerste woordenboekje van Overijssel, geschreven door de dichter, dominee en taalkundige Joost Hiddes Halbertsma uit Deventer).

1997 3 03

Op het overstroomde land laat hij (de Dinkel) dan eene slib achter, die vele organische bestanddeelen bevat, welke door verrotting het land met eene vruchtbare laag bedekken. Vooral hier bij deze heuvels vindt men het sprekendste bewijs van de vruchtbaarmakende kracht van het water, dat den schralen heidegrond in schoone weilanden heeft omgezet.
Behalve om het eigenaardige karakter der genoemde hoogten is een bezoek aan te raden om de schoone vergezichten, die men er geniet; naar het westen ziet men op de frissche, groene landouwen aan de overzijde van den Dinkel, die hier weide van heide scheidt, naar het oosten over bebouwde- en heidevelden op Gildehaus en Ochtrup en op de bosschen van het tien minuten verder oostwaarts gelegen Ravenshorst.
Van het ontstaan van dit adellijk riddergoed is ons niets bekend. (Zie voor meer gegevens over de Ravenshorst o.a. Oet Dorp en Marke 1993 en 1994).

In de laatste helft der vorige eeuw werd het nog door de Heeren van Ravenshorst bewoond; thans behoort het aan de Vorst van Burgsteinfurt. Of het, zooals men beweert, in diens geslacht is overgegaan "als de winst eener kaartpartij, of door aanslag, dat is, doordat genoemde Vorst er, na het overlijden van den laatsten Heer van Ravenshorst (die geen erfgenamen naliet) het eerst zijn wapen heeft aangeslagen en zich aldus als eigenaar heeft opgeworpen, kunnen wij niet beslissen; bij het uitsterven van het geslacht van de Graven van Burgsteinfurt gaat het in eigendom over aan een Oostenrijksehen Prins".
In 1775 was het een sterk kasteel, welks grachten deels gedempt, deels toegeland, deels nog te zien zijn. Over eene ophaalbrug kwam men voor eene schoone poort, waarvan de vier zuilen voor een paar jaar naar Burgsteinfurt zijn overgebracht, waar zij thans in of bij het Bagno zijn opgesteld. Die poort stond boven de brug over de tweede gracht, welke brug (evenals de poort) het jaartal 1722 draagt en, met de beide steenen hondenhokken aan weerszijden, nog aanwezig is.
Hier kwam men op het Voorplein, waar zich de woningen der bedienden (jagers, stalknechts enz.) en de stallen bevonden. Vervolgens kwam men over eene ophaalbrug door de poort in de thans nog aanwezige ruïne op het eigenlijke slotplein, dat, naar het schijnt, aan alle zijden door het kasteel was omgeven. Rondom dit gebouw liep, blijkens de schuine benedenmuren, de binnengracht, welke voor een groot deel door den tegenwoordigen bewoner werd gedempt, die ook de ruïnen der beide zijvleugels heeft opgeruimd. In den zijvleugel, aan de NO. kant bevond zich de kapel, waarin omstreeks 1775 door paters nog kerkedienst werd verricht.
De slotput is nog aanwezig. het nu nog bestaande deel van het kasteel, dat vroeger een verdieping hooger was en welks muren een meter dik zijn, bevat eene vrij bewoonbare kamer en drie vertrekken, naar wier bestemming slechts geraden kan worden en een flinke, met rondbogen gemetselde en met schietgaten voorziene kelder, welks bodem eenige voeten is verhoogd en die nu als melkkelder uitstekende diensten bewijst. Aan den rechter zijkant vindt men in dit gebouw een steen, waarin twee wapens en het jaartal 1690 gebeiteld zijn.
De gebouwen, die zich op het voorplein bevinden en waarvan het eene als boerenwoning, het andere als schuur dienst doet, zijn zeer vervallen en vertoonen slechts in dat ontzettende verval sporen van hun ouderdom. Bij elke schrede wordt hier den bezoeker het "sic transit gloria mundi" (zo vergaat de wereldse grootheid) toegeroepen. In den kamer links van den ingang heeft men bijv. bij een ten deele nog beschilderde zolder, een zwaren eikenhouten vloer en restes van schoon behangselpapier, een gat in een der zijmuren, waardoor de lucht gemeenschap onderhoudt met den stal, terwijl de tegenovergestelde zijmuur voortdurend dreigt om te vallen. Genoeg om te doen zien, dat het sloopingswerk hier in vollen gang is.

Wie van Losser uit een uitstapje wil doen naar Ravenshorst, raden wij aan den schaduwrijken, doch zandigen weg te nemen langs de Bleek, door het Nilant naar de Verbeckebrug over den Dinkel, die hier de Ravenshorster beek opneemt (tusschen beide waters heeft men aan den linkerkant eene vloeiweide, die naar een oud systeem is ingericht). Over het zandsteenen, in 1727 gebouwde, nette bruggetje over laatsgenoemde beek bereikt men in een paar minuten grenspaal 5, waarop het wapen van Bentheim en een ons onbekend wapen voorkomen, (volgens Olde Meierink is dit het wapen van de Bourgondische Kreits).
Van hier ga men langs den bebouwden esch over een voetpad naar Ravenshorst, welks ligging voortdurend wordt aangewezen door de drie hooge populieren op het voorplein, die boven alle boomen in den omtrek uitsteken.

De terugtocht naar Losser neme men door het fraaie Ravenshorster bosch, dat door zijn royalen aanleg van bruggen, enz. zijne hooge afkomst verraadt, langs de beide aan het einde der laan gelegen woningen der Ausherren (of sla midden in de zijlaan rechts af door het bosch) en langs grenspaal 4 over de Zandhuizen (die voor eenige weken door een kanaaltje zijn doorsneden dat het water uit den Oele Mars naar den Dinkel moet afvoeren), langs de Schaapskooi, over de brug, die het Bossinks-vonder wordt genoemd, over het kerkpad door de weide, langs de R.C. Pastorie, waar men rechts het dorp inkomt.

Vijf minuten ten oosten van de Ravenshorst loopt de nieuwe straatweg van Gronau naar Gildehaus, die nu nog niet zeer aan te bevelen is en vooral in de heide zeer eentonig is. Binnen eenige maanden zal die weg aan weerszijden beplant zijn. Onder de weinige fraaie punten, waar langs deze weg loopt, is wel het Ruënberg, een oud adellijk landgoed, dat in het laatst der vorige eeuw (de 18e eeuw) toebehoorde aan de Heeren van Cannenberg te Vaassen, het schoonste.

Tien minuten noordelijk van hier ligt het oude grenspunt van Nederland, Hannover en Westfalen, dat nog wordt aangewezen door een driehoekigen steen, op welks zijvlakken de wapens van Overijssel, van Bentheim en van Bisschop Bernard van Galen met de jaartallen 1659 en 1824 prijken. Men noemt dit oude drievoudige grenspunt nog eigenaardig Drieland. Op een honderd meter afstand heeft men aan den weg eene Schenkwirthschaft.

Beschrijving van Overijssel door W.G.A.J. Röring

Ook toeristisch, maar met minder historische bijzonderheden is de beschrijving van Röring uit 1890. "Meester" W.G.A.J. Röring was hoofd van een school in Tubbergen. Van zijn hand is ook het 2-delige standaardwerk "Kerkelijk en wereldlijk Twente", 1909-1911.

Zijn "Beschrijving van Overijssel" heeft als subtitel "Wandelingen door die provincie; een leesboek voor dag- en herhalingsschool", dus duidelijk geschreven met onderwijskundige doeleinden.

"Geen plaats in Twente, misschien in Overijssel, bezit schooner omstreken dan Oldenzaal. Een gedeelte ervan zagen wij reeds, toen wij van Denekamp kwamen. Maar ook aan de zuidoost zijde der stad, in de richting van Losser, welk dorp wij nu zullen bezoeken, loopt onze weg door eene streek, rijk aan opgaand geboomte, aan heuvels met prachtige vergezichten, aan welbebouwde akkers, in 't kort aan allerlei natuurschoon. 

Den steenweg, die van Oldenzaal naar Losser voert, slaan wij echter niet op, maar liever een binnenpad, omdat het ons vooral om natuurschoon te doen is, dat hier overvloediger gevonden wordt dan langs den grooten weg. 

Even buiten Oldenzaal betreden wij het gebied der gemeente Losser en wel de vruchtbare en fraai gelegen buurt Berghuizen. Al voortwandelend bereiken wij spoedig eene hoogte, die met den Tankenberg samenhangt, en waarvan men een schoon gezicht op Oldenzaal heeft, dat daar in een dal aan onze voet ligt. Hoe heerlijk golft het goudgele graan langs de glooiingen der esschen, wat krachtig geboomte groeit langs de diepe wegen, die langs de hooge akkers slingeren; hoe bevallig verbergt zich de ouderwetsche boerenwoning in 't welig groen!

De steen, die hier in de nabijheid ligt, herinnert ons, ofschoon hij niet zo groot is, aan den "Zilversteen" dien wij op den Lemelerberg gezien hebben. Dergelijke steenen, zoogenaamde rolsteenen, komen in heuvelachtige streken veel voor. In de gemeente Lonneker, bij Enschede, lag er vroeger een, waarmede men, toen hij verbrijzeld was, een eind weg, lang 78, breed 3 M, 2 d.M. dik bevloerde. 

Aan afwisseling ontbreekt het op onzen verderen weg naar Losser niet. Hier ligt bouwland, daar heide; elders omzoomt kreupelhout ons pad, of gaan we onder de schaduw van eiken, dennen en beuken, tot we eindelijk den steenweg bereiken, die ons spoedig op de plaats onzer bestemming brengt.

Het dorp Losser is niet groot en bezit weinig merkwaardigs. Alleen de drie buitengewoon zware torenklokken worden als eene merkwaardigheid genoemd, evenals de prachtige muurschilderingen, die men in de R.K. kerk vindt, en die hierom ook werkelijk een bezoek waard is.

Losser bezit ook eenige nijverheid. Hier en daar klinkt ons uit sommige huizen in 't dorp en den omtrek het getiktak der weefgetouwen in de ooren: hier woonen wevers, die zoogenaamd bont weven voor Hengelosche, en katoen voor Enschedesche fabrikanten, terwijl andere arbeiders uit Losser hun bestaan vinden in de fabrieken van 't naburige Gronau, in Pruisen.
Landbouw is echter het hoofdbedrijf der bewoners. De teelt van kippen is nog vrij aanzienlijk en groote hoeveelheden eieren worden van hier naar elders verzonden.

Als ieder Twentsch dorp, bezit ook Losser zijn esch, eene hoogte, die ten zuiden van het dorp ligt. Ginds, aan de oostzijde van het dorp, stroomt, in bevallige kronkelingen en door weilanden ingesloten, het riviertje dat we reeds vroeger zagen: de Dinkel. Niet om zijne vruchtbaarheid of om de prachtige rogge, die er groeit, is de Lossersche esch merkwaardig, maar om den zandsteen, zogenaamden Bentheimersteen, die men hier in den bodem vindt.
Deze steen ligt niet meer dan een paar meter diep; op enkele plaatsen onmiddellijk beneden de oppervlakte. Te Bentheim en Gildehaus wordt deze steensoort uit den grond gedolven; hier echter heeft het houweel des mijnwerkers den ploeg des landmans nog niet vervangen, hoewel, nu ruim veertig jaar geleden, hiertoe wel het plan bestaan heeft.

1997 3 04Voor we de gemeente Losser verlaten, dienen we nog eerst een bezoek te brengen aan De Lutte, eene buurt, die een half uur ten oosten van Oldenzaal ligt. De weg daarheen munt niet door bijzondere schoonheid uit: heide wisselt af met houtgewas, en bouwland is er schaars. Hebben wij echter den grooten weg bereikt, die van Oldenzaal naar Bentheim door De Lutte loopt, dan wordt het landschap schooner en sluit zich prachtig aan hij Oldenzaals prachtige omstreken. Hooge esschen, waar de rogge golft, de boekweit bloeit, eiken- en beukenlanen, oude, schilderachtig gelegen boerenwoningen, prachtige vergezichten over geheel Twente, gevoegd bij een heerlijk golvend terrein, dit alles maakt De Lutte tot een der schoonste streken van Overijssel.
De vruchtbare bodem brengt hier welvaart aan den landbouwer, niet alleen thans, maar ook in vroeger tijden, toen De Lutte met zijn 80 volgewaarde erven de voornaamste marke of buurt van Twente was, waar andere marken bij onderlinge twisten de beslissing der markerichters inriepen.

Van De Lutte den fraai en weg volgende, die van hier naar Oldenzaal loopt, hebben we binnen een half uur deze stad weer bereikt".

 

 

Geraadpleegde literatuur:

  • Aa, A.J. van der. Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden; bijeengebragt onder medew. van eenige vaderlandsche geleerden; fac. herdr. van de uitg.1839-l851. Zaltbommel: 1976-'80. 14 dln.
  • Aa, A.J. van der. Geschied- en aardrijkskundige beschrijving van het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg. Gorinchen: 1841.

  • Boom, Harm. Mijne reisportefeuiJle: of, Omzwervingen in Overijssel in het najaar van 1846, ernstig en luimig verteld; herdr. Zwolle: Tijl, 1932.

  • Gids van Enschede en omgeving, behoorende bij de wandelkaart uitg. van wege de afdeeling Enschede van het Ned. Ond. genootschap, 1889 / S.Bloemendaal, dr. A.Benthem Gz. en J.J.van Deinse. Enschede: B.B.Blijdenstein, 1890.

  • Lennep, Jacob van, en D. van Hogendorp. Nederland in den goeden ouden tijd: zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp door de Noord-Nederlandsche provinciën in den jaren 1823: volgens het nagelaten manuscript van J. van Lennep verz. door M.E. Kluit. Utrecht: De Haan, 1942.

  • Röring, W.G.A.J. Beschrijving van Overijssel; en. Wandelingen door die provincie; een leesboek voor dag- en herhalingsschool. Almelo: Hilarius, 1890.

  • Sliepsteen nr. 38

  • Wiegman,T. De openbare lagere- en kleuterscholen in Enschede en Lonneker, 1645-1985. 1986.

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.