Na het vertrek van Rovenius naar Utrecht in 1614 waren de Roomschen hier en in een groot deel van Twente weder zonder Roomschen Herder; wel liepen de Geestelijken uit Oldenzaal en wellicht een enkele van de oude Pastoors en Vicarissen der dorpen, die daarvoor moed en overtuiging genoeg bezat, het land rond om de nu "geestelijk verdrukte" geloofsgenooten bij te staan, doch dit geschiedde in alle stilte, en om die geheime bijeenkomsten zoo vruchtbaar mogelijk te maken, had reeds vroeger bovengenoemde Deken Rovenius, hier en elders eene soort van geestelijke zusters ingevoerd, die klopjes werden genoemd, omdat zij de geestverwanten opklopten, dat is, heimelijk waarschuwden, als 's nachts eene godsdienstoefening zou plaats hebben."
Aldus verklaart Dr. Benthem (1), met verwijzing naar den Overijsselschen Almanak van 1845, het ontstaan der klopjes.

Nieuwbarn (2) drukt zich uit in gelijken geest: "In den tijd der protestantsche verdrukking was haar officie o.a. om de geloovigen voor de godsdienstoefeningen op te kloppen, van daar haar naam klopje. 

2017 1 02Ook de bekende achttiende eeuwsche geschiedschrijver Wagenaar (3) geeft eenzelfde verklaring "dat zij, wanneer men geheime samenkomsten houden zou, bij de Roomsehen aanklopten." In de volksmond van Twente zijn de thans uitstervende klopjes ook altijd de opvolgsters geweest van de vrome maagden, die zich ten tijde der godsdienstvervolging tot taak stelden de roomsche geloofsgenooten bij nacht op te kloppen om in het verborgen een H. Mis bij te wonen in een boerenschuur ofwel onder den Kroeseboom op den Fleringer esch, welke boom hierdoor zijn bekendheid heeft gekregen. Het is meermalen gebeurd zegt Pastoor Geerdink(4) dat een der kapelaans uit Halle des nachts liet aanzeggen, dat met het opgaan der zon onder den Kroeseboom de H. Offerande zou opgedragen worden.
Er behoeft niet aan getwijfeld te worden, onze klopjes hebben meermalen dienst gedaan om geloofsgenooten te waarschuwen om geheime godsdienstoefeningen bij te wonen, doch haar ontstaan is zeker hieraan niet ontleend, al zit er in deze stelling een schijn van waarheid. 

Zeker is ook dat Rovenius de klopjes niet invoerde. In zijn posthume Respublica christiana, dat na zijn dood in 1668 werd uitgegeven, zegt Rovenius n.l.: "De geestelijke dochters, misschien "clobjens" genoemd omdat zij - piis precibus ac mortificationis exercitiis, cosolio spiritualium directorum vel confessariorum susceptis coelum puisant" - door hare gebeden en verstervingen bij den hemel aanklopten.(5)

De oorsprong der klopjes ligt elders.
In Twente is de naam klopje algemeen bekend en in de meeste katholieke plaatsen leefden de laatste jaren nog enkele oudjes, die zich gaarne met den naam "geestelijke dochter" zagen getooid en die in den volksmond algemeen klopje werden genoemd. Zij droegen tot aan hun dood de bekende kloppenkleeding.

Buiten Twente is de naam vrijwel in de vergetelheid geraakt, maar in de plaatselijke geschiedenis is hij veelal nog wel terug te vinden in vele gemeenten van Overijssel, waar hij dikwijls wordt vereenzelvigd met den naam begijn. 

Met vrij groote zekerheid mag dan ook worden aangenomen, dat onze klopjes haar oorsprong vinden in de zuidelijke Nederlanden en stammen van de daar reeds vroeg gevestigde begijnenorden. Herhaaldelijk toch ziet men ook de begijntjes met den naam van klopje aangeduid (6) en het "kantklopje", dat met het maken van kantwerk in haar onderhoud voorziet, zal men toch alleen in het Zuiden kunnen vinden. Van den anderen kant werden in sommige streken van Overijssel de klopjes alleen begijntjes genoemd.
Zoo kan men in de kerkelijke geschiedenis van Deventer (7) lezen, dat daar waren een drietal conventen met begijnen, ten tijde dat in Zwolle o.a. steeds alleen maar van klopjes wordt gesproken.
In Leeuwarden waren zelfs klopjes bekend.(8)

De officieel kerkelijke naam onzer klopjes is "geestelijke dochters" en in het latijn "devota filiae" ,"virgines Deo devotae" ,"sacra virgo", "filiae spirituales." 

Reeds vóór de hervorming zien we den naam klopje aan begijntjes gegeven(9), en in het calendarium der Plechelmuskerk te Oldenzaal van lang vóór de hervorming komt de naam "baguta" voor, hier als klopje vertaald(10).
Dat klop en begijn synoniem zijn blijkt ook uit "De Gulden Mis" in Katholiek van 1906( 11) waar we lezen; "Ten slotte kreeg "Die Clop een grooten", waarmede bedoeld is, dat een klopje, besje of begijntje, dat trachten moest om de kinderen in de kerk stil te houden, voor haar goede diensten een "grooten" dit is een halve stuiver kreeg".
Misschien heeft men de naam klopje in de middeleeuwen ook reeds gegeven als scheldnaam aan iemand, die ongehuwd leefde (12), zoals later een klop ook wel een kwezel wordt genoemd.
Deze schimpnaam blijkt uit een gedicht van Bredero "Het Daghet."(13).

"Ik sal mij tweemaal 's weecks van eten gaan onthouwen, Ik sal kloppen mede en nimmer echtelijk trouwen".

Wij vinden deze afleiding ook in de Relatio van Jacobus de la Torre, die in 1656 verslag uitbracht van den toestand der Hollandse he Missie: "In onze provinciën bevinden zich een groot aantal dochters en weduwen, waartegen onlangs weer placcaten zijn uitgevaardigd, (n.l. dat zij niet per testament over hare goederen mogen beschikken, dat zij niet eenvoudig mogen gekleed gaan). Deze worden daar gewoonlijk met den naam "cloppae" aangeduid, of hemelklopsters en den hemel kloppende (coeli pulsatrices vel coelum pulsantes),"terwijl kloppen zoowel beteekent ongehuwd blijven als kloppen, daar zij vrijwillig ongehuwd blijven en niet gedwongen maar als degenen:" quae se ipsas castraverunt propter regnum caelorum quod vim patur. (Math.19, 12)(14).

De begijnen vormden de oudste wereldlijke vrouwenvereeniging, welke zich aan den godsdienst wijdde. Volgens sommigen zou de heilige Begga tegen het laatst der zevende eeuw de stichteres zijn. Anderen meenen, dat zij hun naam ontleenen aan den Luikschen priester Lambert le Bèghe, die in Luik het eerste begijnengesticht bouwde in de 12e eeuw (15).
Vanuit de Zuidelijke Nederlanden verspreidden de begijnen zich over Nederland, België en Duitsland, tot zelfs in Italië en Spanje.
Geleidelijk kregen de begijntjes hun gestichten en hofjes, waar zij in groepen in eigen kamertjes samenwoonden.

Onze Twentsche begijntjes, onze klopjes, brachten het niet zoo ver. Zij kregen niet hun eigen convent, hun eigen kleine huisjes om een mooie binnenplaats gerijd. Sommigen bemachtigden een éénkamerwoning, dikwijls in de omgeving van de kerk, waar los van elkaar enkele dezer armoedige huisjes waren opgetrokken. Anderen bleven op de boerderij, waar zij zich toch meestal aan het gezinsleven onttrokken door de bewoning van de z.g. 'boavenkamer", ook wel "kloppenkamer" genoemd, welk uitbouwsel aan oude boerderijen in Twente nog veelvuldig voorkomt.

Een kloostergelofte legden de begijnen niet af, evenmin onze klopjes, zoals blijkt uit het verslag van de congregatie der Propaganda in 1663 (16). Zonder dispensatie konden zij dus weer in de wereld terug keeren en ook trouwen. Het Hof van Friesland deed indertijd een onderzoek naar de professie van deze Jezuïetessen", waarbij niet het onderscheid was gemaakt tusschen "kloppen"(geestelijke dochters) en nonnnen (religieusen). Het Hof van Vlaanderen te rade geroepen, gaf ten antwoord: "geestelijke doghters ofte quesels mogen disponeeren over hare goederen"(17).
Zij bleven dus staan tusschen de wereld en het klooster, hielden het midden tusschen de kwezel en de non. Toch schijnt het nog wel eens voorgekomen te zijn, dat men de klopjes een soort professie liet afleggen, want in 1661 en 1662 heeft de Vicaris A post. van Neercassel reeds geklaagd over het misbruik der Missionarissen om de geestelijke dochters tot de geloften toe te laten(18).

2017 1 03De begijnerijen mochten al geheel los van elkaar hebben gestaan, verschillende bisschoppen hebben voor hun toch leefregels gegeven. Zoo bepaalde de Antwerpsche bisschop Torrentius (1586-1595) dat om begijn te worden, de leeftijd, die vroeger op 13 jaren was gesteld, zou gebracht worden op 18 jaren. Hij schreef verder voor, dat niemand begijn mocht worden, tenzij zij eerst gedurende een jaar bij een goede godsvruchtige begijn gewoond had en door haar zou onderwezen zijn.

Volgens den regel van Joannes Malderius bisschop van Antwerpen van 1595-1635 moest tijdens het proefjaar de begijn het habijt der geestelijke dochters in de wereld dragen. Deze bisschop bepaalde voorts "dat sij in de kercke openbaerlijck ontfanghen worden ende onder de misse - onder dewelcke sij communiceeren sullen ofte daernaer sal hun de pastoor op thooft hanghen den ommedoeck oft faillie naer gelegentheyt des tijts en sullen dan de gelofte(19) doen in handen des pastoors(20). Zij, die konden lezen waren dan gehouden iederen dag de getijden van Onze Lieve Vrouw te bidden. Eigenaardig is het, dat zulke leefregels voor onze Twentsche klopjes niet bekend zijn. De laatst overgeblevenen konden ook omtrent eenig geestelijk statuut niets vertellen. Hun leefregel bestond praktisch vrijwel geheel uit:" het blijven op een eerbiedigen afstand van den man".

Dat hier geen algemeene voorschriften werden gevonden is te verklaren. Toen na 1580 de kloosters in Twente op hielden te bestaan en de Roomsch Katholieke geestelijken van de klopjes een dankbaar gebruik maakten voor allerlei kerkelijke werkzaamheden en het toetreden tot deze staat bevorderden, toen was er dikwijls geen algemeen leidend hoofd. De leefregels der klopjes werden dan ook geheel plaatselijk samengesteld en wisselden naar gelang de geestelijke, onder wien zij werkzaam waren een saeculiere of reguliere was, een Jezuït, een Franciscaan of een Dominicaan.

Wel schrijft de vroegere Oldenzaalsche Deken Rovenius als Apostolisch Vicaris te Utrecht in zijn reeds genoemd Respublica christiana, welk werk men zou kunnen beschouwen als een geestelijke en maatschappelijke plichtenleer, ook over de geestelijke maagden, dat zij staan onder den pastoor en haar eigen parochiekerk moeten bezoeken, terwijl zij over 't algemeen beter doen geen belofte van gehoorzaamheid aan hun biechtvader af te leggen, als algemeene leefregel is dit zeker niet aan te merken. Uit overlevering en uit de praktijk der laatste halve eeuw zijn ons echter algemeene leefregels der klopjes bekend, die zeer veel overeenkomst vertoonen met de bisschoppelijke leefregels der begijntjes. 

De klopjes werden door den parochieherder plechtig aangenomen, bij welke kerkelijke gelegenheid hun door den pastoor een kroontje op het hoofd werd gezet. Als een kostbaar bezit werd dit kroontje door de klop haar leven lang bewaard, meestal in een muurnisje achter glas opgeborgen. In haar doodsgewaad droeg zij wederom dit kroontje en nam het mede in haar graf.
Bij de aanneming werden familieleden en vrienden genoodigd en na de plechtigheid werd de "kloppenbruiloft" gevierd. Evenals de begijntjes droegen onze klopjes haar "habijt", een zwart kleed, een witte muts, van voren niet geplooid, en een bonten boezelaar.
Bij plechtige gelegenheden was het hoofd met een langen zwarten sluier gedekt. Om den hals werd dan gedragen een zilveren halskettinkje, waaraan een zilveren kruis. Als een klein teeken van vrouwelijke ijdelheid was de hand van het klopje soms gesierd met een zilveren ring, waarop een kruisbeeld "de kloppenring".(21)
Volgens Dr. Benthem (22) zouden in de vorige eeuw de klopjes als onderscheidingsteeken ook nog gedragen hebben een smal wit lintje, dat aan het voorhoofd onder de cornetmuts uitstak.
Het is wel bekend, dat sommige klopjes zich tot taak gesteld hadden dagelijks bepaalde gebeden te bidden, terwijl velen leefden naar de geschriften van de wereldlijke derde orde van den Heiligen Franciscus.

In parochien met meerdere klopjes stond er een aan het hoofd, tegenover wie de anderen zeer eerbiedig opzagen. Of dit hoofd zooals bij de begijntjes ook meesteres werd genoemd en door de klopjes zelf werd gekozen is niet bekend. 

De levensbehoeften der klopjes waren gering. Bezaten zij van huis uit geen middelen of teerden zij niet op de boerderij van ouders, broers of zusters, dan moesten zij in hun eigen onderhoud voorzien, wat in den lateren tijd meestal bestond in spinnen, of uit naaien of breien gaan bij de ingezetenen.
We zien ze voorts bidden bij een overledene en de nachtwake houden in het sterfhuis. Zij passen op bij zieken of verplegen ze. Tot aan het herstel der kloosters zijn zij dikwijls belast met de verzorging van de kerksieraden en zingen zij bij de godsdienstoefeningen.
Hun taak om de geloovigen tot bijeenkomsten te waarschuwen, tractaatjes en leesboeken rond te brengen en op te passen tijdens de geheime godsdienstoefeningen tegen verstoringen, kunnen we lezen in de werkwijze der kloppen te Amsterdam(23).

Het geven van naai- en breiles en vooral van godsdienstonderricht aan kinderen schijnt tijdens de vervolging wel het belangrijkste onderdeel van hun taak te zijn geweest. De placcaten van Steden en Ridderschap, de waarschuwingen van Classis en Synode verschijnen telkens weer met vermaningen tegen de gevaarlijke cloppen, nooit omdat zij gaan "kloppen" maar steeds omdat zij naaischolen houden en godsdienstonderricht geven.(24)

De kloppenschool te Culemborg(25) van 1630 tot 1725, waar twee of drie godsvruchtige "joffrouwen" de leiding hadden is bekend. Elders lezen we in 1630 "Dese dopgens catechuseren ordinaerlijck van een tot twee uyren, hebbende daertoe haer eigen vraegboekjens" .(26)
Om in de buurt te blijven, de "cloppen" die te Haaksbergen op het Damveld wonen, een boerderij even buiten het dorp, maar niet nalaten school te houden, waren een doorn in het oog van de Classis van Deventer.(27)
Geerdink(28) leert ons in dit opzicht ook iets, als hij aanhaalt een resolutie van den kerkeraad van Ootmarsum tegen het pausdom, waarin is bepaald: "Geen kinderen naar Paepsche scholen te laten gaan of bij klopjes te besteden om iets te leeren. De schrijver vraagt dan, wat te leeren en antwoordt: "dit verklaart eene resolutie der prov. vergadering van Ridderschap en Steden, gearresteerd te Zwolle den 22 maart 1719.

"Dat de klopjes niet onderrichten in den kathechismis der pauselijke relegie en niet toegelaten worden onder pretext van een of ander handwerk te leeren, hetzij in haar eigen of andere huizen, zoo min aan kinderen als aan oude menschen. De boete voor iedere reise 25 gulden." 

De Friese Staten hebben in 1643 gestatueerd 7 juli:" Alle cloppen alhier te lande zijnde ofte noch te mogen komen, worden strictelyken verboden haer te onthoudenomeenige persoonen te exerceeren in de Pauselyke superstitien of andere byeencompsten .... bij poene de eerste mael 100 goutgulden, de tweede mael 200 goutgulden, derde mael uitgebannen en confiscatie".(29)

Het handschrift van pastoor Waeyer(30) die gedurende zestig jaren als priester te Zwolle werkzaam was en die in een soort dagboek den toestand der katholieken in Zwolle en omgeving tijdens de zeventiende eeuw als tijdgenoot weergeeft, maakt herhaaldelijk melding van klopjes, maar gewaagt er nergens van, dat zij voor godsdienstige samenkomsten gingen kloppen. Wel vertelt hij het tegendeel. Een "verloopene lopie der Societeyt, met name Dicke Tryne" heeft n.l. aan de autoriteiten van Zwolle de geheime schuilplaats verraden waar mis wordt gedaan en de paramenten opgeborgen, hetgeen tot ontdekking leidt en den pastoor een belangrijke geldboete kost.
Voorts laat de schrijver ons zien, hoe klopjes in Zwolle ook nog met andere werkzaamheden werden belast. Een 'cloppien" huurde een woning, waarin een priester zijn intrek nam om hierdoor minder op te vallen en een ander klopje was er huishoudster. 

"Heerschap Knoeven" in Steenwijk was komen te sterven. "Syn huysvrouw bleef in de huishoudinge sitten ende hield twee maeghden, synde gesusters ende geestelycke dochters, genaemt Aeltien en Hilligchjen".

Zelfs werden klopjes gebruikt als "oppasseresse" der arbeiders bij den bouw van schuurkerk, wat pastoor Waeyer verontwaardigd doet uitroepen "ls dit cloppenwerk?" 

Een bijzonder voorrecht, waarop de klopjes zeer gesteld waren, genoten zij in lateren tijd, dat zij een vaste plaats hadden in de eerste banken der parochiekerk, alsook dat zij bij het uitdragen van een lijk de eerste plaats mochten innemen.
Zij communiceerden in den regel vóór de overige parochianen brachten hiertoe hun eigen communiedoekje mee. Als navolgers van de begijnen traden de begharden op, de mannelijke begijnen, die echter weinig populair werden en zich spoedig in de kloosterorden van Franciscus en Dominicus oplosten(31)

Evenals de mannelijke begijnen hebben we ook de mannelijke kloppen gehad, bekend als klopbroeders(31) Veel is er van hen niet te vinden. In de parochie Saasveld weet men echter nog te vertellen, dat er twee klopbroeders leefden, waarvan er een als de lange broeder bekend stond. Ook in Geesteren leefde vóór weinige jaren nog een klopbroeder, een brave man, die altijd, ook op weg naar de kerk, breide. 

Na 1840 zien we in Overijssel de kloosterlingen terugkeren en hiermede is het lot der klopjes beslecht. In een enkele parochie worden nadien nog wel nieuwe geestelijke dochters aangenomen, doch zulks gebeurt steeds minder, tot het omstreeks de zestiger jaren geheel ophoudt.
In de suppressietijden hebben de klopjes ontegenzeggelijk voor hun geloofsgenooten op verschillend gebied heel veel goeds gedaan en hun opofferingsgezindheid en hun strijd voor de moederkerk dwingen dikwijls bewondering af. Jammer is het daarom vooral, dat zij hun roem hebben overleefd.
Meerderen zijn de laatste jaren tot den kloppenstand overgegaan na een mislukte liefde of omdat zij door een of ander lichaamsgebrek ervan overtuigd waren, nimmer tot een huwelijk te zullen worden geroepen. De naam klop begint dan een onaangenamen klank te krijgen. Vandaar is het in Münsterland bekende gezegde te verklaren:(33) 

"Ne Klopp is ne Hillige in de Kiarck,
Ne Klappei op de Stroaten ne Düwel in Hüs".
"Woa ne Klopp in Hüs is,
doa sitt de Düwel op 'n Schuosteen". 

Overzien we tenslotte de verschillende oudere parochiën van Twente, dan treffen we er na 1840 nog bijna overal klopjes aan. Alleen in Almelo, Enter, Rossum, Rijssen en Vriesenveen is niet na te gaan of er ooit klopjes hebben bestaan. In Geesteren, Ootmarsum en Tilligte kunnen ons ouden van dagen nog vertellen van klopjes, die zij hier hebben gekend, maar verdere bijzonderheden ontbreken er. In Denekamp leefden in 1870 nog 12 klopjes. De laatste stierf hier omstreeks 1900. Te Enschede leefden verschillende klopjes, die uit naaien en vertellen gingen. Na de brand van Enschede werkten zij geruimen tijd tesamen ten huize van de familie Elderink om te voorzien in de behoeften der velen, die door den ramp alles hadden verloren.

Uit de laatste 50 jaren zijn te Goor slechts vier klopjes bekend, waarvan er een huishoudster was bij den pastoor. Haaksbergen heeft altijd vele klopjes geherbergd, waardoor de boerderij het Damveld, zooals reeds gezegd, is bekend geworden. De laatsten zijn er in de twintiger jaren dezer eeuw gestorven.
Hengelo, waar verschillende klopjes hebben geleefd, heeft voor zoover is na te gaan, onder alle Twentsche parochiën het laatste klopje gehad, Mina Hassink, die in 1932 is overleden.
Een jaar of twee vroeger stierf het laatste klopje van Losser. 

Hier weet men nog te verhalen, dat bij de laatste aanneming in de oude kerk er zooveel klopjes waren, dat zij bij de processie door de kerk een gesloten rij vormden. Men moet er toen minstens zestig geteld hebben.
Ook Lonneker heeft vele klopjes gekend. Vijf woonden er de latere jaren nog op de z.g. kerkbult en de laatste hiervan stierf in 1903. Als dankbare herinnering aan het verdienstelijke werk der klopjes in den vervolgingstijd heeft de tegenwoordige pastoor van Lonneker in zijn kerk een tafereellaten schilderen, voorstellende een H. Mis in een schuurkerk, waar voor het altaar een klopje ligt geknield. 

Volgens den historicus Geerdink waren er in de Lutte in 1871 40 klopjes. In 1837 overleed hier de moeder der klopjes Catharina Essink, terwijl het laatste klopje hier 3 januari 1922 werd begraven. Zooals algemeen op het platteland van Twente nog gebruikelijk is, dat de meeste bewoners met een bijnaam worden aangeduid, zoo ontkwamen hieraan ook de klopjes niet. In de Lutte leeft nog de herinnering aan Tappersklop, Koendersklop, Loaboersklop, Kiestklop, Timmerboersklop e.a.
In Weerselo was het aantal klopjes ook zoo groot, dat zij verschillende banken in de kerk vulden, terwijl er in Vasse sinds 1844 een veertigtal op het doodenboek staan vermeld. De laatste hier overleed in 1895.

Van de klopjes, die meer dan drie eeuwen lang onze Twentsche landouwen stoffeerden is slechts gebleven de herinnering.

 

 C.J.A. van Helvoort, burgemeester van Losser.

2017 1 01

LITURATUUR:

  1. Geschiedenis van Enschede en zijn naaste omgeving door Dr. A. Benthem Gz. 1920 blz.386.
  2. Kerkelijk Woordenboek.
  3. Wagenaar, Beschrijving van Amsterdam II blz. 218.
  4. J. Geerdink, Eenige bijdragen tot de Geschiedenis van het Archidiaconaat en Aartspriesterschap Twente blz. 141.
  5. Archief Aartsbisd. Utrecht deel 50 blz. 141.
  6. Zoeklicht.
  7. Bijdrage tot de Kerkelijke Geschiedenis van Deventer door Dr. J. de Hullu; 1578-1587 Archief Aartsbisd. Utrecht Dl. 41 blz. 26.
  8. Berichten hierover bij Adreas Tiara, Notationes, uitgegeven door van Borsum Waalkes. Archief Aartsbisd. Utrecht Dl. 35 blz. 92-93.
  9. 1538. Zie Katholiek 1906 (2) blz. 455.
  10. "Obiit Yda van der Breden, baguta" Archief Aartsb. Utrecht dl. 18 blz. 210.
  11. Katholiek deel II jaargang 1906 blz. 455.
  12. Ypey in zijn geschiedenis der Christ. Kerk in de XVIIe eeuw blz. 59-62.
  13. Navorscher, IX blz. 261.
  14. Arch. Aartsb. Utrecht X blz. 125
  15. Encyclopedie Winkier Prins.
  16. Archief Aartsbisd. Utrecht deel XVIII blz.210.
  17. Arch. Aartsb. Utrecht Deel35 blz. 109.
  18. Arch. Aartsb. Utrecht dl. 27 blz. 367-369 en dl 35 blz.109.
  19. Dit is geen kloostergelofte maar de gelofte der wereldlijke orde van Franciscus.
  20. Cartularium van het Begijnenhof te Breda door G. C.A. Jute 1910.
  21. Een kloppenring is aanwezig in de Twentsche oudheidkamer te Enschede.
  22. t.a.p. blz. 386.
  23. Katholiekjaargang 1889 blz. 298.
  24. Zie ook Overijssel, pastoor Rientjes blz. 923.
  25. Archief Aartsb. Utrecht deel 37 blz. 326.
  26. Archief Aartsb, Utrecht deel XIV blz. 242.
  27. W.G.A. Röring. Kerkelijk en Wereldlijk Twente deel II blz. 239.
  28. J. Geerdink t.a.p. blz. 141-143.
  29. Archief Aartsb. Utrecht deel 20 blz. 148.
  30. Arnol Waeyer door O.A. Meijer Archief Aartsb. Utrecht deel 45 blz.22-25-38-66-94-124-137 -149-161-183.
  31. Encyclopedie Winkler Prins.
  32. Katholiekjaargang 1 blz. 412.
  33. Volksmund Karl Wagenfeld.

 

 

Copyright 2016-2019 © Historische Kring losser. Overname alleen toegestaan na schriftelijke toestemming.